Fort St.Pieter zoals het gezien wordt aan het eind van de 18e eeuw

Een boze bisschop

Zoals de schrijver Bachiene noteert, ligt de St.Pietersberg een vierde uur zuidwaarts van de stad. Vanaf die plek kan men de hele stad overzien. Onder het krijgsvolk werd wel gezegd dat de berg de hele stad “commandeert”!  Het was niet alleen een mooie plek maar ook eentje vanwaar vijandig soldaten in tijden van belegering grote schade aan diezelfde stad konden toebrengen. De Maastrichtse  overheid besloot daarom om in het jaar 1701 op de uiterste hoek van de berg een “schans” aan te leggen, in de volksmond het fort genoemd. Deze stap viel niet bij iedereen in goede aarde. Feit was dat de berg in zijn geheel op Luikse bodem lag, vandaar dat de Luikse prins-bisschop Joseph-Klemens uit het Huis van Beieren met dit Maastrichtse initiatief weinig op had, om het zachtjes uit te drukken. Hij was ronduit boos en gaf zijn vertegenwoordiger in Den Haag opdracht hier  met klem tegen  te protesteren. De Staten reageerden vrij nuchter, en stelden dat al hetgeen onder het geschut van de stad lag, min of meer tot de stad zelf gerekend kon worden. Maastricht mocht van de Staatse overheid dus alles in het werk stellen om de veiligheid van de stad te garanderen, hetgeen inhield dat ze ondanks de tegenwerpingen van de man uit Luik met de bouw mochten doorgaan.

Er speelde nog een andere zaak. Toen men met de bouw begonnen was,  was de Spaanse Successie oorlog al aan de gang, een conflict waarin de bisschop volgens de Hollanders te zeer tegen de Fransen aanschurkte. Pas in 1717, vier jaar na afloop van deze oorlog, zouden de bisschop en de Staten tot een vergelijk komen, hetgeen inhield dat het fort mocht blijven. Het fort is eigenlijk niet meer dan een groot bastion of bolwerk. Onder de walgang van het fort bevindt zich een gemetselde “gallerie” die onder de hele versterking doorloopt en uitgerust is met schietgaten ( zie foto) voor kanon en geweer. Het voornaamste doel was natuurlijk de bescherming van de stad, maar vanaf het fort kon men ook het tussen deze versterking en de stad liggende terrein bestrijken voor het geval vandaar uit een vijandelijke aanval zou worden gedaan.

Fort_Sint_Pieter_1904

Een diepe put

Aan de buitenkant van het fort treft men een zeer diepe put aan die van een stenen afdekking voorzien is om hem tegen bommen te beschermen. De put is aangelegd om de soldaten van het fort van water te voorzien. Daarnaast is er nog een andere put met het zelfde doel binnen de muren van het fort aangelegd. De bezetting van het fort heeft de mogelijkheid om langs trappen af te dalen naar de grotten ( holen) in de berg, vanwaar men desnoods in geval van terugtrekking zich via gangen naar de stad kan begeven. Eens lag er tussen de stad en de berg een grote vlakte die in geval van gevaar door het sluiten van de sluizen van de Jeker onder water gezet kon worden. De stad heeft daar in 1764 veranderingen in aan gebracht en het gebied verdeeld in drie kommen die door dijken van elkaar gescheiden worden. Deze kommen dienen nu vaker als exercitieplek voor het krijgsvolk, aldus de schrijver Bachiene! De daarbij uitgegraven grond werd gebruikt om een nieuwe beschermingslinie aan te leggen van de rivier de Jeker tot aan de Maas.  Bij de overheid lag volgens Bachiene rond deze tijd (1778) een ontwerp klaar om op “den Dousen-Berg” een soortgelijk fort te bouwen als op de St.Pietersberg, aangezien men de ervaring had dat vijandig volk vanaf deze hoogte de stad eveneens geweldig kon “benadelen”!

Bron: W.A.Bachiene 1778

 

Geschiedenis van Meerssen, door Frank Hovens

bowk meerssrn

De gemeente Meerssen laat weten dat de afronding van dit lang verwachte monumentale en unieke rijk geïllustreerde boekwerk van ca. 500 pagina’s in zicht is en dat de presentatie ervan zal plaats hebben op 18 november 2017 in het Bestuurscentrum/Erfgoedhuis te Meerssen (details later).

Dit boek verslaat de eeuwenlange geschiedenis van Meerssen van pre-historie naar Romeinen, Karel de Grote, Franse Tijd en verder. Het werk is onmisbaar voor iedereen die belangstelling heeft voor zowel de regionale historie als voor de lokale Meerssense geschiedenis.

Kent u nog mensen die geïnteresseerd zijn in het boek of bent u op zoek naar een origineel cadeau voor de feestdagen?
Intekenen kan door een mail met naam- en adresgegevens te sturen naar
info@meerssen.nl (naamsvermelding in het boek is helaas niet meer mogelijk).

 Jo Vromen

Amby

Kroniek van Maastricht 1710

Aangezien de Spaanse successieoorlog nog steeds aan de gang was, kreeg een militair gezien belangrijke stad als Maastricht daar voortdurend mee te maken. Militaire opperbevelhebbers en adellijk figuren die ertoe deden, waren er kind aan huis. Gewone dingen gebeurden echter ook nog. Zo ging op 27 maart 1710 het zich buiten de Bospoort bevindende hooimagazijn in de fik. Het kon echter deels gered worden door aldus de kroniekschrijver, “de goed orde”. Soldaten uit de Palts, Hessen en Pruisen die allen tot het geallieerde kamp behoorden waren kind aan huis in Maastricht, en gebruikten de stad als doorgangshuis.

Op de een of andere wijze had de overheid ontdekt wie er betrokken was geweest bij het in brand steken van het eerder vermelde hooimagazijn. Het bleek te gaan om een ruiter uit het regiment van Saksen Heilbourg. De op 14 juni 1710 gevangen genomen man moest het ergste vrezen. Eerst werd zijn rechterhand afgekapt, het werktuig waarmee hij de daad had begaan, en daarna stonden radbraken en verbranding op het strafmenu van de overheid. Het gebeurde regelmatig dat er grote kudden schapen buiten de stadspoorten graasden, die voor wol, melk en vlees zorgden t.b.v van de stadsbewoners. Dat was ook het geval op 5 juli. Buiten de Wijckerpoort liep een troep schapen rustig te grazen, toen ze belaagd werden door een bende Franse soldaten. Deze namen wel 70 exemplaren van deze edele diersoort mee voor eigen gebruik

Het stadsbestuur kwam onmiddellijk in actie en zond een sterk commando achter de partizanen aan. De mannen werden bij het dorp Voeren, op 2 en een half uur afstand van de stad, achterhaald. Tien Fransen lieten bij de daarop volgende gevechten het leven en het commando slaagde er nog in om tien andere rovers als gevangenen mee terug te nemen naar de stad. Het hele heuvelland werd geteisterd door Franse marodeurs, want op een november slaagden boze boeren uit Vaals er in om 13 Franse gauwdieven in de kraag te vatten en over te leveren aan de Maastrichtenaren. Bij deze mannen bevonden zich twee kerels die uit het stadsregiment van Jacob naar de Fransen overgelopen waren.

Op 3 december hield men een dankdag in de stad, omdat steeds meer Franse troepen bleken te capituleren. Dat danken ging gepaard met de nodige herrie van de kanonnen. Midden december kwam de nieuwe stadscommandant generaal Vilates aan, die de in september overleden generaal-luitenant  van Zouteland zou opvolgen.

Bron: Maasgouw nr.57, jan.1880

Graaf Johan Walraad van Welderen, een Gelders edelman wordt baas over Staats-Limburg in 1775

In voor de hoogste functie

Als landvoogd functioneerde de graaf als de hoogste gezagsdrager in dit deel van het Limburgse land dat toen Staats-Valkenburg werd genoemd. Hij kreeg deze functie op het hoogtepunt van de afschuwelijke repressie en vervolging die voornamelijk door gereformeerde bestuurders in een grotendeels katholieke regio uitgevoerd werd. Denk nu niet dat deze adellijke heer in zijn gebied kwam wonen. Hij liet het dagelijkse bedrijf mooi over aan een luitenant-voogd die hij hiervoor had ingehuurd. Deze man woonde overigens in Maastricht, en was lang niet altijd bij de criminele verhoren aanwezig. Dit werd overigens in een resolutie van de Staten-Generaal van de Landen van Overmaas d.d. 28 april 1777 verplicht gesteld. De waarnemend voogd moest aanwezig zijn “om na behooren agt te geven dat darinne het recht der hoge overigheid werde bewaard, en de goede ordre en alle omsigtigheid werde geobserveerd sonder dat hij Luit.Drossard sig daarvan sal mogen onttrekken, of zulks overlaten aan den advocaat of procureur”.

Op pijnlijke wijze werd in dezelfde resolutie overigens een einde gemaakt aan een van de vele voordeeltjes die gezagsdragers op kosten van de overheid konden genieten. “Dat Haar Hoog Mogendheden  hem Luitenant-Drossard verders gelasten sorge te dragen dat in het vervolg bij het executeeren van crimineele vonnissen geen maaltijden voor hem officier  en gerechten mitsgrs. andere persoonen ten koste van den lande van Overmaaze of der geëxecuteerden werden aangerecht en dat in het generaal alle noodeloze kosten” voorkomen moesten worden. Dat moet voor lange tenen gezorgd hebben. In het midden van het jaar 1775 had stadhouder Willem V een gesprek met graaf van Welderen over de toestanden in het Land van Valkenburg. De graaf informeerde Willem daar uitvoerig over en erkende dat vele z.g. bendeleden misleid waren en uit dronkenschap of onwetend aan overvallen hadden deelgenomen. Het was volgens hem pijnlijk dat zoveel mensen terechtgesteld waren en dat de tortuur veelal een beslissende factor was geweest bij deze hardvochtige vonnissen. Daar bleef het bij voor de graaf.

Te veel om handen

Hij mengde zich niet actief in het vervolgingsbeleid van zijn plaatsvervanger. Hij had het daar gewoon te druk voor. Stadhouder Willem V adviseerde naar aanleiding van dit gesprek zijn verantwoordelijke functionarissen in Limburg om met minder hardheid op te treden tegen de vervolgden. Er is zeer weinig te vinden omtrent van Welderens verdere rol in deze onverkwikkelijke periode uit de Staatse geschiedenis. Wel benoemde hij zoals we al zagen, een telg uit een Maastrichtse familie van hervormde notarissen tot waarnemer over het gebied. Dat was luitenant-voogd Brüll, die overigens in 1775 vervangen werd door de gereformeerde rechtskundige Pélerin. Ook Brüll was vrijwel onzichtbaar in de uitoefening van zijn functie. Met misdaadbestrijding had hij helemaal niets. Er kwam felle kritiek op zijn handelen, en wel van de advocaat-fiscaal die er fijntjes op wees dat Brüll zelfs niet eens in zijn rechtsgebied woonde!  Een jaar later werd Brüll vervangen.

Een begrijpender iemand

Pélerin zou uiteindelijk wel gaan optreden in deze droeve saga betreffende de vervolging van vele onschuldig veroordeelde Limburgers. Vanaf het eerste begin pleitte hij al voor een andere en zachtere toepassing van de vervolging. In december 1776 berichtte hij zijn hoogste baas dat er al een hele tijd geen veroordeelden meer opgehangen waren in het Valkenburgse land. Op 5 mei 1777 laat hij in een ambtelijk schrijven aan zijn meerderen in Den Haag weten dat de bende weliswaar veel rumoer heeft veroorzaakt, maar minder kwaad was dan altijd voorgesteld werd, “ cést une bande qui a fait beaucoup de bruit et peu de mal”!! Dat was tenminste een begrijpender toontje voor een door en door verarmde burgerbevolking die niet wist of ze in de avonduren nog wat te eten hadden, terwijl hun bazen hun kastelen dure feesten en partijen gaven.

Naar zijn overtuiging was het merendeel der aangeklaagden niet schuldig aan de vele vergrijpen. Hij was zeer betrokken bij zijn baan en woonde in tegenstelling tot zijn voorgangers de zittingen van het bestuur altijd bij.  Johan van Welderen stamde overigens uit  een  Gelders adellijk geslacht. Zijn voorvaderen hadden allen reeds hoge posities gehad in het bestuur van Gelderland en in Den Haag. Op basis van deze stamboom kon hij eveneens een flitsende loopbaan opbouwen. Wie rijk was bleef meestal rijk, en wie uit een voornaam geslacht kwam en ook protestant was, kon rekenen op belangrijke posten. Net zoals nu leed de bestuurlijke top aan een zorgwekkende cumulatie van ambten en aan een gevaarlijk soort nepotisme dat tot bevoordeling van de eigen rangen leidde. Johan van Welderen bezocht de Limburgse streek waar hij de allerhoogste baas was vrijwel nooit. Zijn oudste broer Lamoraal (!) werd  door hem tot commandant van de stad Maastricht benoemd. Johan verhuisde zelfs naar Den Haag om daar als afgevaardigde de belangen van het gebied van Nijmegen waar te gaan nemen. Hij werd daarna ook nog Hollands ambassadeur te Londen. Hij trouwde trouwens met een Engelse dame, een zekere Anna Whittingham. In het jaar 1783 trachtte hij om opnieuw tot gezant in Lonen te worden benoemd, maar die poging strandde. Op het einde van zijn loopbaan sleepte hij de ereprijs in de wacht. Hij werd in 1806 landscommandeur van de Duitse orde van de balije Utrecht. Was hij alerter geweest en had hij zijn eigenbelang niet voorop gezet, dan waren vele mensen gered uit de klauwen van de hardvochtige Staatse overheid. Hij overleed op 15 juni 1807 in Londen op 82 jarige leeftijd.

**Uit de brieven die van Welderen aan de nieuwe landvoogd Pélerin doet toekomen blijkt hoe hij “van een afstand” over het z.g. bendewezen denkt:

d.d. 22 aug. 1775

“Je crois Monsieur, que les moyens que l’en pourrait mettre en oeuvre dès à présent seraient que M. le Drossard ne fit pas d’appréhension sans avoir préalablement obtenu de M.M. de Fauquemont un décret d’appréhension. Qu’un décret de torture ne soit accordé que sur des preuves les plus claires et qu’alors même en observe l’humanité, et que l’en n’en fasse pas une partie de plaisier, et que quand un criminel a supporté la torture, qu’on ne l’y applique pas de  reprise sans de nouveaux indices. J’ai trouvé tout le monde, surtout le prince d’Orange indigné de la barberie avec laquelle on procède contre ces malheureux.”

“Ik geloof Mijnheer, dat de maatregelen die men in werking zou kunnen stellen vanaf nu zouden zijn dat de Heer Drossard geen aanhouding verricht zonder vooraf van de Schepenen van Valkenburg een arrestatiebevel te hebben verkregen. Dat in een decreet tot tortuur slechts zal worden toegestemd op de meest duidelijke bewijzen en dat men zelfs dan de menselijkheid in acht zal houden, en dat men er geen vrolijk feestje van maakt, en dat wanneer een crimineel de tortuur heeft doorstaan, dat men niet tot een hervatting overgaat zonder nieuwe aanwijzingen. Ik heb gemerkt dat iedereen, vooral de Prins van Oranje, verontwaardigd is over de barbaarsheid waarmee men tegen deze ongelukkigen procedeert.

o-o-o-o-o-o-o


“Londres, le 7 Novembre 1775 … La première, qu’il me semble que l’on y exagère les crimes de ces gens. Quand j’ai été à Maestricht, tous les rapports qu’on m’a fait, comme vous savez, étoient qu’il n’y en avaient presque aucun crime commis sur le territoire de l’Etat, ni que les veuves et enfans fussent à charge aux habitants. …”

“Londen, 7 nov. 1775 … Ten eerste, dunkt me dat men de misdaden van die lieden overdrijft. Toen ik in Maastricht was, waren de verslagen die aan mij werden uitgebracht, zoals u weet, dat er bijna geen misdrijf bedreven was op het Staats gebied, evenmin dat de weduwen en wezen ten laste van de inwoners zouden komen. …”  

balije utrcht duitsche_huis_cover_home

De Balije te Utrecht waar Johan landscommandeur werd in 1806

Met dank aan John van Eekelen’s Bokkenrijders site en RHCL Maastricht

 

 

 

“Bokkenrijders” uit Elsloo deel 3

Peter Bovens (+1773)

Bovens droeg de eerzame bijnaam de “Schatheffer van Elsloo”! Hij vervulde de functie van burgemeester of dorpsmeester waardoor hij bovenstaande bijnaam had verworven. Peter moet uit hoofd van zijn beroep voor die dagen een redelijk welgesteld man geweest zijn. Hij trouwde in 1763 met Maria Catharina Brorens en hun huwelijk bracht vijf kinderen voort. Hij woonde in Catsop een gehucht dat voor potentiële bendeleden een aantrekkelijk oord geweest moet zijn. Het lag aan de limieten van de Heerlijkheid Elsloo, en figuren die kwade zaken in zin hadden, konden bij nacht en ontij ongezien erop uit trekken en via de omliggende bossen allerlei andere oorden bereiken.

Ondanks de relatieve voorsprong die hij op anderen had in die voor burgers zeer moeilijke tijden, zou Peter toch in aanraking met justitie komen. Ook toen school het ongeluk al in een klein hoekje. Het geluk zou Bovens in de steek laten toen een zekere Andries Steijnen op 15 september op het Landshuis in Valkenburg tijdens een martelsessie een zevental misdaden bekende waaronder die bij de pastoor van Grevenbicht. Bij deze overval waren heel wat inwoners uit Catsop ( Catsum zoals het gerechtsdocument verhaalt) betrokken. Steijnen verklapte ook de naam van Bovens, “de bode van Catsum”!

Een laatste afspraak

Dit alles was genoeg bewijs voor de rechtbank, die Bovens in de herfst van 1773 arresteerde. Hij kon geen kerstfeest meer kunnen vieren, want hij had op zes december 1773 een afspraak met de galg. Dat een andere aangeklaagde, Willem Opdenkamp, die vast zat in Thorn, meer dan een jaar later tijdens zijn verhoren verklaarde dat “den schatheffer van Elsloo, genaemt Boves” een van degenen was geweest die 17 jaar eerder in de St.Rosakapel in Sittard de eed op de de duivel hadden afgelegd, waarbij ze God en Onze Lieve Vrouw moesten afzweren, deed er verder niet meer toe.

Peter Boves had vrouw en kinderen verplicht verlaten. De paar grijpstuivers die hij gekregen had, hadden hem de das omgedaan!

Bron: RHCL Maastricht

Rosakapel1930 op de Kolllenberg in sittardDe kapel in 1930

Borgharen in vervlogen eeuwen deel 1

Theodorus van den Hoevel

In een crimineel gedingregister van de Heerlijkheid Borgharen 1688-1795 fol.1., kunnen we lezen dat Willem van Isendoorn à Blois (Blisia), de heer van Borgharen en Ingenhoeff enz., die uit een Gelders oud adellijk geslacht stamde dat in 1865 uitstierf, op 18 augustus 1684 Theodorus van den Hoevel die Commissaris Instructeur van de Hoog Mogenden te Maastricht was, tot drossaard van de heerlijkheid Borgharen benoemde. Willem was een zoon van Philibert van Isendoorn á Blois , die luitenant-kolonel in het Staatse leger was, en in 1648 werd benoemd tot commandant van de vesting Maastricht en toen kasteel Borgharen kocht van de militair Albert van Merode. Philibert overleed in 1667 en ligt met zijn echtgenote Aleijde en kind begraven in de grafkelder van het kasteel. Vanwege zijn protestantse geloof was bijzetting in de katholieke dorpskerk onmogelijk.

Maastricht kende vier commissarissen-instructeurs, twee van Luikse en twee van Brabantse zijde. Zij werden voor het leven benoemd en gekozen uit de meest vooraanstaande burgers uit der stad. Zij vertegenwoordigden de commissarissen-deciseurs, zij die beslisten, en bereidden hun komst voor.

Van den Hoevel was dus al een belangrijk persoon, die het stadsbestuur nauwlettend volgde door zijn aanwezigheid bij de raadsvergaderingen en door zijn bevoegdheid om de raadsverdragen in te zien. Een commissaris-deciseur meldde zich elke maandagmorgen om acht uur op het stadhuis om de appel-zaken gereed te maken en nam in belangrijkheid een plek in die onmiddellijk na de oud-burgemeesters kwam. Van Isendoorn gaf van den Hoevel de opdracht om “het voormelt drossardtambt te bedienen en alle crimineele saacken in ach te nemen! Theodorus legde op de eerste september 1684 de drossaards eed af in handen van de fiscaal van Brabant “in conformite van het vyfde artykel vant Reglement van de Politycque reformatie”van 1 april 1660.

Op vijf oktober 1694 benoemde de toenmalige heer van Borgharen ‘Jean Guillaume van der Heyden de Haaren et á Kersbourg”een zekere Nicolaes Rotshouck die in Maastricht als schepen werkzaam was tot meier van Borgharen. Een meier was tot aan het einde van het Ancien Régime een beambte in dienst van de lands- of dorpsheer. In deze functie inde hij de pachten en de heerlijke belastingen en hield in het algemeen toezicht op zaken de heer aangaande.

Het volgende gebeuren komen we op de 18e september 1724 tegen. Op deze dag benoemde de heer van Borgharen Edmond Coenrard baron van der Heyden de Blisia bij akte Herman van Leeuw tot “officier crimineel ende schout” van zijn heerlijkheid.

Marie Louise van der Heyden

Het laatste item bevindt zich in het Gedingregister van Borgharen 1718-1739 RHCL Mstr. We lezen daar dat baron van der Heyden op 6 augustus 1729 overleed. De baron had het kasteel in 1680 van de toenmalige heer van Isendoorn gekocht. Voor zijn dood had hij bij testament een aantal hoge edellieden tot voogd van zijn op dat ogenblik nog 14 jarige dochter jonkvrouwe Marie Louise van der Heyden à Blisia. Het meisje was op 5 september 1714 in de St.Servaaskerk gedoopt.

Als voogd werden benoemd Jan Ferdinand baron van der Heyden à Blisia, die naast zijn ambt als kanunnik aan de kathedraal van Luik ook nog proost van de O.L.Vrouwe kerk te Keulen was, en heer van Loye, Ryckhoven ( nu Belgisch Limburg)  en nog meer. Het kasteel van Loye waar hij vaak verbleef, bevindt zich in het Belgische Lummen. De volgende zorgverlener was Lambert van den Steen, baron van Jehay, heer van Selves (Saive)* , geheim raadsheer van de Prins-Bisschop van Luik en tevens schepen van het hooggerechtshof in die stad. De in 1664 geboren Lambert kocht in 1720 de heerlijkheid en het kasteel van Jahay van graaf Jean-Charles de Merode. In principe zou hij nog heel wat jaren voor Marie Louise kunnen “zorgen”, want hij stierf op 93 jarige leeftijd in 1757.

De eerstgenoemde voogd Jan Ferdinand, overleed onverwacht op 3 juni 1730, en werd vervangen door een zoon van Lambert van den Steen. Het bleef dus “all in the family”! Deze zoon, Walterus Lambertus van den Steen, had het ook dik voor elkaar. Hij was kanunnik van de kapittelkerk van St.Maarten in Luik en abt van Amay.

Beide mannen zouden nog een daad stellen die gevolgen had voor Borgharen. Bij akte van 22 februari 1731 benoemden zij als voogden van de nu 16 jarige Marie Louise, barones van der Heyden de Blisia vrouwe van Borgharen, Joan George Willem Frents  tot schepen van het dorp. Marie Louise zou op 14 juli 1732 met Michel Henri de Rosen trouwen. Zij kregen in 1746 een zoon, Charles Servais de  Rosen.

* Saive is een dorp in de provincie Luik en deelgemeente van Blegny. De wortels van de in misdienaars kringen te Meerssen “beruchte” kapelaan de Saive (later pastoor in Itteren), lagen in dit dorpje!

Ph_van_Gulpen,_Borgharen,_kasteel

Kasteel Borgharen rond 1840 door Philippus van Gulpen

Bron: Gedingregisters Borgharen RHCL Maastricht

 

Maastrichtse overheid maakt jacht op illegale hazardspelen in de 18e eeuw

Hazardspel in vizier overheid

Net zoals in deze tijd, alhoewel dat in ons land natuurlijk niet zo is, hadden overheden bij tijd en wijl zorgen over de alsmaar oprukkende hazardspelen. Online gokken was er nog niet en ook door overheden of particulieren geleide casino’s bestonden niet. Hazardspelen zoals dobbelen en gokken, werden hoofdzakelijk in herbergen of andere “huijsen” gespeeld buiten het zicht van de degenen die verantwoordelijk waren voor de openbare orde. De overheid kwam dan ook regelmatig met ordonnanties en edicten om dit tegen te gaan. Ondanks de in de wettelijke bepalingen aangekondigde strenge straffen slaagde men er niet in om dit maatschappelijk kwaad in de greep te krijgen. Dat het adagio “l’histoire se répète” nog steeds opgang vindt, is overduidelijk.

De Maastrichtse overheid was de overlast op dit gebied beu. In een raadsverslag van 6 januari 1747 geven ze aan dat het ondanks allerllei inspanningen, lees de ordonnanties van gemeentezijde uit december 1728 en februari 1739, en daar bovenop de inspanningen van de commissarissen-deciseurs van zowel de Luikse als de Brabantse overheid uit september 1742 niet is gelukt om de in deze regelingen verboden hazardspelen zoals bazetten, pharaon, passedix ( kansspel met dobbelstenen), cinq et neuff, en allerhande andere spelen in de greep te krijgen.

Volgens de Maastrichtse overheid worden deze spelen nog steeds in zowel particuliere als publieke huizen gespeeld, tot “nadeel en ruïne van de militaire, vreemde en de goede ingesetene deser stadt”. Het was overduidelijk,de raad wilde de reeds bestaande regels aanscherpen en gelukkig ook gaan toepassen. Men had daarbij de zowel de particuliere als de neringdoende gelegenheidsgevers op het oog. Vooral zij die in hun onderhoud voorzagen met het houden van koffiehuizen, wijnhuizen, herbergen of andere “hanteeringe”, die de hazardspelen in hun huizen in het openbaar of in het geniep lieten bedrijven door soldaten, ingezetenen of vreemden zouden de strengere regels in hun portemonnee gaan voelen. Er stonden fikse straffen op overtredingen.

Heuse straffen

Wie de eerste keer in de fout ging, kon zijn zaak sluiten  voor een periode van een jaar en zes weken, en bovendien een boete krijgen van 300 honderd gulden. Particulieren die betrapt werden, kregen nog sneller te maken met een lege beurs. Zij ontvingen direct een boete van 600 gulden, die gelijkelijk verdeeld werd over zowel het Luikse als het Brabantse gerecht, de gemeentekas, en degene die de persoon erbij gelapt had. Voor een burger was dit legale cadeautje van 200 gulden dan ook veel geld. De raad beloofde dat de naam van de brave burger die “geklapt” had geheim gehouden zou worden.

De touwtjes werden nog strakker aangetrokken, want ook de spelers zelf. “van wat conditie of qualiteijt hij sal mogen wesen”, dreigden dezelfde boetes te krijgen die conform bovenstaande regeling weer verdeeld zouden worden. Bij de overheid had men door dat verhuurders van kamers of uitbaters van “publijcke neeringe” vaak deden alsof ze niet op de hoogte waren van wat er achter de deuren van de door hun verhuurde kamers gebeurde. Het veelal gebruikelijke excuus dat ze het ook niet konden weten omdat de gebruikers de deuren op slot gedaan hadden, zou niet meer mogen gelden. Burgers en neringdoenden hadden vanaf nu de plicht om na te gaan wat er bij hun thuis gebeurde, en konden niet meer wegkomen met het smoesje dat hun de toegang tot hun eigen eigendom geweigerd was. Gebruikers die eigenaren toegang zouden weigeren golden vanaf nu als spelers en kregen de zelfde straffen als de op heterdaad betrapte of door anderen verraden spelers.

Burgers waren voortaan eveneens verplicht om de namen van mensen die in hun huis speelden aan de Hoogschout of Burgemeesters door te geven. Deden ze dat niet, dan ging de overheid ervan uit dat men permissie gegeven had, en kregen ze ook de al eerder vermelde boete, die “promptelijck” moest worden voldaan. Er was echter een ontsnappingsclausule. Kon een burger aantonen dat hij of zij het uiterste gedaan had om het hazard- of dobbelspel te voorkomen, maar ook dat ze door de spelers misleid waren, dan zou de overheid over het hart kunnen strijken, maar in dat geval moesten de illegale spelers de betrokken burgers schadeloos stellen.

De Maastrichtse overheid zou er alles aan doen om de nieuwe regeling via publicatie onder de aandacht van alle burgers en anderen te brengen, zodat “niemant hier aff eenige ignorantie kon pretendeeren”! Dat schreef de secretaris van de  “Eed.Achtb.Raad” G.J. Lenaerts,  tenminste in zijn ordonnantie van 6 januari 1747!!

Bron: Maasgouw nr.56, 22-01-1880

Getuige onderstaand fresco, gebeurde dobbelen al in het oude Pompeï

dobbelen in pompeï

“Bokkenrijders” uit Elsloo deel 2

Cornelis Bours ( 1720-1774)

Toen de in Geulle geboren Bours in 1749 met Maria Anna Wijnen trouwde was de lokroep van zijn vrouw zo groot dat hij naar de Heerlijkheid Elsloo verkastte. Hij zal niet vermoed hebben dat hij daar 25 jaar later aan de galg zou eindigen. Cornelis die in Geulle al het beroep van wever had uitgevoerd, zette dit ook voort in Elsloo. Hij vestigde zich in het ten zuidoosten van het dorp Elsloo gelegen gehucht Catsop, waar hij Paulus Janssen als buurman zou krijgen. Janssen die ook uit Geulle kwam, zou zich ontpoppen toe een van de plaatselijke aanvoerders van de bende nachtdieven. Bours presteerde het om zeven kinderen te verwekken, hetgeen in de omstandigheden van die tijd een tortuur moet zijn geweest voor zijn vrouw. Bours, bijgenaamd “Boerejan Nelis”,  had de pech dat een zekere Marten Mulckens uit zijn dorp hem tijdens een van zijn verhoren noemde als lid van de bende. Mulckens was op zijn beurt als lid aangeduid door Paulus Janssen, die op 13 september 1773 “de eer had”om als eerste bendelid uit Elsloo in handen van justitie te geraken. De loslippige Dirk Hersseler uit Neerbeek, die ellenlange lijsten van bendeleden oprispte had hem de das omgedaan. “Boerejan” werd einde november 1773 gearresteerd. Het zou zijn einde verhaal worden. Hij werd op 9 februari 1774 op de galgenplek van Elsloo.

Zie hier de beschrijving hiervan uit de site Elsloo.Info:” Het gericht van Elsloo
Op de Hoogte op de grens met Geulle heeft ook de gerechtsplaats van Elsloo gelegen. Deze stond op een plaats wat in de archieven het Gericht wordt genoemd. Op deze plaats werden de doodvonnissen uitgevoerd, o.a. door middel van een galg, radbraken, onthoofding of anders. Exact kunnen we deze cruciale plek niet plaatsen. Daarvoor zou men bodemonderzoek moeten doen. De archieven en de overlevering geven ons wel aanwijzingen waar het gericht ongeveer heeft gelegen. Uit een grensbeschrijving uit 1462 kunnen we afleiden dat het gericht van Elsloo stond boven aan de Biesenkuil (dat is wat we nu de strontkuil noemen, de diepe trog in het Hoge Bos waarin de Materbergbeek ontspringt). Andere vermeldingen spreken van percelen die liggen  “op de Heugde aant gericht boven den Wingerd (nu in Hoge Bos) op de rein van Elsloo”  etc. Alle vermeldingen komen op hetzelfde punt neer. Volgens deze gegevens kan het gericht nergens anders gelegen hebben dan op de Hoogte in de omgeving (in de richting van de Eykskenweg)  van het punt waar het Hoogtevoetpad een aftakking kent naar de bron van de Materbergbeek. Dit voetpad is namelijk de grens met Geulle. Ook de overlevering vertelt dat in het bos, bij de beschreven aftakking, “d’r vreuger luu in ein ströp gebengeld höbbe”. Dit vertelde men de kinderen als men daar langs kwam om hun bang te maken, het zou hier spoken. Ook de Bokkenrijders uit Elsloo moeten hier zijn opgehangen. In hun processtukken staat echter niet de exacte plaats alleen “daar waar men gewoon is criminele justitie te doen” en dat was dus, zoals we zagen,  op de Hoogte. Ook dat de plaats van het gericht op de Hoogte in de overlevering bewaard is gebleven, versterkt het vermoeden dat we hier de gerechtsplaats moeten zoeken.

Bours was niet de enige die op die dag aan zijn einde kwam: Een krant berichtte het volgende:

MASTRIGT, den 12, February. Op Dingsdag den 8 dezer zyn er te Beek wederom 6 Misdadigers, behorende tot het complot Dieven en Huisbrekers, en voorleden Woensdag te Elslo 7 andere met de Koord gestraft geworden.

Met dank aan de site van Elsloo.Info en RHCL Maastricht

galg elsloo op de heugde aan het gericht boven den Wingerd (bos) op de rein van Elsoo

Galg Elsloo op de heugde aan het gericht boven den Wingerd

 

 

 

 

 

 

 

“Bokkenrijders”uit Elsloo deel 1

De zelfstandige Heerlijkheid Elsloo kende geen eigen hoge jurisdictie, hetgeen inhield dat ze het uitvoeren van der zwaarste straffen aan iemand anders moesten overlaten, meestal aan de beul van de stad Maastricht, Jan Hamel. De vier eigen schepenen werden dan ook versterkt door drie “buitenschepenen”, uit resp. Bemelen, Eijsden en Mechelen aan de Maas. Het “secretariaat”werd waargenomen door Johannes Winandus Roemers, notaris te Maastricht. Roemers was afkomstig uit Hoogcruts en vader van priester Arnoldus Franciscus en jurist Charles Clément Roemers.  Zo konden de tot elite behorende functionarissen op makkelijke wijze hun salaris her en der aanvullen en ontstond er vaak een ongewenste vermenging van belangen. Als openbare aanklager trad Johannes Caspar Servaas de Limpens op, die ook nog als advocaat in Maastricht werkte en tevens drossaard in Mechelen aan de Maas was. Ook toen al konden de toppers alles aan, vooral als het om relaties en eigen beurs ging. Eventuele processen tegen inwoners van de Bank Elsloo werden gehouden in het Oude Stadhuis (Dinghuis) te Maastricht. Mogelijke wetsovertreders werden er ook opgesloten, maar de straffen werden uitgevoerd op de grens van de Heerlijkheid Elsloo zelf, zodat het “gepeupel” goed kon waarnemen wat het betekende om te zondigen tegen de geldende wetten.

Bastiaan Boosten

Een van de eersten die we tegenkomen is de smid Boosten die in 1758 trouwde met Margareta Vrusch uit Beek, een zus van de bendeleden Joannes en Christiaen uit Beek. Boosten werd door een paar gevangen zittende delinquenten beschuldigd van lidmaatschap van de bende. Zo vertelde Dirk Hersseler op 26 juli 1773 aan het gerecht dat “eenen Smet (bovengeschr: M.R. Boosten) woonende tegensover waar de heer Gobbele gewoont heeft in de Straet als men van de Plaets na Lambermont gaet”, aan verscheidene diefstallen schuldig zou zijn”. Helaas bleef het daar niet bij, want op 15 en 16 september 1773 meldde Mathijs Smeets uit Beek dat een zekere “Bastiaen Boostens een jaar geleden bij de schepen Brugge tot Lummerich ( Limbricht) als complice geassisteerdt had bij een inbraak”!

De Elsloose tam-tam deed haar werk, waardoor Boosten op de een of andere wijze vernam dat bendeleden hem beschuldigd hadden. Het was alsof hij de grond onder zijn voeten voelde wegzakken. Waar moest hij heen? Toen de rechtbank op 14 november 1774 het vonnis tegen hem uitsprak, was hij er lang vandoor. “Beclaegde Bastiaan Boosten werd voor altoos uijt deze vrij Heerlijcheid en vrij Baronie verbannen, met interdictie van noijt in dezelve te moogen verschijnen, op pœne van daarinne bevonden wordende, zwaarder te worden gestarft, met condemnatie van denzelven in de Costen en misen van justitie ter onzer Taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen.
Actum op den ouden Stadhuijze binnen Maestricht nae becomene territorium
Den 14. november 1774”

Het vonnis werd drie dagen later nog eens in het openbaar aan de Kaak van Elsloo voor ieder die het wilde horen voorgelezen. Daar bleef het niet bij, want op 3 februari 1775 werd er bij verstek eveneens en nogmaals vonnis gesproken tegen Bastiaan Boosten, nu in Valkenburg. Luitenant-drossaard W.Vignon trad in deze zaak op als openbaar aanklager. Voor hem wat het duidelijk dat “den beclaegden Bastiaen Boosten een Litmaet is der berugde en godloose bende gaudieven, knevelaers en boosdoenders welke sedert eenige jaeren het Lant geinfecteert en welkers pligtigen thans soo hier als in de nabuurigen Landen ter straffe getrocken geworden, en tot alwelke bende den beclaegden hem heefd ingelijfd en verbonden”.

De “slotmaeker” kreeg het nog eens voor zijn kiezen. Boosten had volgens deze functionaris “geassisteert en gecoopereert aen en bij  seventhien violente huijsbraeken, Diefstallen en knevelarieen, alle in actis gespecificeert en gedetailleert. Van welke diefstallen den beclaegden sijn aendeel genoten en geprofiteert heeft”. Dergelijke gruwelijke feiten en enorme delicten konden volgens hem in een land van politie en justitie niet worden getolereerd, maar behoorden tot afschrikking van iedereen bestraft te worden.

Boosten werd vervolgens door het Hooggerecht van de Stad en Vrijheid Valkenburg mede uit naam van de Hoogmogende Heren van de Staten –Generaal van de Verenigde Nederlanden voor eeuwig uit de Drie Landen van Overmaaze, Partage van Haar Hoogmogende, alsmede uit het gebied van de Generaliteitslanden verbannen. Mocht Boosten de euvele moed hebben om tegen deze zware straf te zondigen, dan zou de rechtbank naar bevinden handelen, lees de doodstraf hanteren.

Het vonnis werd “naar voorgaende klokkeslag van de puije van’t Lands huijs binnen Valkenborg ten overstaan van de Heren van den Geregte gepronuntieerd op den 16 Februarij 1775”. Uit de administratie van de rentmeester van De Landen van Overmaaze blijkt dat de bezittingen van Boosten bij gedwongen verkoop niets opleverden. Weer was een arme drommel, een smid uit Catsop, geslachtofferd door een nepotistische elite.

Bronnen: Anton Blok en RHCL Maastrichtrepubliek Gewesten+en+Generaliteitslanden

 

Pruisische ronselaars gefusilleerd in Maastricht, anno 1732

Ronselaars leggen het loodje

In het begin van januari 1732 werden in Maastricht een tweetal Pruisen in opdracht van het stadsbestuur dood geschoten. De reden hiervan was, dat ze in de stad, dus op Staatse grond, gepoogd hadden om soldaten te werven voor het Pruisische leger. Het ging volgens de toenmalige begrippen om een zeer ernstig vergrijp. Dit soort praktijken bracht ten enen male de veiligheid van de stad in gevaar. In het geval van de twee Pruisen ging het om de luitenant Wolfsleber (Wolfshagen) en een zekere Delwich. De eerste soldaat werd begraven in protestantse St.Martenskerk. Delwich, die het roomse geloof aanhing werd  bij de Paters Minderbroeders ter aarde besteld. Dit trieste verhaal werd opgetekend door een zekere Balthasar Becker uit Maastricht die het in 1733 in Frankfurt aan de rivier de Mainz liet uitgeven. Deze onverkwikkelijke  zaak was begonnen met een burger uit Aken die handel in snuiftabak dreef met de stad Maastricht. Hij was goed bekend  in de stad en verkeerde omwille van zijn handel ook vaker in de lokale herbergen die buiten de stadsmuren gelegen waren. Deze gelegenheden werden eveneens druk door soldaten van allerlei pluimage bezocht. Zo kwam het dat hij in een van deze herbergen een Hollandse soldaat had ontmoet die in het Maastrichtse garnizoen diende. Hij begon een gezellig praatje met deze soldaat die de naam Bulow droeg. De man vroeg hem of de geboortige Akenaar geen ronselaars kende die hem voor een fikse som geld als soldaat bij een regiment wilden onderbrengen. De Akenaar hield zich begrijpelijk op de vlakte, maar toen hij terug in zijn geboortestad was, nam hij contact op met de hem bekende  ronselaar Wolfshagen. Hij vertelde hem uitgebreid over het verzoek van de Hollandse man.

Wolfshagen komt in actie

Wolfshagen liet om begrijpelijke redenen onder een andere naam een brief bij soldaat Bulow bezorgen. Maar dat pakte helemaal verkeerd uit. Er dienden namelijk twee personen met die naam in het regiment. De “verkeerde Bulow” kreeg de brief in handen en stapte ermee naar zijn overste. Die had direct in de gaten dat hier iets fout zat, en verzon een list. Soldaat Bulow nummer twee zou met een andere soldaat ingaan op het voorstel van Wolfshagen.Wolfshagen kreeg een bericht dat ( de verkeerde) Bulow hem wilde ontmoeten. Ze spraken af om elkaar te ontmoeten in het vrije Rijksgebied Wittem, dat een tiental kilometers achter Valkenburg gelegen was. Wolfshagen kwam er aan in het gezelschap van von Delwich en een zekere sergeant Baumgarten. Ze gingen naar het zich daar bevindende  kasteel van graaf von Plettenberg om er op de Hollanders te wachten. De twee Maastrichtse soldaten hadden de stad al een paar dagen eerder verlaten en hielden zich met acht andere onderofficieren schuil in Gulpen. Van daaruit lieten ze Wolfshagen weten dat ze graag op Staatse bodem met hem wilden praten. De Duitsers trapten in de val. Nadat Wolfshagen met von Delwich de mannen ontmoet had begon hij zich te bedenken. In zijn ogen waren de mannen te klein van gestalte en niet geschikt voor een soldatenbestaan. Hij adviseerde hun om terug naar hun onderdeel in Maastricht te gaan. De mannen kregen beiden een dukaat van Wolfshagen als goedmakertje. Toen de Duitsers aanstalten maakten om de ontmoetingsplek te verlaten, werden ze door een aantal boeren uit Gulpen en de eerder genoemde onderofficieren gevangen genomen en geboeid naar Maastricht gebracht. Een van de boeren gedroeg zich als een dolle stier en loste een schot op von Delwich , nadat hij een pistool uit diens zadeltas had weten te bemachtigen. De mannen werden in Maastricht allereerst naar de Hoofdwacht op het Vrijthof gebracht. Hun volgende adres werd verrassenderwijs het nabijgelegen hotel “De Helm”. Ze werden er opgesloten in een aparte van tralies voorziene kamer. De volgende dag voerde men de mannen naar de gevangenis in de St.Pieterspoort. Wolfshagen was plotseling erg ziek geworden. Het gerecht stelde zich echter hard op en weigerde een dokter toe te laten tot de man. De krijgsraad sprak uiteindelijk de doodstraf uit. Twee predikanten kregen de moeilijke taak de mannen in te lichten omtrent hun lot. De datum van de executie werd vastgesteld op 21  januari. Het stadsbestuur  wilde vaart achter de zaak zetten. Vlak voor hij gefusilleerd werd riep Wolfshagen nog dat hij de wereld tot getuige wilde maken van het feit dat hier twee mensen voor een gering iets gedood werden. Hij verzocht Baumgarten om een zakdoek voor zijn ogen te binden. De mannen waren nog niet direct dood na de fusillade die door incapabele schutters uitgevoerd werd. Het gerecht kende echter geen genade en liet beide mannen ter plekke dood bloeden. Onderofficier Baumgarten ontsnapte aan een wisse dood. Hij werd door het gerecht verplicht de terechtstelling bij te wonen maar kon het Staatse gebied verlaten nadat hij te horen had gekregen dat hij nooit meer een voet op Staats territorium mocht zetten.  De Duitser Becker maakte een versje naar aanleiding ding van het gebeuren: “De dood verwierf ons hier, terwijl wij anderen wierven, zodat wij allebei aan dezen arbeid stierven”.

Bron: De ijzeren maagd van drs.Jef Leunissen