Kasteel Borgharen en de nouveaux riches ( uit Boek Kasteel Borgharen)

De “nouveaux riches”

In de loop van de zeventiende eeuw nam door verschillende maatschappelijke en politieke veranderingen de invloed en rijkdom van de Limburgse landadel sterk af. De inkomsten uit de landbouw die altijd de voornaamste inkomstenbron waren geweest, namen af en de prijs van de grond daalde. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw zouden dan ook veel bezittingen van verarmde feodale heren overgaan in handen van een nieuwe groep grootgrondbezitters die uit welgestelde burgers bestond. Regenten en rijke kooplieden uit de steden, de “nouveaux riches” van de zeventiende eeuw, kochten niet alleen landgoederen als investeringsobject, maar ook omwille van de status en het uiterlijk vertoon dat grootgrondbezit nu eenmaal met zich meebracht. Deze nieuwe categorie landheren was veel meer dan hun voorgangers in staat en bereid om fors te investeren in de modernisering van hun pachtbedrijven.16 Adellijke families met veel kinderen kregen het moeilijk. Ook zij slaagden er uiteindelijk niet in hun status en welvarendheid overeind te houden. De oudste zoon die als stamhouder fungeerde erfde normaal gesproken het goed. Voor de andere kinderen bleef er dan niet veel meer over. Dat was vooral het geval als er te weinig goed renderende bezittingen of heerlijkheden waren. Deze kinderen konden op grond van het weinige dat overbleef van een mogelijke erfenis geen eigen inkomsten meer verwerven. Dochters uit een groot adellijk gezin werden dan ook letterlijk gedumpt in kloosters of stiften. Dat gold ook voor de jongere zonen die op grond van hun “armoedige perspectieven”, geen schijn van kans maakten bij adellijke dames die meer te bieden hadden. Kanunnikessen in een wereldlijk stift hadden altijd nog de mogelijkheid om het convent te verlaten, ook al zaten ze er al een aantal jaren. Hadden ze die stap gezet en vonden ze een partner, dan konden ze alsnog in het huwelijk treden. Maar er moest wel betaald worden voor een plek in een stift. Giften van honderden pattacons waren niet ongewoon, en als het adellijk nest niet genoeg geld had om het entreegeld te betalen, moesten ze bijlenen waardoor de geldelijke toestand van de familie er nog slechter op werd. Een traditioneel klooster kende andere regels. Eenmaal binnen de kloosterpoort gekomen, was er na het aanvaarden van het noviciaat geen weg meer terug naar de buitenwereld. Goed bij kas zittende adellijke jongedames lieten armoedige adellijke jongemannen dan ook links liggen, en zochten of kregen een partner aangeboden die wel iets te bieden had. Voor jonge edellieden zonder perspectief op een deel van de erfenis, werd geheel in lijn met adellijke dochters zonder geld een religieuze instelling eveneens tot een noodzakelijke opvangplek waar ze onderdak en een goede verzorging genoten.

Onderdak elders

Toch was er nog ontsnappingsroutes voor die kinderen die het zout in de pap gemist hadden. Er waren nogal wat adellijke zonen die er in slaagden om onderdak te vinden in b.v. een keizerlijk regiment in het Oostenrijks leger, of die het voor elkaar kregen om in Russische krijgsdienst te treden. Jonge vrouwen die noodgedwongen een seculier stift voor adellijke dames moesten opzoeken, konden zich zoals eerder gezegd wel nog bezinnen alvorens een definitieve stap te zetten. Ze kregen daar ook gelegenheid voor. Ze mochten het klooster geregeld verlaten om naar huis te gaan. Zo hielden zij voeling met een buitenwereld die in het toenmalige perspectief ook al allerlei geneugten en verleidingen kende. Zo lang ze binnen de muren van het klooster waren hielden deze meisjes zich niet alleen met strikt geestelijke zaken bezig. Zij gaven onderwijs aan de kapittelschool of zorgden voor de opvoeding van welgestelde nieuwkomertjes. Het klooster was in vele gevallen wel een plek waar ze op veilige wijze hun eerbaarheid konden behouden. Deze veronderstelling ging echter niet altijd op. Het kwam vaker voor dat de proost of andere aan het stift verbonden geestelijken door middel van hun vleselijke escapades roet in het adellijke eten gooiden. Jonge dames die hun maagdelijkheid binnen de kloostermuren of elders verloren, werden met hel en verdoemenis bedreigd. Zij hadden zichzelf en hun familie te schande gemaakt en waren helemaal verloren als hun minnaar hun liet zitten.17

Kanunnik worden was in en leverde wat op

Verderop in dit boek zullen we zien dat Wouter van Isendoren zijn eigen zus voor hoer uitmaakte, omdat ze ongehuwd zwanger was geraakt. Het was inderdaad een groot probleem om het fortuin dat men eens had bezeten in eigen hand te houden. In de 18e eeuw slaagden vele niet-adellijke personen er in om bakken vol geld te verdienen met het cumuleren van winstgevende ambten of door fortuin te maken in de industrie of lakenhandel. Dat laatste was b.v. het geval bij de oorspronkelijk uit Aken afkomstige van Clermonts. Dat zelfde lukte ook als men er in slaagde om een rijke erfgename of erfgenaam aan de haak te slaan, of als er een fikse erfenis op de deurmat belandde. Voor families die meerdere goed gedijende bezittingen hadden, was er meestal geen vuiltje aan de lucht. Zij konden immers putten uit een rijk reservoir, en hun bezittingen veilig door de tijden heen loodsen door een “verstandige” huwelijkspolitiek te voeren. Kijken we naar de heren van Borgharen, dan zien we dat uit het kinderrijke gezin van Arnold van Hamal, een heer die met vele bezittingen begiftigd was, twee zonen kanunnik werden, een zoon met een adellijke dame trouwde, en de resterende vijf dochters er allemaal in slaagden om een aantrekkelijke partij met bezit voor zich te winnen. Dochter Margaretha werd zelfs vrouwe van Borgharen, en ook haar kroost kwam terecht in een gespreid bedje. Ook de kinderen van de daarna volgende heren van Merode zouden het treffen. Hun ouders waren vermogend en zij waren daarom een aantrekkelijke partij voor anderen. De dochters van de Merodes huwden jongemannen uit de geslachten van Wickrade of van Plettenberg, en de jongemannen werden onder meer Groot-Commandeur van de Duitse Orde te Koblenz, of kanunnik in Maastricht. De echte rot zou pas inzetten bij Albert van Merode, die ondanks zijn groot fortuin constant in geldnood verkeerde. Zijn twee zonen kwamen nog goed terecht, maar voor zijn twee dochters was de adellijke koek op. Zij werden op nette wijze naar een kloosterpoort geleid. Helemaal mis zou het gaan zoals we zullen zien bij heer Philibert van Isendoren. Bij hem zouden zelfoverschatting en onberekenbaarheid tot ware adellijke rampen leiden. Als we naar de titels van de heren van Borgharen kijken, dan zien we dat zij op grond van hun Borgharense status in de onderste adellijke regionen verkeerden, alhoewel een aantal heren voor hun bezittingen elders een iets hogere titel mochten voeren. Zo was Albert van Merode niet alleen “prince de Montgléon”, maar evenals Herman Philippe van Merode b.v. ook markgraaf van Treslong.18

Noten:

16 R.C.Hekker: De historische achtergrond van het dorpsgezicht St.Gerlach, 1987, in Het landschap van Zuid-Limburg, Historisch-Geografisch Tijdschrift, pgs.40-58.
17 Frans Gerards: Kasteel Dammerscheid, pg. 96. 2016, Voerendaal.
18 Jos. Habets: De voormalige heerlijkheid Borgharen, 1872, pg.62.

Kasteel Borgharen en de adel ( uit mijn boek over kasteel Borgharen )

De adel
De feodale adel is ontstaan uit het systeem van leenmannen en ministerialen. Toen de zware harnassen en kostbare stalen wapens hun intrede deden, ontwikkelde zich geleidelijk aan een stelsel waarin edelen in ruil voor wederzijdse steun een leengoed voor een edelman uit de hogere regionen beheerden. Deze edelen en vazallen waren op hun beurt steun verschuldigd aan een nog hoger geplaatste adellijke klasse. In eerste instantie verschilden titels zoals baron, graaf, hertog, prins en zo meer, van streek tot streek. Personen met deze titels waren eigenlijk ambtenaren in dienst van de keizer die door allerlei voorrechten hun positie erfelijk hadden weten te maken. De titel van hertog, “heerzog of legerleider”, graaf, markgraaf of markies, in het laatste geval de bestuurder van een grensgebied, en vorst, waren in de vroege middeleeuwen geen erfelijke maar vooral bestuurlijke aanduidingen.
De adel transformeerde in de twaalfde eeuw tot een gesloten kaste. De edelen bewaakten met zeer grote zorg hun aanzien en hun voorrechten. Zo lieten ze met opzet geen burgers toe op hun toernooien en monopoliseerden ze eveneens alle hogere functies in het leger en in het bestuur. Pogingen van hun kant om ook de kerk in hun macht te krijgen mislukten, omdat zij geen monopolie op kennis bezaten.Toch zouden veel jongere niet voor een erfenis in aanmerking komende zonen en dochters uit adellijke huizen als abt of abdis eindigen, of als kanunnik(es) onderdak vinden in kloosters of stiften. Deze stiften, kloosters die door adellijke dames werden bewoond, kregen het predikaat “stiftsadel”. De jonge “dochters” moesten echter wel met zestien kwartieren oude adel op de proppen komen om welkom geheten te worden in het stift (11). Zo schijnt het klooster van St.Gerlach te Houthem, dat aanvankelijk een klooster voor mannen en vrouwen was, in het tweede kwart van de dertiende eeuw omgevormd te zijn tot een stift voor adellijke dames dat inmiddels de naam “Monasterium Sancte Marie de Sancto Gerlaco” verkregen had. Het convent met aan het hoofd een priorin, had de rang van een proosdij en was bestuurlijk afhankelijk van een abdij(12).

De adel ontwikkelde omwille van puur zelfbehoud regels om vast te stellen of iemand tot hun klasse behoorde. Om hun veronderstelde superieure bloed zuiver te houden, ontmoedigde men ten zeerste of verbood men het hun kroost zelfs om met een niet-adellijke partner te trouwen. Zelfs wanneer de kinderen uit een dergelijk huwelijk tot de adel behoorden, hadden zij minder voorrechten dan hun verwanten met meer ” adellijke kwartieren”. Deze zo gewenste adellijke kwartieren moesten immers bij beide partners aanwezig zijn. In het op die manier ontstane adellijke zelfbeeld beschouwden edelen zich als de dragers van superieure overerfde eigenschappen. Kenmerken die niet-adellijke personen in hun ogen ten enen male ontbeerden. Zij alleen hadden z.g. “blauw bloed”, dat niet vermengd mocht worden met personen die niet tot de adelstand behoorden. Zo ontwikkelde zich een eigen cultuur en een eigen taalgebruik, waarmee zij zich van anderen probeerden te onderscheiden. Het woord “adel” werd een synoniem voor “voortreffelijk”, of woorden van die strekking. Hun strak gevoerde huwelijkspolitiek was er dan ook op gericht om het bloed “zuiver” te houden, en “Ebenbürtigkeit“ was in sommige families zelfs verplicht(13). In voorkomende gevallen deden leden van de adel een beroep op hun kwartieren, hetgeen wil zeggen dat hun voorouders gedurende een aantal generaties aantoonbaar van zuivere adel waren geweest. Deze kwartieren vormden een bewijs van zuiver bloed en waren zonder meer een vereiste om tot de ridderschap te kunnen behoren(14).

In de late middeleeuwen werd de adel in economisch opzicht overvleugeld door handeldrijvende burgers. De steeds meer in omvang toenemende koninklijke bureaucratie kon weliswaar nog worden geleid door edelen, maar in de directe uitvoering van alledag had zij behoefte aan gestudeerde burgerzonen die een degelijke kennis van het recht bezaten. Aan het einde van de middeleeuwen zien we dat de hofhouding, het leger en het bestuur van het platteland nog steeds het domein van de adel zijn.Toch deden vorsten vanaf dan nog vaker dan voorheen een beroep op ontwikkelde burgers, die onafhankelijk van de vaak onhandelbare en onafhankelijke edelen hun landen wilden besturen. De vorsten speelden op die manier adel en burgers bewust tegen elkaar uit. Vorsten waren zelfs geneigd om adeldom als een “fons honorum” te verlenen(15).Deze nieuwe adel werd ook wel de briefadel genoemd naar de adelsdiploma’s die zij ontvingen. Via deze adelsbrieven kon men aantonen dat de souverein een persoon van burgerlijke afkomst in de adel had opgenomen. Met een zekere begrijpelijke logica bedachten burgers die een ambt vervulden waarvoor men eigenlijk de status van edelman moest bezitten dan ook dat zij in zekere zin ook tot de adel behoorden. Ook deze aanspraak op adeldom werd vaak erkend en leverde een z.g. klasse van ambtsadel op, die zich slechts in het spraakgebruik onderscheidde van oudere adelijke geslachten die men zwaardadel of bloedadel noemde. Men kan de adel eveneens in een hoge en een lage adel indelen. In het Spaanse Rijk b.v. werd er onderscheid gemaakt tussen de hoge adel, de z.g. “Grande van Spanje”, en de overige edelen van lager statuur. Heerlijkheden met titels “heer van…”, en “vrijheer van…” zijn overigens niet adellijk, ook al werden ze in het verleden door edelen gedragen. Wanneer men tijdens het Ancien Régime een heerlijkheid bezat of kocht, verwierf men ook de bijbehorende titel. Dit noemde men wel de “grondadel”.

Noten:

11 De naam stift staat in verband met stichten en betekent geestelijke stichting. Daarmee bedoelde men een gebouw voor personen die in kloosterlijk verband samenwoonden en werkten. Maar niet alle kloosters kunnen stiften worden genoemd, want onder een stift begreep men die geestelijke stichtingen waar alleen ongehuwde dames uit de adel werden toegelaten.
12 A.G.Schulte, 1999, Landgoed St.Gerlach, Kruispunt van culturen in het Land van Valkenburg.
13 Ebenbürtigkeit: Twee partners waren in de standenmaatschappij in de Middeleeuwen en binnen het Duitse adelsrecht tot aan WOII alleen “ebenbürtig”, wanneer ze tot dezelfde stand behoorden en daarbinnen “standesgemäss” trouwden.
14 Alma, Gietman en Mensema , 2012, Adel en heraldiek in de Nederlanden. Ridderschapscolleges in Nederland hechtten weliswaar minder belang aan adellijke kwartieren dan dat men dat in Duitsland deed, maar desondanks speelden kwartierwapens een rol van betekenis. Door het tonen van een reeks van illustere wapens gaf men blijk van zijn voorname afkomst.
15 Fons honorum:(Latijn: “bron van aanzien”) is een term die in het staatsrecht, het adelsrecht en het orderecht wordt gebruikt om aan te geven wie gerechtigd is om maatschappelijke eerbewijzen te creëren en te verlenen.

Aquarel van Ph. G.J. van Gulpen ca.1850 door R. Quadevlieg

Aquarel van Ph. G.J. van Gulpen ca.1850 door R. Quadevlieg

Borgharen en de gefeodaliseerde kerkelijke rechten van de kasteelheer

Gefeodaliseerde kerkelijke rechten
In sommige heerlijkheden waren er bepaalde voorrechten overgenomen die in oorsprong aan de kerk hadden toebehoord. Zo kon een heer over het “collatierecht” beschikken, of kon een tiende een feodaal goed geworden zijn(10) Het collatie- of patronaatsrecht kwam voort uit de gedachte dat de persoon die de grond voor de bouw van een kerk ter beschikking had gesteld, daarmee zeggenschap verwierf over het gebouw en over de geestelijke die daarin zijn werk zou doen. Het bezit van het patronaatsrecht werd dan ook steevast in alle opsommingen van aan een heerlijkheid verbonden heerlijke rechten genoemd. Dat dit recht tot grote problemen kon leiden, zien we verderop in dit boek. De collator had het recht om kandidaten voor het ambt van zielzorger of koster voor te dragen. Bij een koster ging het om een lekentaak van iemand die diensten deed voor de gemeente. Ook dat leidde in Borgharen tot grote spanningen en aanzienlijke conflicten. Reeds tijdens de Hoge Middeleeuwen gaf dit recht aanleiding tot disputen met de kerkelijke overheid, die wellicht terecht klaagde over regelrechte “usurpatie”. Daarmee bedoelde ze het zich op onrechtmatige wijze toeëigenen van rechten die aan haar zouden toekomen. De bemoeienis van een heer bij de keuze van een predikant of pastoor zou ook tengevolge van de reformatie tot hevige spanningen tussen hem en zijn onderdanen gaan leiden. Dat geschiedde met name in plaatsen waar de heer een ander geloof beleed dan zijn in de meerderheid zijnde roomse ingezetenen.

Door het geleidelijk wegvallen van de militaire verplichtingen die aan een leen verbonden waren, werd het bezit van een heerlijkheid vanaf de zestiende en zeventiende eeuw meer en meer een financieel instrument en tegelijk ook een statussymbool. Aan een heerlijkheid waren veelal uitgestrekte pachtvelden en een burcht of kasteel verbonden. Omwille daarvan was een heerlijkheid als buitensteedse residentie een aantrekkelijke investering voor succesvolle kooplieden en leden van het stadspatriciaat geworden. Met de aankoop van een heerlijkheid konden ze immers pronken en zich tegelijkertijd een pseudo-adellijk profiel aanmeten. Dat was iets waar Philibert van Isendoren zich maar al te graag en geheel volgens de regels van de elitaire etiquette van bediende. De protserige Gelderlander voegde zelfs de “gestolen” naam à Blois aan zijn oorspronkelijke naam toe. In de Zuidelijke-Nederlanden werd het financieel karakter van een heerlijkheid nog eens extra geaccentueerd door het Koninklijk Edict van acht mei 1664. Een adellijke titel werd vanaf die datum een kostbare zaak. Hij werd slechts verleend mits er een minimumbedrag aan inkomsten te behalen viel uit de leengoederen. Voor een baronie betaalde men zesduizend gulden, voor een graafschap of markiezaat twaalfduizend gulden, en voor een hertogdom of een prinsdom vierentwintigduizend gulden. In deze tijd ontstond dan ook een nieuwe sociale orde, die gebaseerd was op de rijkdom van de titeldragers, en die ten doel had om de financiële stabiliteit van de voornaamste heerlijkheden te garanderen. Met name binnen de adel vormde het bezit van heerlijkheden het leeuwendeel van het totale bezit van een bepaalde familie. Veel edelen waren dan ook sterk aangewezen op het bezit van heerlijkheden, die voor hun een machtsbasis, inkomstenbron en statussymbool vormden. Omdat edelen hun familienaam veelal aan een heerlijkheid ontleenden, was de heerlijkheid dus ook belangrijk voor het prestige van de familie. Een adellijke status was naast het bezit van een heerlijkheid ook een voorwaarde voor toetreding tot de Ridderschap, een exclusief adellijk college dat geacht werd het platteland te vertegenwoordigen in de Staten van Valkenburg. Een paar heren van Borgharen slaagden in die opzet. Een zetel in de Ridderschap gaf toegang tot allerlei financieel interessante erebaantjes en betrekkingen. Om deze reden “verzamelden” edelen heerlijkheden, zodat ook hun zonen in staat zouden zijn zitting te nemen in de Ridderschap.

De heerlijkheden werden in de Nederlanden opgeheven na de Franse inval van 1795. In de praktijk betekende dit dat ze werden vervangen door een nieuw en algemeen bestuursmodel dat de naam gemeente zou gaan dragen. Ook de aloude schepenbanken gingen voor de bijl. Zij werden vervangen door centrale gerechtshoven. In de Noordelijke Nederlanden werden de heerlijkheden afgeschaft bij de Staatsregeling van 1798. Enkele heerlijke rechten zoals het jachtrecht en visrecht, werden na de Franse tijd in Nederland weer hersteld als een z.g. zakelijk recht. Vreemd was dat niet. Het gros van de toenmalige bestuurders was van adel, en er moest duidelijk iets overblijven van de voormalige adellijke grandeur! Het overgrote deel van de voormalige heerlijke rechten, met name de bevoegdheid om plaatselijke bestuurders te benoemen, verdween met de Belgische Grondwet van 1830 en met de herziene Nederlandse Grondwet van 1848. De meeste bestuurlijke functies gingen over op de gemeente en werden geregeld in een nieuwe gemeentewet. De rechterlijke macht werd voortaan door de landelijke overheid geregeld. Met de afschaffing van de heerlijke rechten van voordracht en aanstelling inzake openbare betrekkingen was ook het laatste restje “heerlijkheid” afgeschaft. Zoals zou blijken, was deze wetgeving deels voor de “bühne”. Tot in de huidige tijd zijn vele posities in diplomatieke en andere overheidsdiensten bij voortduring bezet met nazaten van de vroegere adellijke of nep-adellijke elites.

10 Collatierecht: C.E.G. ten Houten de Lange en V.A.M. van der Burg: Heerlijkheden in Nederland 2009, Het recht van collatie was een van de laatste heerlijke rechten, maar was in tegenstelling tot veel andere heerlijke rechten doorgaans geen leengoed. In het verleden werd het recht veelal door edelen uitgeoefend. Het was vaak verbonden aan kastelen, borgen, havezaten en states. Wanneer een familie alle collatierechten in een kerspel bezat, werd gesproken van een “staande collatie”. De eigenaar van het recht werd dan “unicus collator “ genoemd. Het recht van collatie was verhandelbaar en vererfbaar.

Ansichtkaart oa Kasteel Borgharen door Jeanne Verzijlberg

Ansichtkaart Borgharen

Genomen uit mijn boe4k “De Heerlijkheid Borgharen in vroeger eeuwen”.

De heren van Borgharen en hun rechten deel drie

14 De haverpacht: Deze behoorde tot de land- of erfpachten. In de archieven van Borgharen komen we lijsten tegen van de personen die haverpacht over in het Bosvelt gelegen gronden aan de heer voldaan hebben. Het waren de heer van Isendoren en heer Jean-Guillaume van der Heyden echter, die zo nodig weer een proces moesten voeren tegen de dorpsmeesters over deze haverpacht in resp. 1675 en 1705.

15 Verpachting kasteelhoeve: De kasteelhoeve, ook wel onderhof genoemd, werd vanaf het midden van de zeventiende eeuw vele malen opnieuw verpacht. Ook deze verpachtingen brachten heel wat problemen met zich mee. Zo waren er regelmatig pachters die de pachtovereenkomst niet op de juiste wijze nakwamen. 16 Het recht op nalatenschap van onwettigen: Hierover is zeer weinig in het archief te vinden. In 1566 treffen we een “quaritur” aan over de vraag of heer Herman Scheiffart van Merode het recht bezat om de nalatenschap van zijn onwettige dochter Grietjen Joeris van Elsloo te aanvaarden. 17 Het recht op bossen, beemden, en aanwas van land: Meestal regelde de rentmeester de gang van zaken op deze gebieden. Het recht om over bossen en woeste gronden te mogen beschikken vond zijn oorsprong in oorspronkelijk grootgrondbezit en in grondheerlijke rechten, die mogelijk de basis vormden voor deze heerlijke rechten. Het recht op aanwas van land, “wasse”, steunde op het recht van “alluvie”. Als het om gemeenschappelijke gronden ging, toen “gemeyne gronden” geheten, was het niet altijd even helder of ook de heer daar zijn eigen vee of schapen mocht laten weiden. Er zouden dan ook meerdere conflicten hierover ontstaan. 18 Het recht op tienden: Algemeen wordt aanvaard dat het tiendrecht zijn oorsprong vindt in kerkelijke rechten die werden aangewend om het onderhoud en de inventaris van een kerkgebouw te bekostigen, alsmede het levensonderhoud van de betrokken geestelijken. Slimme lokale heren eigenden zich deze rechten al gauw toe en wendden ze aan waar het maar kon. Zo kwamen ze b.v. met de novaaltienden, tienden op pas ontgonnen grond. De heren waren van oordeel dat deze aan hun toekwamen omdat de woeste grond van oudsher aan hun toebehoord had. Tienden werden in het algemeen geheven over de opbrengst van veldgewassen, de groei van de veestapel ,ook wel de“krijtende tiende” genoemd, en producten van dierlijke aard, b.v. de “woltiende”. Het was inderdaad om te huilen, zoveel als de niets hebbenden aan hun heer moesten leveren!

Wordt vervolgd door gefeodaliseerde kerkelijke rechten.

Het verblijf en het conventsleven in de Nieuwe Biesen in Maastricht in de 18e eeuw

De leden van het convent woonden in de gebouwen van de Nieuwe Biesen waar ze een kamer met stoel, en een tafel met bed hadden gekregen. Wilde een priester iets meer comfort en stelde hij prijs op aanvullend meubilair of extra linnen- of beddengoed, dan moest hij dit zelf aanschaffen en bekostigen. Als een van de priesters overleed werden zijn spullen op de markt verkocht, maar het kon ook goed zijn dat een van zijn collega’s ze om niets kreeg of slechts een geringe vergoeding daarvoor hoefde te betalen. De voorraad linnengoed in de Nieuwe Biesen werd nauwkeurig bijgehouden. Daar zorgden de linnenmeid en de rentmeester voor. Uit een regel uit het jaar 1709 wordt duidelijk dat de vuile was twee maal per week werd opgehaald waarna zuiver linnen werd verstrekt. Opvallend was dat de kledij en het Ordeskruis dat de novice of nieuweling bij zijn professie had ontvangen, door hem zelf betaald moesten worden. Slechts als hij de mis las, kon hij gebruik maken van de misgewaden die eigendom van de kerk waren.

Men was daar erg streng op. Een goed voorbeeld daarvan geeft ons een zekere Peter Martens. In het jaar 1786, hij was toen 29 jaar oud, vroeg hij aan zijn landcommandeur Reischach of hij het kruis van zijn op dat moment overleden medebroeder Vyghen mocht gebruiken. Hij had tot dan toe sinds zijn professie op vijf september 1786 nog geen kans gezien om een kruis voor zichzelf aan te schaffen. De landcommandeur was spijkerhard. Martens kreeg te horen dat als hij niet subiet zelf een kruis aanschafte, hij dat via de orde zou krijgen. De kosten daarvan zouden dan wel van de geldelijke middelen die hij uit het convent verkreeg worden bekostigd. De inval van de Fransen in 1794 zorgde voor een grote verandering. De leden van het convent pakten hun schaarse boeltje op en vertrokken naar veiliger plekken die tot dan toe nog aan de overkant van de Rijn gevonden konden worden. Sommigen, vooral diegenen met Duitse wortels, zochten familie op, en anderen zwierven enigszins in paniek doelloos rond. Op 20 oktober 1794 had hun grote baas de landcommandeur laten weten dat ze zich moesten verzamelen in Keulen, maar deze plek werd het uiteindelijk toch niet. Er werd om allerlei redenen voor Münster gekozen als ballingsoord.

De meesten kwamen daar terecht in het Garden Hotel en kregen er gezelschap van de gevluchte pastoors van o.a. Leuven, Gruitrode en Bekkevoort. De landcommandeur zorgde er voor dat er binnen de muren van het hotel een zelfde strak regime kwam als in het oorspronkelijke Maastrichtse convent. Om zes uur verzamelen voor de metten, in de namiddaguren samenkomen in de Ordeskerk van Münster en de resterende tijd doorbrengen met persoonlijke godsdienstoefeningen zorgde er voor dat er weinig tijd was voor rare fratsen. Om tien uur ‘s-avonds moest iedereen appel geven in het hotel, waarna het bidden van de Litanie van Alle Heiligen als een slaappil moest werken. Het gebouwencomplex van de Nieuwe Biesen was ondertussen tijdens de belegering en de inname van Maastricht zwaar beschadigd en deels in vlammen opgegaan. Van een terugkeer van de oorspronkelijke bewoners was dan ook geen sprake meer. Het Maastrichtse priesterconvent was dankzij de atheïsten uit Frankrijk deels in rook opgegaan.

Ordeskerk Nieuwe Biesen te Maastricht volgens Phillipus van Gulpen in 1840

De heren van Borgharen en hun heerlijke rechten deel drie

10 Het recht op visvangst: Uit akten van verheffing blijkt dat het visrecht vaak verpacht werd. Dit gebeurde in de 15e, 16e en 17e eeuw o.a. aan de heren van Pietersheim. Ook dit recht leverde allerlei vervelende bijkomstigheden op. Zo had Ursula Scheiffart van Merode op het einde van de 16e eeuw conflicten over de visserij op de Maas met de rentmeester van de domeinen in Maastricht. De pachters van de visserijrechten in Borgharen verklaarden op hun beurt in oktober 1647, dat zij bij het uitvoeren van hun werkzaamheden ernstig werden gehinderd door vissers uit Maastricht. 11 Het recht op aangespoelde voorwerpen: In het jaar 1616 werden er in Borgharen getuigen opgevoerd die het z.g. recht op “naufragie”dat aan de heer toekwam, moesten bevestigen. Het recht hield in dat de heer de in zijn gebied aangespoelde zaken mocht behouden. Dat kon door het aan de heer toebehorende vreemdelingenrecht, of anders gezegd het “droit d’aubaine”, hetgeen buitenkansje betekende. Dat dat ook tot problemen kon leiden, ervoer heer Conrad van der Heyden à Blisia in 1720. Hij werd toen door de erfgenamen van een zekere G.Goddart gesommeerd om in de Maas afgedreven hout dat van hun was terug te geven. Baron Michel de Rosen schijnt zich op dit terrein keurig gedragen te hebben. Hij ontving in het jaar 1739 zelfs een dankbetuiging van Joseph Delport vanwege het feit dat de Rosen hem op correcte wijze hout dat onder de jurisdictie van Borgharen was aangespoeld had terugbezorgd. 12 Leengoederen te Borgharen: De gewone pachten en de landpachten bepaalden in de zeventiende en achttiende eeuw voor een groot deel het economische succes van een heerlijkheid. Dat had een bijzondere reden. Al heel lang waren de aan de heer toebehorende landerijen schat-en belastingvrij, waardoor de opbrengst uit de verpachtingen niet gereduceerd werd door te betalen belasting. De hier vermelde pachtvormen golden slechts voor een bepaalde termijn en de pachters konden de pachtprijs voldoen in contanten of door middel van de levering van b.v. graan. Rond 1600 komen we bij vrouwe Ursula Scheiffart van Merode een archiefstuk tegen waarin de namen van alle leenmannen worden vermeld. Er vond dus wel degelijk registratie plaats. Verder zien we dat vanaf het jaar 1416 leengoederen uit het huis Borgharen regelmatig verheven werden

13 Laatgoederen, cijnsen en kapoenen: Toen Peter van Merssen in 1580 “alsulche charte, cheynsen ende capounen” die hem na de dood van zijn vader gebleven waren verkocht aan Herman Scheiffart van Merode, moesten deze vervolgens conform de regels weer verheven worden bij de laathof van de gebiedende heer van Merode. Bij heer van Isendoren komen we over de jaren 1649-1654 een register tegen waarin alle gedurende die periode gebeurde verheffingen en overdrachten van laatgoederen behorende tot de “Vrijheerlicheyt ende Laethoff van Borchaeren” geregistreerd zijn (7) Het begrip “cijnzen”, is moeilijk te plaatsen. Rolf Hackeng verwoordt dit begrip in zijn promotiescriptie als volgt: “Alle betalingen van bezitsrechtelijke, personenrechtelijke en hoogheidsrechtelijke aard, zowel in natura als in geld”. Als eerste komen we de publiekrechtelijke cijnzen tegen voor het in pacht nemen van gronden, en de cijnzen die betrekking hadden op b.v. het recht van wind en water voor molens of het gebruik van woeste gronden. Naast cijnzen werd vaker ook nog een “bede” geheven, die mede omdat deze onderdeel was geworden van de cijnzen als het ware onzichtbaar was voor buitenstaanders. Kapoenen en rookhoenders vormden een verhaal apart. Bij een kapoen ging het om een gesneden haan die als cijns moest worden betaald. Vrouwe Ursula van Merode nam in 1615 de moeite om exact te omschrijven aan welke voorwaarden de levering van kapoenen door haar cijnsplichtigen moest voldoen. Volgens de adellijke dame moesten de dieren beantwoorden aan een aantal exquisite kenmerken. Ze moesten “zwaar en vol vlees zijn, een el lang, met vijf afhangende staartveren, zonder sporen aan de poten, en niet kockelend als het geslachtsdeel werd gekieteld” (8). Uit een rond het jaar 1600 opgemaakte lijst van personen die kapoenen aan haar verschuldigd waren, blijkt dat deze op Kerstdag bij schout Cornelis Franssis bezorgd moesten worden. Vele jaren later in het begin van de negentiende eeuw, moest iemand die een rente op een te Borgharen gelegen stuk land moest betalen, daarvoor achttien kapoenen leveren aan heer Charles Servais de Rosen. Betaling van kapoenen komen we al eerder tegen bij heer Daem van der Haagen in het jaar 1530(9). Als er sprake was van rookhoenders ging het om hoenen die door bewoners met een stookplaats in huis moesten worden geleverd. Het eerste deel van deze naam is dan ook afgeleid van de rook van de haard of het open vuur. In de achttiende eeuw was deze betaling in natura al vaak vervangen door een betaling in geld, het z.g. “hoendergeld”. Op de Veluwe werden rookhoenders al in het jaar 1122 aan de hertogelijke keuken geleverd als vergoeding voor het mogen rooien van een stukje grond in de bossen van de hertog. 14 De haverpacht: Deze behoorde tot de land- of erfpachten. In de archieven van Borgharen komen we lijsten tegen van de personen die haverpacht over in het Bosvelt gelegen gronden aan de heer voldaan hebben. Het waren de heer van Isendoren en heer Jean-Guillaume van der Heyden echter, die zo nodig weer een proces moesten voeren tegen de dorpsmeesters over deze haverpacht in resp. 1675 en 1705.

Noten:

7 Archief Kasteel Borgharen, 14e -19e eeuw, 16.0512- nr. 33, “Copie uutten leenregister van Borcharen van vele diversche jaren gelijck die hier na volgende sijn”, akte van verheffing, 1416-1526.
8 Archief Kasteel Borgharen, 14e-19e eeuw, 253, Voorschriften van Ursula de Merode, vrouwe van Borgharen, omtrent de grootte en hoedanigheid van te leveren kapoenen, 1615, afschrift in duplo.
9 Archief Kasteel Borgharen, 14e-19e eeuw, 240, Dit syn al sulcke eins ende capueu als Daem van der Haagen geldende heeft binnen der heerlicheyt van Ophaeren daervan dat die erste betalinge aenginge anno XVC ende XXX, (1530) notarieel afschrift.

Sneeuw te Borgharen

Blik op uitgang in de sneeuw

Het menu van het convent Nieuwe Biesen te Maastricht in de 18e eeuw deel twee

Rond het jaar 1775 vertoefden er vier priesters in het convent, die zoals we gezien hebben in deel een niet de enige bewoners waren. Zij werden op voortreffelijke wijze ondersteund door andere functionarissen en door personeel. Dat dit kleine gezelschap vaak uit de pas liep, hebben we ook al verteld. Verwend zoals ze waren hadden ze soms lak aan van alles en nog wat. Aan eten was geen gebrek. Om het brood smakelijker te maken gebruikte men in de keuken meelsuiker, een bekend zoetmiddel. Al het brood werd uit de eigen voorraad aan graan gebakken. Wilde de lekkerbekken b.v. witbrood of Frans brood, dan werd dat soms gekocht bij een bakker in de stad. Lekkere koeken werden gemaakt van boekweitmeel, en op feestdagen werd er in de stad taart gekocht, een lekkernij die men overigens zelf ook bakte. Ingrediënten voor dit alles kon in de stad zelf gekocht worden of men verkreeg deze via de pachters van Alden Biesen, Diepenbeek of Gruitrode. Het ging daarbij om eieren en zuivelprodukten zoals kaas, boter, melk, botermelk.

De meest gebruikte kaassoorten kwamen uit Holland of het Land van Herve. Olie werd uit de eigen voorraden raap- en lijnzaad vervaardigd, en voor de benodigde rijstpap werden kleinere hoeveelheden rijst gekocht. Bier kwam uit de eigen voorraden graan, maar koffie en thee werden slechts mondjesmaat ingeslagen. Opvallend is dat de beschikbare brandewijn kennelijk alleen door de wasvrouwen werd gedronken. Tabak was bij alle ordepriesters populair. Er werd flink gepaafd, want vrijwel wekelijks moesten er nieuwe hoeveelheden tabak besteld worden. Overigens waren de levensmiddelen niet enkel voor de priesters bestemd. Het personeel en de gasten die er vaker vertoefden aten ook mee. De gastenlijst van 1770 vermeldt o.a. de pastoor van Wilre (Wolder), de koster en de rentmeester van Alden Biesen, een schepen uit de stad Maastricht, enkele wasvrouwen, een strijkster, en een drietal voerlieden uit Bonn en Alden Biesen. Deze werden allemaal aan de dis uitgenodigd.

We komen zelfs een Franse predikant tegen, de pastoor van het dorp Beek, de neef en de nicht van balijeraad Wilhelmi, en een aantal advocaten die toen ook al zeer geliefd waren om voor de rijken te werken. Overigens werd het aantal gasten zeer nauwkeurig opgeschreven. Er werd stevig op gelet dat er niet te veel personen werden uitgenodigd, want het voorhanden zijnde budget mocht niet overschreden worden. De pastoor van Wilre en Montenaken kwam zo vaak dat er aanstoot aan werd genomen. In 1791 verbood de landcommandeur dat een zekere Peter Dullens om nog langer mee aan tafel te gaan. Overigens zou deze persoon vijf jaar later als sacrist voorkomen, in welke functie hij zelf moest opletten dat er niet te veel mensen mee kwamen eten. Sommige priesters en novicen waagden het zelfs om na de maaltijd nog voedsel mee naar hun kamer te smokkelen. Kennelijk wilde met nog wat in voorraad hebben als het hongergevoel zich deed voelen. Na een klacht over de capaciteiten van de kokkin werd deze in 1786 aan de deur gezet. Er was een reden. De netheid in de keuken was niet op orde en er kwam zelfs een geneesheer poolshoogte nemen om te bekijken wat de smeerpoes had aangericht. De broze priesters mochten niet ziek worden.

Wat aten de priesters in het convent de Nieuwe Biesen in de 18e eeuw ?

Uit brieven en reglementen kunnen we makkelijk een indruk krijgen van het voedingspatroon van de in het Maastrichtse convent aanwezige priesters. Uit documenten van het jaar 1709 weten we dat de middagmaaltijd toen bestond uit brood, boter, kaas en fruit. Niet ongezond dus. Het avondmaal dat om zeven uur genuttigd werd, bestond op gewone dagen uit groente en vlees, en alvorens men naar bed ging konden de conventsleden nog brood met koud vlees of kaas krijgen. Slechts twee keer per week werd er vlees gebraden, en tijdens de vasten kreeg men vis in plaats van brood. Brood kon men eten naar gelang men wilde. Op zon- en feestdagen kwam er witbrood op tafel, en op alle andere dagen was de kleur zwart. Er werd overigens nauwkeurig bijgehouden hoeveel broden er gegeten werden. Als drank kon men zowel bij de middag- als de avondmaaltijd genieten van een kan bier per persoon. Wijn was een edel vocht dat slechts sporadisch gedronken kon worden.

Er werd overigens gelet op overmatig drankgebruik waardoor men slechts gelimiteerd alcohol kon drinken. Vreemd is dat er in 1709 geen sprake was van een gezamenlijk ontbijt. Het zou de mogelijkheid geweest zijn om samen de plannen voor de dag door te nemen of om interne problemen te bespreken. Wie honger had kon naar de keuken gaan en iets te eten vragen. Overigens deed landcommandeur Schönborn even later het ontbijt in de ban. Wie echt iets nodig had, mocht bij uitzondering droog brood in de keuken vragen. Uit diverse rekeningen blijkt welk een overvloed aan vis voor de kleine gemeenschap voorhanden was, iets dat voor de doorsnee burger totaal onbereikbaar was. Er waren allerlei soorten riviervis, haring, labberdaan, stokvis, kabeljauw, tarbot, pladijs, paling, mosselen en zalm. In het jaar 1778 lezen we dat er honderd caracollen of slakken werden gekocht de kloostergemeenschap.

Als we het over vlees hebben, zien we dat er veelal varkens- of rundvlees werd verorberd, maar ook kalfslever, kalfs- of varkenspoten, pensen, worsten en ossentong deden het goed. Men raakte duidelijk niet ondervoed. Populair was ook schaapsvlees en speenvarken. Het laatste werd bij voorkeur tijdens de kermisdagen opgediend. Ook gevogelte zoals, hanen, vinken, lijsters, patrijzen en duiven landden regelmatig op tafel. Slechts af en toe is er sprake van een haas, eend of gans die geconsumeerd werden. Groenten en fruit kwamen uit de eigen tuin en boomgaard. Alleen als de eigen kweek ontoereikend was, werd er aangekocht. Dan ging het vooral om zaken zoals schorseneren, asperges, bloemkool, rode bieten, radijzen, andijvie enz. Men had geen gebrek, dat was overduidelijk.

In 1776 kocht men komkommers om in te maken en at men ook zuurkool, waterkers en champignons. Vanaf het jaar 1775 zien we aardappelen opduiken. De vele gerechten werden met azijn, citroen, nootmuskaat, kruidnagels, folei, rozemarijn, peper, zout en mosterd op smaak gebracht. In brooddeeg werden amandelen, rozijnen en krenten verwerkt. Het was een eetpatroon dat zeker niet tot zwaarlijvigheid leidde, en het zou ook een voorbeeld kunnen zijn voor de veeleters van tegenwoordig.

Met dank aan Historisch Studiecentrum Alden Biesen

Klooster Slavante in 1740 met wijnbergen

Wordt vervolgd

Het priesterconvent van de Nieuwe Biesen in Maastricht in de 17e en 18e eeuw deel twee

Ook in die tijden was het samenleven van verschillende personen onder een dak vaak moeilijk. Mensen hadden b.v. verschillende karakters hetgeen soms leidde tot felle botsingen. Er werden dan ook regelmatig moraliteitsverslagen gemaakt over de in het convent aanwezige priesters. Dat gebeurde in opdracht van de landcommandeur. Zo springen in het begin van de 18e eeuw, het was het jaar 1714, de personen van Peter Vaeckers, Peter van Sichen en Johan Quaedflieg in beeld. Vaeckers moet een arrogant persoon geweest zijn en een ruziemaker, die er een handje van hand om zonder permissie het klooster te verlaten om in de stad allerlei herbergen te frequenteren. Hij was een fervent roker die zich op dat vlak zelfs niet kon beheersen tijdens de gezamenlijke maaltijden. Hij had ook een slechte invloed op de aankomende priesters die hij onder meer aanzette tot roken. Ook het ontvreemden van wijn uit de kelder was hem niet vreemd. Hij dronk deze dan overdag op zijn kamer op. Het was niet echt een voorbeeld van ascetisch gedrag. Toen hij door de landcommandeur berispt werd om zijn gedrag las hij diens brief tijdens een samenzijn onder onbedaarlijk lachen aan zijn medeconfraters voor.

Van Sichen bleek ook geen heilige te zijn. Het celibaat zat bij hem waarschijnlijk in zijn achterzak, want hij had een gezonde belangstelling voor het vrouwelijk schoon. Zo maakte hij een vroegere hulp in de keuken het hof met wie hij volgens “boze tongen” een kind had. Van Sichen was op het gebied van vrouwen een recidivist. In zijn vroegere parochie Bekkevoort had hij bij zijn meid eveneens tot groot afgrijzen van de parochianen een kind verwekt. In het Maastrichtse convent kon hij zijn interesse voor het andere geslacht dan ook niet onderdrukken. Zo nodigde hij de linnenmeid regelmatig op zijn kamer uit om onder het genot van een wijntje elkaars verborgen verleidingen op te sporen. De voorheen vermelde Quaedflieg was in alles in meeloper die zijn beide grote voorbeelden probeerde te imiteren.

Meer dan dertig jaar later was er nog steeds geen rust ontstaan in het klooster. Keukenmeester Charlier werd op staande voet ontslagen en hij kreeg een financieel onderzoek aan zijn toga. In afwachting daarvan mocht hij het gebouw niet meer verlaten. Dat moet een hel geweest zijn! In datzelfde jaar bleek dat priesters niet deden wat ze overeenkomstig hun ambt zouden moeten doen. Ze maakten ruzie terwijl er buitenstaanders aanwezig waren, en gingen met grote regelmaat in de avond- en nachtelijke uren op stap, waardoor ze in de ochtenduren niet in de kerk aanwezig waren. Het ging zelfs zo ver dat ze vrouwen op hun kamer uitnodigden. Er volgden allerlei boetes en men mocht nog maar een keer per week de deur van het convent achter zich dicht trekken. Kamerarrest was ook een optie die gehanteerd werd om deze onverbeterlijke gasten in toom te houden.

Andere priesters die in 1748 met elkaar op de vuist gingen kregen acht dagen opsluiting op hun kamer en zes weken uitgaansverbod opgelegd. Toch was dit gedrag eerder uitzondering dan regelmaat. De meeste conflicten ontstonden door botsende karakters. In 1783 beklaagde sacrist Dewallef zich bij de landcommandeur over het feit dat hij alle koordiensten in zijn eentje moest opknappen omdat er een zieke was en omdat de andere priester,een zekere Wilhelmi, een slecht sujet en een dronkaard was. Wilhelmi werd zelfs de kerk uitgejaagd omdat hij niet aan de hoogmis deelnam. Ook werd de laatstgenoemde ervan beschuldigd dat hij niet kon zingen en hooguit een beetje voor zich uit zat te murmelen. Een jaar later werd Wilhelmi echter door een collega priester als “vlijtig in de kerk” omschreven. Het kon verkeren.

Wordt vervolgd

Nieuwe Biesen

De heren van Borgharen en hun heerlijke rechten deel twee

5 Tolgelden: Aan de grenzen van heel wat heerlijkheden mocht tol worden geheven, hetzij als een soort wegentol, maar ook als belasting op de doorvoer van specifieke grondstoffen zoals zout, en de passage van personen.6 Banrechten: Ingezetenen waren verplicht gebruik te maken van bepaalde voorzieningen die bij de uitbating van de heerlijkheid hoorden. Een typisch voorbeeld daarvan was een banmolen. De landbouwers waren gehouden bij deze water- of windmolen hun graan aan te bieden om het er te laten malen. Dat gebeurde uiteraard tegen een bepaalde vergoeding voor de heer of degene die in zijn naam de molen gepacht had. De molenaar mocht als beloning een hoeveelheid meel , het z.g. “scheploon”, inhouden voor hemzelf. 7 Het recht op herendiensten: Heren konden hun ingezetenen in principe aan het werk zetten. Het betrof daarbij werkzaamheden die de dorpsgemeenschap betroffen, en werk dat specifiek voor de heer zelf moest worden verricht. Pachters die kar en paard bezaten, moesten de heer bij het binnenhalen van de oogst of het hooi, en het vervoer van allerlei zaken ondersteunen. Dat kon in het geval van Borgharen betekenen dat men deze diensten op het kasteel moest verrichten, maar het kon ook inhouden dat pachters goederen moesten vervoeren naar bevriende heren in de buurt, zaken in de stad Maastricht moesten ophalen of deze daar naar toe moesten brengen. Een van deze herendiensten betrof onder meer het het in de gaten houden van de waterhoogtes in de Maas, of het wachtlopen in onzekere tijden. Dat dit niet altijd van harte ging, blijkt o.a. uit het herhaalde verzet van de inwoners van Borgharen tegen het verplichte maaien van de weiden van de heer. Zo spanden b.v. Jan Schellart van Obbendorp als echtgenoot van vrijvrouwe Ursula Scheiffart van Merode in het begin van de 17e eeuw, Philibert van Isendoren à Blois in het jaar 1651, en Jean-Guillaume van der Heyden à Blisia, als “baron van Haeren”, processen aan tegen de gemene onderzaten vanwege het niet verrichten van herendiensten. Van der Heyden was over die weigering van zijn ingezetenen zo kwaad geworden dat hij uit wraak een koe van een van hun in beslag zou nemen.Herendiensten hadden echter ook een bijkomend voordeeltje. De in de regel zeer arme ingezetenen kregen bij die gelegenheid gratis eten en drinken op het kasteel.


8 Het recht van accijns op mout en bier:
De heer had al sinds mensenheugenis het recht om accijns te heffen op het malen van mout en het brouwen van bier. Deze accijns gold voor het binnen de eigen heerlijkheid gebrouwen goedje dat voor de verkoop bedoeld was, alsmede voor het bier dat van buitenaf werd ingevoerd. Ook dit recht zou tot conflicten leiden in Borgharen. Zo oordeelde de Raad van Brabant in 1664 en 1665 dat Philibert van Isendoren à Blois in het geheel geen recht had om impost of belasting te heffen op in Borgharen gebrouwen bier. 9 Het jachtrecht: Het jachtrecht was een van de meest wezenlijke van de heerlijke rechten van de heer. In het jaar 1710 verleende heer van der Heyden à Blisia aan Max Gerlinx als adjudant van de schutterij en aan twee van zijn medeschutters permissie om op verzoek van de inwoners van het dorp op wolvenjacht te gaan in de bossen rondom Borgharen. De inwoners waren verontrust door de geruchten dat er wolven in de buurt waren gezien. Het door jagers in opdracht van de heer geschoten wild moest conform de regels bij de rentmeester ingeleverd worden. Alle daartoe behorende bruikbare zaken zoals vacht of pels werden verkocht. Dat leverde in de regel wat geld op, maar niet erg veel. De jagers van de heer hielden net als de veldbode niet alleen toezicht op mogelijke stropers en loslopende honden, maar ook op vee dat stiekem in de bossen gehoed werd.

Blauwe zaal

De blauwe zaal in het kasteel