“Bokkenrijder” Leonard Eijssen deel drie

De uitgaven van de schout van Gulpen n.a.v de vervolging van Laheij, Vreuls en Eijssen.

In het uitgavenregister van mei tot december 1776 komen we de kosten tegen die gemaakt zijn voor de hierboven vermelde mannen. Zo moesten de landsdokter en de chirurgijn niet alleen betaald worden voor hun vervoer en hun bezigheden, maar diende ook hun vertier bekostigd te worden. Op vier september werd er een bedrag geboekt van acht gulden voor eten en drinken van de scherprechter en zijn knecht. Omdat Vreuls in Valkenburg gevangen zat, moest de schout zich daar naartoe begeven om te overleggen met advocaat Limpens over de te volgen lijn ten aanzien van de verhoren. Dat kostte ook wat, zeker als er nog een paard gehuurd moest worden, en de innerlijke mens versterkt moest worden. Vreuls moet op een gegeven moment onraad hebben geroken en er vandoor gegaan zijn. Volgens het gerecht was hij “eenigen tijd fugitieff en was er vernomen dat hij sig van tijd tot tijd s’nagts ten sijnen woonhuysen ophield”. Dat was voor de rechtbank aanleiding om een paar speurders , “vertroude personen”, in dienst te nemen die tegen betaling van ieder een halve kroon het vuile werk voor het gerecht wilden opknappen. Als Vreuls bij zijn huis zou opduiken, moesten ze direct het gerecht waarschuwen. Wellicht waren ze ook nog geautoriseerd om hem aan te houden.

Vreuls loopt in de val

De twee personen deden hun uiterste best om Vreuls op te sporen. Op 18 september om half twaalf in de avond hadden beide detectives succes. Vreuls werd door beide personen aangehouden, om vervolgens naar de wacht gebracht te worden. Hij werd opgesloten in de woning van een zekere Sr.Tonis en daar bewaakt door enige manschappen. Ook dat moest betaald worden. In de rekeningen zien we daarvoor een bedrag van vier gulden en zes stuivers terug. Het was niet zo eenvoudig om Vreuls naar de gevangenis van Valkenburg te brengen. Daarvoor moest twee keer toestemming gevraagd worden aan de bestuurders van Wilree, Strucht en Aldenvalkenborg over wiens grondgebied het vervoer plaats zou hebben. Paardenhuur en kosten voor de chirurgijn en de scherprechter keerden voortdurend terug, waaruit op te maken valt dat de gedetineerden stevig werden aangepakt om het zacht uit te drukken. Eijssen werd op zes november te Margraten opgehangen. Zijn vrouw zou hem veertig jaar overleven en in 1827 op 87-jarige leeftijd overlijden te Margraten. Op de in dit artikel vermelde personen van Vreuls, Laheij en Overkooren kom ik in andere verhalen nog terug.

Wordt vervolgd

Advertenties

Kroniek van Maastricht, veel ellende en de inwoners van Hoei plunderen het dorp St.Pieter

Jan V van Arckel, die in 1464 op de bisschopsstoel van Luik gepiloteerd was door zijn adellijke vrienden en families, was ook niet populair bij het Luikse volk. Waarom zou hij dat ook zijn? Hij die stinkend rijk was, had niets op met het gewone volk. De half geestelijke, half wereldlijke leider, dus niets van beiden, had enkel oog voor zijn eigen machtsspelletjes. Het volk van Luik sloeg aan het muiten en klaagde hem aan voor de Hoge Rechtbank. Het hielp niet veel, want de lafaard vluchtte naar Maastricht, waar hij in zekere zin de baas was over de helft van de stad.Ondertussen had het dorp St.Pieter, waar slechts een handvol huizen stonden te maken met agressieve vechtersbazen uit Hoei. Zij plunderden het dorp en brandden het tot de laatste steen af. De Luikse ruzie werd op 13 juni 1376 te Caestert beslecht. De uitkomst was dat de bisschop en de hoge geestelijkheid niet meer voor de Hoge Rechtbank gedaagd konden worden. Wilt u nog parallelen met het heden?

In 1379 konden we de eerste tekenen van ” democratie” in Maastricht bespeuren. Vanaf dat jaar zouden de burgemeesters van Luikse en Brabantse kant door de ingezetenen van deze beide nationaliteiten gekozen worden. Aan elke zijde kwamen een burgemeester en vier raadsleden te staan. In 1382 werd de stad getrakteerd op een sterke aardbeving, waarna ook nog de pest uitbrak ten gevolge van de slechte hygiënische omstandigheden. Duizenden inwoners zouden het slachtoffer worden. Drie jaar later was het in de zomer maanden aan een stuk droog, het regende niet, het koren verbrandde op het veld, en er was te weinig voedsel. In dat zelfde jaar rammelde de aarde weer, waardoor huizen en kerktorens instortten. In 1393 was de Maas zo hoog als nooit tevoren, en in juni van dat jaar viel de toren van de St.Jan door de stormwind naar beneden. Drie jaar later verdronken vele Maastrichtenaren door het hoge Maaswater. In 1399 viel er zoveel sneeuw dat de daken van huizen en schuren instortten, waarna de daarop volgende dooi de mensen uit Maastricht naar hun zolders joeg.

Een bijzonder spektakel kon men te Maastricht in 1399 waarnemen. Er waren z.g. flagellateurs de stad binnengedrongen die een bijzondere hobby hadden. Zoals nu mensen zich verminken met tattoos en oud ijzer, geselden deze personen zich en plein public. Deze sekte was in 1260 in het Franse Perouse ontstaan, en beweerde dat geseling heilzaam was voor de vergeving van de begane zonden. Ja, zelfs beter dan de biecht en het martelaarschap. Ook wilden ze dat het doopsel met water vervangen zou worden door een doopsel met bloed, zonder welk niemand zalig kon worden. De mafketels stierven langzaam uit, maar zouden op andere plekken in de wereld wortel schieten, zoals het geloof voor allerlei verschrikkingen verantwoordelijk was en is. Ook in 1401 kreeg Maastricht te maken met de pest, en vijf jaar later grepen “die van Hoei, Hasselt, Tongeren en die van Luik”, zoals er te lezen viel, weer terug naar hun favoriete bezigheid, het belegeren van Maastricht. Dat deden ze omdat ze tegen de bisschop van Luik waren, die Maastricht voor de helft in zijn binnenzak had.

Ze moesten echter in januari hun beleg opgeven vanwege de felle koude. Snelle denkers uit het Maastrichtse bestuur besloten een jaar later dat men het dorp St.Pieter maar beter in brand kon steken als de Luikenaren weer zouden opduiken. Een “lumineus” idee, men had dan een beter uitzicht. In 1408 hadden de Maastrichtenaren genoeg van het gepeupel uit het Luikse land. Ze trokken met een strafexpeditie naar het naburige Wonck, vermoordden en verbrandden daar mannen, vrouwen en kinderen, en trokken verder naar de dorpen Meslin, Nivell, Nederem en Tongeren waar hetzelfde gebeurde. De bisschop van Luik liet dit niet over zijn kant gaan, en belegerde vervolgens Maastricht opnieuw. Hij moest het beleg al snel opgeven omdat er te weinig mondvoorraad was voor zijn ongeregeld zootje dat legertje genoemd wilde worden. In mei 1409 volgde een volgende belegering door volk uit Luik, Hoei en Dinant. Nu met een nieuwe tactiek. Een aantal van hun verborg zich langs de wegen om reizenden te beroven en ervoor te zorgen dat niemand de stad Maastricht kon bereiken.Een uitval in november van de Maastrichtenaren zorgde voor heel wat ellende. Ze vermoordden iedereen die ze te pakken konden krijgen, en roofden er op los. De vijand werd zo gedwongen om de omgeving van Maastricht te verlaten. De pisnijdige Luikse bisschop liet voor straf alle vaandels van zijn troepen op de markt van Luik in de fik steken, omdat zijn mannen zich zo kwalijk van hun taak hadden gekweten. In 1410 zorgde een veldmuizenplaag ervoor dat alle vruchten op het land vernietigd werden. Zo kon hij wel weer.

Wordt vervolgd door nog meer zwaar proza. Dit is een extra waarschuwing voor de gevoeligen onder ons.

Sint Pieter getekend in 1669

De belegering van Stockhem in het jaar 1702

De perikelen rondom de Spaanse troonopvolging zorgden begrijpelijkerwijze ook voor veel onrust en ellende in Limburg.De Fransen en de Spanjaarden hadden hier immers beiden belangen.Toen in maart 1702 deze strijd tussen enerzijds Frankrijk en Spanje en anderzijds Engeland, Holland en Pruisen een feit werd, lag het Franse garnizoen in de stad Stokkem en op het plaatselijke kasteel. De Fransen die Gelderland al hadden moeten opgeven en ook in het Land van Luik problemen hadden om zich te handhaven, de landstreek waarvan Stokkem onderdeel was, kregen te maken met de graaf van Hessen die met zijn troepen voor Stokkem opdook. Hij stuurde een tamboer naar de stadspoort om de sleutels van de stad op te eisen. De gouverneur van Stokkem vroeg een uur bedenktijd, waarna hij de sleutels aan de burgemeesters van de stad overhandigde en de Fransen opdracht gaf om zich terug te trekken op het kasteel.

De burgemeesters trokken de graaf van Hessen tegemoet en overhandigden hem tussen twee en vier uur in de namiddag de sleutels van de stadspoorten. De Hessen begonnen onmiddellijk met voorbereidingen om het kasteel te beschieten en stelden geschut op de Varkensmarkt gelegen bij de kerk van het plaatselijke klooster. De broeders moesten een aantal officieren toegang tot hun klooster verschaffen, waarna deze keken of er b.v. vanuit hun binnenplaats op het kasteel geschoten kon worden. Ze klommen ook in de toren van de kloosterkerk om zo een beter overzicht te verkrijgen van het schootsveld. Dit alles gebeurde volgens een plaatselijke minderbroeder met de naam Wilhardus Frederickx met beleefdheid, zonder geweld of onfatsoenlijkheid. Er kwamen natuurlijk heel wat gevaren bij kijken als de Hessen het klooster als aanvalsplek zouden gebruiken. Na tussenkomst van een luitenant-kapitein uit het regiment van generaal Dopff en de interventie van biechtvader Petrus Schott zagen de officieren van hun plan af om vanuit het klooster de aanval te openen.

Ze gingen weg om andere plekken buiten het klooster en de stad te gaan bekijken die nuttig zouden zijn om de Fransen aan te vallen. Die nacht nog werden de kanonnen opgesteld in een weide buiten de stad achter de hof van het klooster en op twee september werd het kasteel geheel in brand geschoten. Het klooster had “Godt Loff”daarbij geen enkele schade geleden. Pater Wilhardus overleed op 31 december 1717 in het klooster van Mechelen.

Kopergravure naar een tekening van Remacle Leloup. Gezicht op Stokkem aan de Maas vanaf het kasteel. Te zien zijn het klooster de kerk stadsmuur, de tuinen, de geordende bebouwing en het ommeland.

Belegering kasteel Stokkem in 1702 zo wordt er gesuggereerd in de bij deze kaart horende verklaring. Ik twijfel echter, linksboven wordt een jaartal 1707 vermeld.

Huis de Donk te Sevenum door Jan de Beyer

JandeBeijer-TerDonk-1738 sevenum

Jan de Beyer, de 18e eeuwse “fotograaf” die talloze kastelen etc. voor het nageslacht vereeuwigde, dook in 1738 ook in het Noord-Limburgse gebied op waar hij ten noordwesten van het dorp Swolgen “’t Riddermatig Huijs ter Donk “op de plaat vastlegde”. Het woord “Donk”, geeft aan dat er sprake was van een hoogte gelegen in laag gebied.In het geval van Ter Donk of de Donk was dit een beekdal.

Niet bekend is wanneer dit huis of deze hof voor het eerst genoemd werd. Wel is bekend dat het huis op het laatst van de 16e eeuw in handen was van de familie Von Haften, die dit bezit continueerde gedurende de eerste helft van de 17e eeuw. In het jaar 1662 zie we dat de landscholtis van Kessel, Andries Schenck van Nydeggen die gehuwd was met Elisabeth Romer een dochter uit een vermogende Venlose familie, het goed in bezit had.Ze kregen twee zonen die de Donck zouden erven en al snel overgingen tot verpachting van dit goed.

Over het riddermatige huis de Donck is vrijwel niets bekend. Als we goed kijken zien we in het midden de pachtboerderij die later versterkt door hoektorens het geheel een riddermatig aanzien moet hebben gegeven. Waarschijnlijk was Isabella Anna Maria van Dorth van Varick , sinds 1725 eigenares, nog steeds als zodanig aanwezig toen Jan haar plekje met een bezoek vereerde. Wat ook opvalt is de “karre” die bespannen met een paard getuigde van aanzien en van een mobiliteit die andere minder bedeelde aardbewoners nog lang moesten ontberen. Geen reden tot klagen overigens, het was een milieuvriendelijk vervoermiddel. Alleen hele erge zuurpruimen zouden er aanstoot aan kunnen nemen!

Met dank aan het boek Kastelen in Limburg van Wim Hupperetz e.a. uit 2005.

“Bokkenrijder” Leonard Eijssen deel twee, de confrontatie tussen Leonard Eijssen en Caspar van Mechelen

Verhoor te Amstenrade

De in Valkenburg gevangen zittende Eijssen werd naar kasteel Amstenraede gebracht om daar geconfronteerd te worden met een gedetineerde ter plekke, een zekere Caspar van Mechelen. Dat gebeurde op 26 augustus 1776. Dit kasteel was op dat ogenblik in handen van de prinsen de Ligne. De honneurs ter plekke werden echter waargenomen door drossaard Reinier Corten van Amstenraede en Geleen die er als rentmeester functioneerde. In 1779 werd het door de Lignes verkocht aan de Luikse bankier Nicolaas Willems. Deze “ontmoeting” werd voorgezeten door schout en officier van justitie mr. L.W.Vandenheuvel van de heerlijkheid Margraten. Zoals gebruikelijk bij dit soort gelegenheden waarmee men overigens om elf uur in de ochtend startte, werden beide gedetineerden aangespoord om niets anders dan de waarheid te vertellen. Van Mechelen mocht als eerste van wal steken, en vertelde de ander zeer goed te kennen als Leen, en wel vanwege het feit dat hij hem vaker gezien had bij een zekere Mertens waar Leen wel eens werkte. Eijssen ontkende de ander te kennen,en beide mannen verklaarden eveneens dat ze nooit vijandschap met elkaar gehad hadden. Daarna biechtte Caspar nog eens op dat hij daadwerkelijk bij de bende nachtdieven behoorde, en dat hij de tegenover hem staande persoon bij een diefstal heeft zien “ assisteeren”. Natuurlijk dementeerde Leen deze uitspraak.

Van Mechelen “persisteerde” echter bij zijn eerdere uitspraken dat Eijssen medeplichtig was geweest aan een diefstal en zei “daer op leeven ende sterven te willen en voor Godts rechterstoel te verscheijnen”. Verder verklaarde hij dat Leen verschillende keren bij hem thuis gegeten en gedronken zou hebben zonder daarvoor betaald te hebben. Was dat een nieuwe beschuldiging? Natuurlijk ontkende Leen elke vorm van medeplichtigheid aan diefstallen. Wel zei hij wel eens bij Mertens in Margraten gewerkt te hebben. Dat was ook de plek waar hij de twee dochters van van Mechelen had leren kennen, Anna Catharina en Ida. Beide meisjes woonden in bij Meertens, en zij waren er aanleiding van geweest dat hij wel eens bij van Mechelen thuis was opgedoken en “hem doens gesien te hebben”. Deze uitspraak verhoudt zich niet goed tot de eerdere verklaring dat hij de vader van de meisjes niet kende. De tegenover elkaar stelling was om kwart voor een afgelopen, waarna beide mannen verklaarden te willen blijven bij wat ze eerder gezegd hadden. Leen tekende met een kruisje en Caspar deed dat met zijn volledige naam. Drie dagen later op 29 augustus, stelde de rechtbank te Gulpen een aantal vragen op voor een confrontatie tussen Eijssen en een zekere Nicolaas Laheij, waaruit bleek dat Leen deze laatste beschuldigd had van inbraken en andere euveldaden.

Confrontatie met Vreuls

Een aantal weken later, op 21 september 1776, werd Leen bij een confrontatie tegenover Ambrosius Vreuls geplaatst. Bij aanvang verklaarde Leen dat hij Vreuls kende en dat hij “differente reijse ten zijnen ( bij hem thuis) den brandenwijn met hem gedronken heeft”. Meerdere keren dus hadden ze van het lekkere vocht genoten. Ook verklaarde hij dat toen hij een jaar daarvoor aan het werk was bij kasteel Neubourg te Gulpen,daar plotseling Vreuls met zijn broer was gepasseerd. Ambrosius zou bij die gelegenheid aan zijn broer gevraagd hebben of hij Leen kende. Deze had daarop geantwoord dat hij niet wist wie Leen was. Ambrosius had toen gezegd, “Kende gij hem niet, het is Leen die op Reijnersbek over ontrend 20 Jaaren gewoond heefd, Zeedert welken tijdt hijseijde hem gekend te hebben”.Vreuls ontkende echter, en zei dat hij Leen pas vier jaar kende en dat hij nooit samen met hem brandewijn genuttigd had. Daarna antwoordde Vreuls dat hij Leen nooit gekend had en dat hij daardoor nooit enige vijandschap met hem gehad kunnen hebben. Al bij al een niet geheel consistent antwoord. Leen die bij eerdere verhoren bezweken moet zijn voor de tortuur, verklaarde nu wel lid te zijn van de bende nachtdieven. Vreuls van zijn kant wilde daar niets van weten. Leen zei echter dat Vreuls bij door de bende gepleegde diefstallen aanwezig was geweest, iets was deze laatste natuurlijk vehement ontkende.

Het werd nog behoorlijk intiem toen Eijssen op het einde van de ondervraging verklaarde dat hij een tijdje geleden de echtgenote van Vreuls was tegen gekomen en wel vlak bij kasteel Neubourg. De vrouw zou toen vanuit Maastricht op weg naar huis zijn geweest, en had bij hem haar hart uitgestort. “Wat ben ik ongluckig mijn lief Lentje dan ik ben alleen. Mijnen man heefd mij verlaeten, en heb hem in 20 Daegen niet gesien, waar dien ondeugniet loopt weed ik niet”, zou ze hem hebben toegevoegd! Was het waar, of had hij het verzonnen, om Vreuls in een ongunstig daglicht te stellen? We komen er nog op terug bij Vreuls zelf.

Wordt vervolgd door deel drie

neubourg Ph_van_Gulpen,_Kasteel_Neubourg

Kasteel Neubourg door Ph.van Gulpen.

Sint Antoniuskapel op Slavante bij Maastricht

Slavante1kapel

SlavanteStAntoniuskapel05Oud kaepl

Deze ansichtkaart van De Kapel op den St.Pietersberg was een uitgave van Schaefers Kunst Chromo te Amsterdam.

Godfried van Bocholtz gaf als landscommandeur van Alden Biesen opdracht deze kapel in 1681 te bouwen ter nagedachtenis van het overlijden van de toen pas zeven jaar oude Isabella Godefrida van Hoensbroeck. De naam Slavante zelf komt van de Franciscaner broeders van de Observanten die in 1489 op verzoek van de Luikse Prins-bisschop Jan van Horne een klooster hebben gebouwd in een verlaten mergelgroeve.