Onderwijs in Limburg in de 18e eeuw

Onderwijs in Limburg in de 18e eeuw

Opvallend zijn de steeds wijzigende  leerlingenaantallen in de jaren 1730 tot 1750 in Limburg.Vaak zien we plotseling een toename van het aantal pupillen, maar een tijdje later zien we de aantallen dalen! Verklaringen zijn soms moeilijk te geven. Mogelijk was de beter presterende schoolmeester de oorzaak, maar het kan ook zijn dat de steeds wisselende aantallen soldaten die in deze streek als huursoldaten dienden daarvoor verantwoordelijk waren. Gereformeerde gemeentes probeerden steevast uit deze soldaten leden voor hun parochies te rekruteren. Als ze de mannen konden binden zou de invloed van het protestantse segment van de bevolking immers steeds groter worden. Hun kinderen gingen vervolgens naar een gereformeerde school en garandeerden op deze wijze de groei van de enig ware religie. Een algemeen dekkende reden voor de wisselende aantallen leerlingen is niet exact te geven. Vaker waren plaatselijke omstandigheden de oorzaak van schommelingen. Predikanten en protestantse meesters klaagden regelmatig over de paapse bijscholen in en buiten het Staatse rechtsgebied. Zo gingen meisjes en jongens uit Meerssen in Ulestraten naar school, en de kinderen van Beek naar Gen Hout, om maar een paar voorbeelden te noemen.

De vraag was overigens ook of ouders  hun kinderen wel de lange voettocht naar een ander rechtsgebied in weer en wind wilden laten maken om daar les te krijgen bij een roomse meester. Tijdens de zomermaanden hielden vele ouders (landarbeiders) trouwens hun kinderen thuis om ze bij de oogst in te zetten. Het kwam zelfs voor dat een schoolmeester in deze tijd geen kind meer op school zag verschijnen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat schoolmeesters naast hun eigenlijke beroep nog moesten bijklussen om rond te komen.Hoe minder kinderen er kwamen, hoe minder inkomsten hij kreeg in de vorm van een paar stuivers schoolgeld. Soms waren deze mensen schepen in een gemeenteraad, lid van de rechtspraak, of verhuurden ze zich als schrijver. Sommige ondernemende figuren dreven zelfs een herberg of een winkel. Dit leidde al gauw tot fikse protesten van mensen die vonden dat meesters hun beroep op deze wijze niet goed konden verrichten. Een heel ander verhaal betrof de behuizing van de schoolgebouwen en de onderkomens van de meesters zelf. Het was armoe troef.

Schoolgebouwen en schoolmeesterswoningen in de 18e eeuw in Limburg

Het was in die dagen voor een meester niet gemakkelijk een gebouw te vinden waarin hij zijn leerlingen kon onderbrengen en ook nog zelf kon wonen. In het begin van de 18e eeuw werd in het dorp Wolder door de plaatselijke overheid een gereformeerde schoolmeester benoemd. De dorpelingen kregen de man echter niet te zien. Hij bleef mooi in Den Haag wonen en zorgde voor een vervanger die zijn werk in Wolder zou verrichten. Noch het origineel, Barend van Braampt, noch zijn substituut, kondenechter  in Wolder vaste voet aan de grond krijgen. Er kwam gewoon geen woning of gebouw beschikbaar voor de mannen. De kinderen uit Wolder gingen voor hun onderwijs ondertussen naar de roomse schoolmeester in het aangrenzende dorp Montenaken. Het lukte de overheid pas in het jaar 1718 een schoolgebouw te regelen voor hun eigen jeugd. In dat jaar werd Eupenaar Hendrick van Auw benoemd tot meester in Margraten. Hij arriveerde  hoopvol gestemd met zijn vrouw en kroost in het dorp. Zijn teleurstelling was echter al gauw  immens groot. De hem toegezegde woning bleek bewoond te worden door de roomse koster die daarvoor alle steun kreeg van de lokale pastoor. Hendrick en zijn familie werden vanaf het allereerste ogenblik op alle terreinen tegen gewerkt. Zelfs het lesgeven aan gereformeerde leerlingen werd hem niet toegestaan. De Margratenaren hadden niets op met de “verplichte religie”en deden hun best om dat de laten zien. Pas nadat de Raad van State in januari 1719 ingreep, kon deze toestand enigszins genormaliseerd worden.

De roomse koster moest vanaf dat ogenblik zijn huis verlaten en Hendrick kon er eindelijk zijn pupillen ontvangen. Toen in het jaar 1717 het schoolhuis in Valkenburg door brand vernield werd, moest de overheid vijfhonderd gulden Hollands zien te vinden om het pand te restaureren. Het was een groot probleem, waardoor onderwijs een tijdlang niet mogelijk was. In de Heerlijkheid Geulle was de situatie rond deze tijd nog dramatisch veel slechter. Het schoolhuis moest elke dag opnieuw schoolbanken lenen van de kerk. Het gebouw was ook nog eens veel te klein. Als het slecht weer was, liep het water langs de muren naar beneden. De muren leken wel half in elkaar gezakt.Voor de reeds zieke schoolmeester Herman Kuyper ( meester bleef je toen totdat je omviel), was het allemaal te veel. Hij kon slechts een ruimte in het gebouw gebruiken. Die ruimte diende niet alleen als zijn woning, maar had ook de bestemming van schoolhuis. De gereformeerde visitatiecommissie kon in het jaar 1737 met eigen ogen zien hoe ellendig de situatie was! Ze kwam dan ook ook met een advies. Er zou een kamer bijgebouwd moeten worden. Dat gebeurde echter nooit. Ook de predikant had het er niet makkelijk. Zijn behuizing was verschrikkelijk en zou zo nog lange tijd blijven. Pas in het jaar 1782 (!!!) werd er een begin gemaakt met de aanbesteding van een nieuwe pastorie.

J.Vromen

onderwijs 18e eeuw

Onderwijs in 18e eeuwse dorpsschool

Advertenties

Huwelijksaankondiging Jeanne Selys de Longchamps uit 1903

Huwelijksaankondiging van Jeanne Selys de Longchamps uit 1903

“Le 24 juin 1903, le Baron et la Baronne DE SELYS-LONGCHAMPS envoient des faire-part annonçant le mariage de leur fille, DE SELYS-LONGCHAMPS Jeanne, avec le Baron DE ROSEN Adalbert. La cérémonie se tient au château de Longchamps, à Waremme”.

Uit het komende boek over de Heerlijkheid Borgharen door Jo Vromen

 

Boosdoeners in het Bosscherveld in Maastricht in het eerste deel van de 18e eeuw

Normaal gesproken stond het woord opwinding niet in de vocabulaire van de nonnetjes in het Wittevrouwenklooster in Maastricht. Maar in februari van het jaar 1727 was er sprake van grote opwinding in het klooster. De nonnen waren niet verontrust over een mogelijke inkwartiering van soldaten, maar over iets anders. Een of andere boosdoener had een brandbrief onder de poort van het klooster geschoven. Hun klooster dat aan de noordkant van het Vrijthof gelegen was, zou volgens de onverlaat in brand gestoken worden als de zusters niet gauw vijftig gouden munten of pistolen, uit hun “bankkluis” wilden halen. Alsof dat niet erg genoeg was, dreigde hij er ook mee om de Wittevrouwenhof in het buiten de stadspoorten gelegen Scharn aan te steken. Hij eiste dat het geld in een greppel aan de buiten de Boschpoort gelegen weg naar Smeermaas en Caberg gelegd zou worden. Het stadsbestuur nam de zaak niet al te zwaar op en permitteerde zich ondanks de drie geschreven brandbrieven een afwachtende houding. Er gebeurde verder niets, maar dat zou niet zo blijven. In januari 1728 werden de twee dochters van herberguitbater Schrak door een onbekend persoon plotseling ernstig bedreigd. De kerel eiste van deze twee Maastrichtse schonen eveneens vijftig pistolen, die ze op dezelfde plaats buiten de Boschpoort moesten deponeren. Deze meiden woonden in de naast het Wittevrouwenklooster gelegen herberg “In de Helm”, later Du Casque geheten. Het stadsbestuur werd nu wel wakker. Er waren immers twee lokale schonen in het geding. De overheid  loofde een premie van honderd rijksdaalders uit voor degene die meer over deze onverkwikkelijke affaire kon vertellen! Daar bleef het bij. Er volgde geen onderzoek en men liet eveneens geen schutters surveilleren in de buurt. De zusters echter, volgden de eis van de boef voor een deel op.

Ze legden een klein bedrag van vijftig oortjes (kwart stuivers) in de bedoelde greppel.Wellicht hoopten ze dat de boosdoener op deze goedkope wijze betrapte zou kunnen worden. Door gebrek aan mankracht bij justitie kwam hier niets van terecht. Even later gooide de brutale crimineel zelfs het door hem uit de greppel opgeviste geld over de muur van het klooster terug. Dank je wel, ik wil alleen de door mij gevraagde som, betekende dat! Justitie was wel zo slim om nu een plakkaat in de stad op te hangen waarop een groot geldbedrag beloofd werd aan diegene die voor meer informatie zou kunnen zorgen. Waarschijnlijk had de afperser dit ook gezien, want het bleef acht jaar lang muisstil. Tot in januari 1736. In deze maand werden opnieuw twee afpersingsbrieven onder de poort van het klooster doorgeschoven. Misschien had de afperser geldnood of kon hij geen weerstand bieden aan zijn criminele neigingen. Opvallend was dat hij deze keer minder geld vroeg. De magistraat kwam nu wel in beweging en men maakte gelden vrij om de afperser op te sporen. Het resultaat was echter nihil, totdat er in oktober 1736 een brandbrief met een gezwavelde lont als extra dreiging  onder de poort van het klooster door geschoven werd. De schutters gingen nu dag en nacht surveilleren. Niet alleen in de stad, maar ook in het Bosscherveld. De schout van de Vroenhof, in wiens rechtsgebied het Bosscherveld lag, liet een soort nepbom maken die in de reeds lang bekende greppel werd gelegd. Men had  prijs! Een ogenschijnlijk onschuldige wandelaar die plotseling met zijn stok op de in de greppel begon te steken bleek de veelschrijver van de brandbrieven te zijn. Zijn identiteit kon al gauw worden vastgesteld. Het ging om Johan Jakob Finsel, een voormalig dragonder in dienst van de Republiek der Nederlanden. De kerel schrok zich een hoedje toen het rotding ontplofte, en werd direct door een paar schutten opgepakt en meegevoerd. Hij was aan het einde van zijn aardse rit gekomen. Er was niemand die het voor hem opnam. Het hooggerecht van het graafschap Vroenhof veroordeelde hem tot ophanging. Het vonnis van de zesendertig jarige man die afkomstig was uit het Duitse Hanau, werd op vier en twintig december 1737 voltrokken. Officier van justitie Leveriksvelt moest lang wachten op zijn beloning. Hij kreeg het geld pas nadat de man terechtgesteld was. Overigens had de ongeduldige overheidsfunctionaris  al een paar keer om uitbetaling verzocht. Ook hij moest zijn rekeningen betalen!!

BRON: Gemeentearchief Maastricht, nu RHCL.

749px-Foto_van_tekening_kerk_-_Maastricht_-_20147414_-_RCE

Situatie: Vrijthof Maastricht in 1670, met Wittevrouwen kerk naar een tekening van N.Klotz.

Borgharen tijdens Beleg van Maastricht op 17 juni 1673

De stad Maastricht is in juni 1673 tijdens het beleg van de Fransen omgeven door een z.g. cicumvallatielinie, gebouwd door de belegeraars die tot doel had te voorkomen dat de vesting versterking kreeg van buitenaf. Het doel was immers uithongering. Recht in het midden bevindt zich het huis Raven, met ook een vermelding van de Geusselt, dan volgt Limmel, en daarna komt Opharen of Borgharen, zo genoemd om niet verward te worden met Neerharen. Het vierkantje met de zwarte afbeelding is mijns inziens het kasteel. Tevens kunnen we zien dat er pal tegen het dorp aan een bevoorradingskamp lag (LES VIVRES). Of de inwoners daar stokbrood hebben kunnen afhalen valt niet meer na te gaan. Wel zal er een bakker met de naam Dupont aanwezig geweest zijn, die daarna aan het deeg is vastgeplakt en in Borgharen is blijven hangen.

Aan de linkerkant tussen Bilsen en Wilre zien we nog zo een bevoorradingskamp.

1673_Beleg_van_Maastricht,_circumvallatie_door_Franse_troepen

Jo V.

Borgharen tijdens Beleg van Maastricht in 1673

Via deze nog niet perfect door mij genomen foto van een oude prent uit een van mijn boeken, krijgen we een goed beeld van de ligging van Borgharen in 1673. Aan de overkant van de Maas, ietsjes links van het midden zien wij evt. met vergrootglas het kasteel, waar toen van Isendoren à Blois resideerde. Hij had echter in dit jaar tijdelijk zijn biezen gepakt uit angst voor de Fransen. Hij zou weer terugkomen en voor veel onheil zorgen. Wie goed kijkt, ziet dat de de loop naar de stad geheel anders was. Men zal er niet gehinderd door een kanaal of wat dan ook sneller geweest zijn in een bijna rechte lijn.

 

20171226_103444

Was Willem Huijnen uit Berg en Terblijt, een bokkenrijder?

Herbergier verleidt jonge knapen

Was Willem een z.g. Bokkenrijder of was ook hij een slachtoffer van de vervolgingswaanzin van de “Limburgse regenten”. Op negen september 1773 kwam het schepengerecht van Berg in een buitengewone vergadering bij elkaar om deze man aan een verhoor te onderwerpen. Dat gebeurde niet in Berg zelf, maar in het Sint Servaes Panhuijs in Maastricht. Het gebied van de bank Berg behoorde immers tot het eigendom van het Servaes kapittel. Huijnen was “herbergier” en kleermaker van beroep en woonde onder aan de Rasberg die naar Berg en Terblijt leidt. Willem had overigens geen al te beste reputatie.Van huis uit was hij snijder, maar als het uitkwam schonk hij ook bier en brandewijn aan gasten.Er deden diverse verhalen de ronde over deze man. Een van die verhalen ging over het feit dat hij jongeren uit zijn  omgeving zou aanzetten tot het stelen van vruchten en oogst van hun ouders. De jongelieden verkochten die dan tegen een voordelig prijsje aan Willem! Een gratis biertje of een brandewijntje konden de jeugdige booswichten makkelijk overhalen om met hem samen te werken. Zo was er een zekere Paul Duijsings die op bevel van Willem koren dat van zijn vader was had gestolen. Hij bracht de zak stiekem in het holst van de nacht naar het huis van Willem. Paul had al eerder door hem gestolen tarwe aan hem“geleverd”. De beruchte stroper Jannes Bekkers bekende later dat hij vruchten en zelfs kippeneieren van zijn moeder stal, om er Willem mee van dienst te zijn.

Willem werd nog van meer dingen verdacht, vooral nadat een in Valkenburg gevangen zittende verdachte hem van medeplichtigheid aan diefstal had beschuldigd. Willem zou hebben meegedaan aan een al jaren eerder gepleegde overval op het Panhuijs te Wijnandsraede, aan een inbraak aan de Maesband, en aan een overval op een woning te Schimmert. Het ging om zaken die soms al achttien jaren terug lagen. Schout Milliard verschafte de schepenen alle noodzakelijke informatie en besloot om de door Willem begane misdaden te gaan vervolgen. De rechtbank beschuldigde hem van het feit dat hij lid was van een goddeloze bende. Ze verweet Wilem ook nog dat hij de beruchte godslasterlijke eed had afgelegd en een verbond met de duivel had gesloten. Willem werd na heel wat pijnlijke ondervragingen veroordeeld en enkele dagen later ter dood gebracht. Het hele proces werd betaald uit zijn in beslag genomen bezit.

Een uitgeknepen bevolking

Willem werd waarschijnlijk als zondebok geofferd door een overheid die nepotistisch en in zichzelf gekeerd was. De belangen van de toen straatarme Limburgers stonden duidelijk niet voorop of bestonden in het geheel niet. Burgers waren toen goed om over het bitter weinige dat ze bezaten ook nog eens belasting te betalen. Het was een verschrikkelijke tijd met grote sociale en economische problemen. Voor de gereformeerde overheid was Willem een ketter  die de strop verdiende. Willem zat lange tijd opgesloten in het oude stadhuis te Maastricht. De rechtbank liet heel wat personen waaronder zijn vrouw, naar Maastricht komen om er te getuigen. De rechtszaak verliep niet van een leien dakje. Schepen Alberti van Berg werd er door schout Milliard en procureur Vermin van beticht dat hij te nauw bij de zaak van Willem betrokken was, en zelfs mogelijk een persoonlijk belang had bij deze affaire. Alberti zou tijdens de Bergse kermis met vrouw en kinderen in de woning van Joannes Habets vertoefd hebben. En deze Joannes was weer familie van Willem Huijnen.Willem’s neef Jacobus Huijnen, was echter een halfbroer van de vrouw van Habets. Dit bezoek allen al maakte Alberti verdacht.

Alberti antwoordde dat Joannes Habets eveneens schepen te Berg was en dat hij verder als een geacht persoon bekend stond. Het was toch niet vreemd dat hij met zulk een persoon van aanzien contact had. Procureur Vermin zelf was toch ook te gast geweest bij de familie Habets. Alberti was van mening dat hij gechicaneerd werd door een respectloos persoon die “Bij sijnen schout eenen flitsdank wil verdienen, maar de eere en fatsoen van eenen secretaris en medelid van de justitie hasardeert en zijn ampt verdagt wil maaken. Het advers geratel en geloeder agter sijnen rugge tasten hem in zijn eer aan, en hij protesteert tegen de atroce injurie, en de affront die sijnen goeden naam en faam bezoedelen”. De rechtbank besloot om onpartijdige juristen naar de zaak van Huijnen te laten kijken. Er bestonden echter nog steeds geruchten over de vermeende band tussen Joannes Habets en Willem Huijnen. Alberti kon er niet meer tegen en besloot om zijn ambten neer te leggen.Willem werd ondertussen aan een nog scherper verhoor onderworpen. De rechtbank riep nu schepen Alberti er niet meer was, de hulp in van buitenschepen en secretaris Nijpels van Mechelen aan de Maas. De man werd  letterlijk ingehuurd voor extra geld.

Rechtbank tovert getuige uit doosje

In januari 1774 kwam de in Valkenburg gevangen zittende Christiaen Vlecken plotseling met een verklaring op de proppen die Huijnen nog verder belastte. Huijnen zou volgens hem in augustus 1756 (!) bij boer Walraeven aan de Maasband bij een inbraak betrokken zijn geweest. Willem werd nu naar aanleiding van de uitspraak van Vlecken door de rechtbank op leugens betrapt. Daar bleef het niet bij. In februari 1774 werd duidelijk dat ook Viltenaar Vaes Hendriks tot deze bende behoord zou hebben.Vaes was zes jaar lang dragonder geweest in het Staatse leger en bekende “zonder pijn en banden” dat hij bij een aantal overvallen op de uitkijk had gestaan. De echtgenote van Hendriks en de schepenen van Berg tekenden beroep aan tegen de vervolging van Vaes, omdat ze van mening waren dat zijn arrestatie niet op de juiste wijze had plaats gevonden. Vaes kon zijn detentie moeilijk accepteren en probeerde in 1775 zelfs zelfmoord te plegen door met een stuk glas zijn aders door te snijden. Uiteindelijk kreeg Vaes “slechts” levenslang Willem Huijnen werd ondanks alle aan hem verleende steun in de maand maart van 1774 opgehangen. Veel bezittingen had hij niet. Het ging volgens de rechtbank om “prullen en bagatellen’, die de kosten van het proces bij lange na niet zouden dekken. De echtgenote van Huijnen bleek plotseling van de aardbodem verdwenen en van de meest waardevolle eigendommen uit hun huis was maar weinig meer over! Willem’s woning met tuin werden op vijf en twintig mei 1778 publiekelijk verkocht voor zeven honderd vier en zestig gulden. Twee honderd vier en negentig gulden hiervan kwamen toe aan de heren van Justitie, dus bleef er maar vier honderd zeventig gulden over voor Rijproost Cruts van het Servaes kapittel. Deze op zijn paard rondrijdende representant van de goed in de slappe was zittende kapittelheren had echter voor acht honderd negen en vijftig gulden aan declaraties ingediend. Hij was dan ook duidelijk ontevreden met dit schamele bedrag. Of zijn declaratiegedrag terecht was, is niet meer na te gaan. In september 1775 werden het kapittel van Sint Servaes geconfronteerd met de dagelijkse realiteit van de Landen van Overmaas. De eerwaaarde heren hadden vernomen dat een beruchte bende van nachtdieven en rovers in hun eigen gebied was waargenomen. Ze waren van mening dat alles in het werk moest worden gesteld om “de menschelijcke sociëteit van dit slangezaad te wrijweren en te beveiligen”. Het “cadaver” van Willem Huijnen werd na de volstrekking van de straf met ijzeren kettingen aan de galg vastgeklonken. Zo kon iedereen dag in dag uit zien welk een slecht mens hij was geweest en wat er zou gebeuren met personen die in zijn voetsporen wilden treden!

Jo Vromen

Met dank aan het boek “Berg en Terblijt, Van twee heerlijkheden naar een gemeente” uit 1981.

Borgharen in 1632

beleg 1632 met schipbrug bij borgharen links boven

Deze kaart geeft de situatie weer, zoals die zich voordeed tijdens het beleg van Maastricht in het jaar 1632 door stadhouder Frederik-Hendrik. Uiterst links boven, zien we de schipbrug over de Maas bij Borgharen, waarachter rechts daarvan het kasteel van Borgharen te zien is. Zoals we zien lag het kasteel binnen te verdedigingswerken die zich in de wijde omtrek uitstrekten.

Gereformeerde schoolmeester uit Voerendaal wordt door Joodse rovers belaagd

Gerrit van Braampt was naast schoolmeester ook voorlezer in de protestantse kerk te Voerendaal. De kerk in Voerendaal behoorde bestuurlijk tot de Gereformeerde gemeente van Heerlen. Gerrit kreeg voor zijn diensten bij  begrafenissen en dergelijke geld van de kerkelijke overheid. Uit de kerkelijke rekeningen blijkt dat het standaard tarief daarvoor klaarblijkelijk vijf gulden was. Het luiden van de klokken behoorde ook tot zijn verplichte bezigheden. Hij kreeg ook daar een kleine vergoeding voor, meestal waren dat een of twee schellingen. Als rijke burgerlijke families of adellijke geslachten er prijs op stelden dat de klokken een aantal dagen lang op een bepaalde tijd voor een familielid moesten luiden, kreeg de meester  daarvoor in natura betaald. In de praktijk ontving hij voor elke dag waarop  hij de klokken moest luiden een zak rogge. Hij moest de rogge dan delen met een paar andere dorpelingen omdat er in zulke gevallen meerdere personen ingezet werden. Het is niet meer na te gaan op welke datum van Braampt schoolmeester en voorlezer is geworden. Uit de parochiearchieven weten we wel dat zijn dochter in juli 1690 te Voerendaal trouwde met een zekere Degenhart Deiter uit Mühlheim aan de Rijn. Uit deze informatie, een ander iemand vervulde op dat tijdstip de taak van voorlezer, kunnen we wel afleiden dat Gerrit toen nog geen ambt bekleedde in het dorp. We lezen in de acta dat hij in het jaar 1700 diaken werd, en in later jaren nog een paar keer als ouderling fungeerde Hij legde zijn functies, dus ook het beroep van meester dat hij op enig tussen liggend tijdstip had gekregen, overigens neer in het jaar 1720.

Gerrit kreeg in de persoon van Balthasar Emonds een weinig stabiel opvolger die snel met een aantal  mensen ernstige meningsverschillen kreeg. Hij raakte zelfs in een serieus conflict met zijn  lokale classis. Hij was in 1721 nauwelijks in functie of de hel brak los . Emonds keerde zich vooral tegen de persoon van kerkenraadslid Isaac Willem Hoffman. Hoffman had geen al te beste reputatie! Hij was een aantal jaren eerder vanwege een conflict met het Akense stadsbestuur zelfs voor een aantal jaren deze stad uitgejaagd. De kerkenraad nam het Emonds zeer kwalijk dat hij zich op ongehoorde wijze tegen dit instituut afzette. Men verweet hem dat hij zijn ambt als schoolmeester onvoldoende vervulde. Hij was inderdaad vaak afwezig en liep al dronkemanspraat uitslaande door de stad Heerlen. De raad vond het ook niet kunnen dat hij lasterpraatjes rondstrooide over kerkenraadslid Hoffman. Emonds was een boef vergeleken met de brave van Braampt. Toch zou van Braampt nog heel wat ellende tegen komen in zijn leven. Gerrit en zijn vrouw en dochter werden einde maart 1721 slachtoffer van een gewelddadige overval. Het gezin werd zeer zwaar mishandeld door de overvallers. Gerrit werd zo erg toegetakeld dat hij korte tijd later aan zijn verwondingen stierf. De overvallers hadden vrijwel alles wat het gezin bezat meegenomen. Het zou een hele tijd duren voordat men de daders te pakken kreeg.

Pas twee jaar later, in april 1723, slaagde justitie er in om een aantal van deze misdadigers op te pakken. Dat gebeurde in het verre Den Haag waar ze op dat ogenblik gevangen zaten in de “Voorpoorte”. Vele in die tijd bij overvallen betrokken personen sloegen op na hun daad op de vlucht, omdat ze zich in veraf gelegen oorden veilig waanden. Nadat ze  in eerste instantie voor de rechter in Den Haag werden gebracht, kwamen de van de overval verdachte het personen voor de Brabantse rechtbank. Het ging hierbij om de jood Pasman Hirts en de jodin Helena Maus. Ze werden al een dag later opgehangen en veroordeeld tot het betalen van alle gerechtskosten. Hun vonnis werd voor iedereen duidelijk leesbaar aan muren van de kerk in Voerendaal opgehangen. Er was echter nog een derde persoon bij deze verval aanwezig geweest. Dat was de jodin Hester Andriesse die uiteindelijk een mildere straf zou krijgen omdat ze alleen van heling verdacht werd. Toch was haar straf ook immens zwaar! De rechtbank veroordeelde de vrouw tot geseling met de strop om de hals (let op volgende keer…), brandmerking en 33 jaar tuchthuis met dwangarbeid.  Een dergelijke straf overleefde in die tijd  niemand. Als ze haar opsluiting al zou overleven, wachtte haar een eeuwige verbanning uit Brabant. Haar hele bezit werd overigens verbeurd verklaard.

In het begin van de 18e eeuw, maar ook op het einde van deze eeuw, zien we een toename van criminaliteit waar Joden bij betrokken zijn. Joden zaten al eeuwenlang in het verdomhoekje, deels door het bijgeloof van andere groepen, en deels door de verkettering door Luther, die joden en christenen van woeker beschuldigde. Geldhandel was echter een van de weinige zaken waar ze zich mee bezig mochten houden omdat het hun niet toegestaan was om lid te worden van een gilde. Voor de roversbenden gold overigens ook dat ze deels voortkwamen uit sociale nood. De veelal uit de Oekraïne en Polen verdreven Joden waren bijna allen behoeftig. Het was overigens niet vreemd dat de eigen bevolking die meestal zelf zeer arm waren,  vreemd tegen de nieuwkomers aankeek. Er kwam ook kritiek uit eigen Joodse hoek. Zo richtte de Joodse kerkenraad van Kampen zich in de 18e eeuw tot hun overheid om geen andere dan in Holland geboren Joden tot de handel meer toe te laten. Zij vreesden dat er anders voor hun geen toekomst meer zou zijn.

Jo Vromen