Professor Timmers over kasteel Borgharen in 1949

De binnenkant

Het interieur is mede door Charles Servais de Rosen en zijn zoon zeer sterk georiënteerd op de z.g. Lodewijk XVI stijl, waarbij de sobere inrichting van de bovenverdieping uit de tijd van het geslacht van Isendoren à Blois sterk afsteekt tegen de veel levendigere vertrekken in Lodewijk XVI stijl. De Chinese kamer op de bovenverdieping is dan ook met haar sobere en landelijke elementen een overblijfsel van de oudere periode. De zalen op de benedenverdieping werden op het einde van de 18e eeuw aan de nieuwe en meer uitbundige mode aangepast. In de zich in de zuid-westelijke toren bevindende Grote Salon trof Timmers schilderijen aan van de hand van de Luikenaar Pierre-Michel de Lovinfosse, die volgens Timmers geschilderd waren in een pastorale, lichtelijk theatrale trant. In de Rose Zaal hingen toen ook twee gesigneerde ovale portretten van heer Charles Servais de Rosen en zijn vrouw Marie Louise van Buel. De Rose Zaal met zijn doorlopende betimmering van eikenhout, was toen geheel in een rose tint gekleurd. Het oorspronkelijke meubilair was al op een penanttafel na uit deze zaal verdwenen (3). Timmers vond de Blauwe of Ronde Kamer die zich naast de Chambre Romaine bevond in zijn totaliteit wellicht het meest geslaagd. Hij noemde haar een wonder van evenwicht, harmonie en sierlijkheid. Op dat ogenblik was het oorspronkelijke meubilair nog in zijn geheel aanwezig. Hij beschouwde de marmeren schoorsteenmantel echter als een minpunt. Volgens hem oogde hij plomp en was hij dilettantisch van vormgeving. De marmeren schoorsteen in de Chambre Romaine achtte hij echter fraaier en meer “in stijl” dan bij de Blauwe Kamer het geval was. Ook daar was het meubilair toen nog voor een deel in zijn originele samenstelling te bewonderen. Timmers beschrijft als laatste de z.g. slotkapel. Deze was in essentie slechts een zich op de overloop van de grote trap in een muurkast bevindend huisaltaar, dat beschilderd was door de Lovinfosse.

Een eigen huiskapel

Charles Servais de Rosen had in 1784 aan de bisschop van Roermond toestemming gevraagd om er met zijn gezin en zijn personeel de zondagsplicht te mogen vervullen (4). Als argument had hij aangevoerd dat zijn meiden en knechten niets begrepen van de in de parochiekerk gelezen mis. “Tous mes domestiques étant Liégois et sans connaissance aucune de la langue flamande, ils ne peuvent profiter de instructions pastorales”, was de boodschap van de zeer begripvolle heer aan de bisschop. Deze wilde zijn roomse vriend graag ter wille zijn en stond het verzoek toe. Hij maakte, baas boven baas, echter een uitzondering voor de vier grote feestdagen. Op die ogenblikken wilde hij dat de kerk van Borgharen zo veel mogelijk bezoekers kreeg. Op deze dagen moesten alle gelovigen, ook de heer en zijn aanhang, de Grote Herder met een bezoek in zijn eigen huis vereren. “Korte tijd later”, in het jaar 1808, had eindelijk ook de bisschop van Luik tijd gevonden om zijn permissie te verlenen voor het gebruik van de huiskapel. Besluiten nemen duurde nu eenmaal lang, en met had het oh zo druk. Het interieur zou in de loop van de 19e eeuw nauwelijks of geen veranderingen ondergaan. In het jaar 1895 werd er besloten om in de zuidelijke toren een vertrek als archiefkamer in te richten. Deze ruimte is waarschijnlijk door bouwmeester dr.P.Cuypers ontworpen. De kamer kreeg zeer in de geest van de tijd een neo-gothisch aanzien , en was versierd met de wapenschilden van de geslachten die vanaf de 13e eeuw het kasteel bewoond hadden. Waarmee aldus Timmers, de laatste bladzijde uit de jongere bouwgeschiedenis van Borgharen gekeerd was. Timmers kon toen gelukkig nog niet bevroeden wat er in de volgende decennia allemaal tot groot nadeel van het kasteel “verbouwd en ontvreemd”zou worden.

Toen het interieur van het kasteel in het jaar 1926 bezichtigd werd in het kader van een inventarisatie ten behoeve van een voorlopige lijst van monumenten in de provincie Limburg, waren er nog heel wat zaken aanwezig waarvan een deel nu niet meer te zien is. De vestibule was uitgerust met in stuc geprofileerde moerbinten (6), en de eiken trap kende een gesneden trapbaluster. Halverwege de trap was er een soort nis met een altaar waarop zich een schilderij bevond dat Christus aan het kruis voorstelde, en waarop eveneens Maria en Johannes te zien waren. Ook was er nog een schilderij te zien van de schilder de Lovinfosse uit het jaar 1780 dat Maria in een medaillon tussen bloemfestoenen liet zien. In een kamer in de noordtoren hingen rondom schilderijen, waarvan er eentje boven de deur hing die met M. De Lovinfosse gesigneerd was. Tegen de schoorsteen van een van de slaapkamers bevond zich het portret van heer Conrad van der Heyden à Blisia, die ook nog kanselier van de prins-bisschop van Luik en aartsdeken van Brabant was. Ook waren er portretten te zien van de Lovinfosse uit 1785 die de baron en de barones de Rosen uitbeeldden. In een andere slaapkamer bevond zich toen nog een portret dat zeer waarschijnlijk baron de Rosen op jonge leeftijd voorstelde.

De kerk

Op een “Voorlopige Lijst der Monumenten in de Provincie Limburg” uit het jaar 1926, dat verscheen bij de “Algemeene Landsdrukkerij” in Den Haag, wordt de R.K. Kerk van de H.Martinus omschreven als een “georiënteerd modern gebouw” dat op de plaats van de vorige kerk zou staan. Het op dat ogenblik aanwezige doopvont was van Naamse steen. De klokken dateerden uit het jaar 1699. De monstrans waarvan het onderstuk in gedreven zilver was op een verbrede voet, had als versiering twee engelenkopjes en twee beeldjes van heilige Franciscanen. Aanwezig waren ook een kleine vergulde ciborie met een wapen op de voet, en een eenvoudige gedreven kelk met eveneens een wapen op de voet. Het in de kerk aanwezige schilderij over de kruisiging was een kopie naar een werk van de schilder A.van Dijck uit de St.Michielskerk te Gent.

Noten

3 Penanttafel: Console, soort tafeltje.
4 RAL, Maastricht, depot Borgharen, 247 B.
5 Petrus Josephus Hubertus (Pierre) Cuypers (Roermond 16 mei 1827 – aldaar, 3 maart 1921) was een Nederlands architect.
5 Moerbint: Een dragende dwarse balk waarop de vloer rust.
6 Baluster: Een speciaal voor zijn doel vormgegeven sterk geprofileerde zuil of spijl die onderdeel is van een balustrade.

Kerk Borgharren eind 19e eeuw

Kerk Borgharen eind 19e eeuw

Advertenties

De laatste bouwfase van kasteel Borgharen naar prof.dr.J.Timmers

De buitenkant

Deze paragraaf geeft weer wat prof. Timmers gezien moet hebben op kasteel Borgharen, toen hij in 1949 bezig was om zijn artikel voor de “Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg” voor te bereiden. Hij zag toen een volwaardig kasteel dat in allereerste aanleg een donjon was geweest, en begon zijn verhaal met Michel Henri Baron de Rosen die in 1732 door zijn huwelijk met Marie Louise Barones van der Heyden à Blisia het kasteel van Borgharen in eigendom kreeg. De Rosen moet na zijn huwelijk overtuigd geworden zijn van het feit dat er noodzakelijke veranderingen nodig waren om het kasteel in een enigszins acceptabele staat te houden. Het kasteel dat hij in handen gekregen had, was in de twee voorgaande eeuwen qua uiterlijk al sterk veranderd. Rondom de oude burchttoren en deels op de rondom deze toren in een ovale lijn gelegen oude walmuren, was in de 16e en 17e eeuw een kasteel ontstaan dat niet langer een defensieve uitstraling bezat, maar dat er meer uitzag als een renaissance-paleis dat in een bekoorlijke omgeving gelegen was. Een plek waar men normaliter op aangename wijze zijn tijd kon doorbrengen. Zoals we eerder hebben kunnen lezen was het in hoofdzaak Herman Scheiffart van Merode die in de jaren 1555 tot en met 1558 de oorspronkelijke burchttoren tot een volwaardiger kasteel heeft getransformeerd. Hij liet het kasteel in omvang toenemen, en liet een zomerhuis timmeren dat door water omgeven was. Hij zorgde er ook voor dat er een van kettingen voorziene ophaalbrug gemaakt werd. Bij de uitbreiding van het kasteel zal het vermoedelijk gegaan zijn om een nieuwe aan de zuidwestzijde gelegen buitengevel die op de metersdikke uit ruwe steenblokken gemetselde walmuur kwam te staan. Deze buitengevel werd opgetrokken uit mergelblokken. Waarschijnlijk ontstond in deze periode ook de grote topgevel aan de achterkant van het kasteel. Volgens Timmers is het niet waarschijnlijk, dat de vier andere topgevels die in de 18e eeuw nog de buitengevel bekroonden uit de 16e eeuw stammen, omdat deze een meer barokke uitstraling vertonen. Heer Herman bouwde en verbouwde overigens ook na het jaar 1558 nog driftig verder aan zijn kasteel. Zo kocht hij rond het jaar 1560 achtduizend bakstenen die zeer waarschijnlijk verwerkt zijn in de bovenstukken van de beide zijtorens.

Timmers zegt niet te weten hoe de voorgeve die voornamelijk gevormd werd door de noord-oostwand van de oude burchttoren er uitzag. Op het einde van de 15e eeuw is er al sprake van een voorplein, dat omgeven werd door stallen, een schuur, en de pachters- en rentmeesterswoning. Deze gebouwen werden zeer waarschijnlijk in de tweede helft van de 17e eeuw door Philibert van Isendoren vernieuwd. In een van de buitenmuren is immers een steen met zijn familiewapen te zien . De nieuwe gebouwen werden opgetrokken uit Naamse steen waarin schietgaten te bespeuren zijn. De naar het plein gekeerde gevels bestonden uit rode baksteen die met mergelbanen afgewisseld werden. Deze gebouwen omringden drie kanten van het vierkante voorplein. De vierde zijde bestond uit de voorgevel van het kasteel zelf. De recht daartegen over liggende vleugel had een poort die toegang verleende tot een brug van mergelsteen die met twee bogen over de slotgracht lag. Liep men toen de brug over dan kwam men op een tweede rechthoekig plein dat de economiegebouwen omgaf. De hoofdpoort van het kasteel bevond zich in die tijd in de naar het zuid-oosten gekeerde korte zijde. Het interieur van het toenmalige kasteel moet van een zeer grote eenvoud geweest zijn. De binnenmuren van de oude burchttoren waren in zijn geheel afgebroken, waardoor er een grote ruimte was ontstaan die de hal vormde. Vanuit deze hal leidde een een zware eikenhoutentrap naar de eerste verdieping. De zalen waren ruim en van hoge plafonds met wit pleisterwerk voorzien. De vloeren moeten van steen of eiken planken geweest zijn, en de zoldering van hout. De grote zich direct achter het voorhuis bevindende grote zaal kreeg zijn licht door vier ramen en herbergde een grote haardstede. Was het er gemoedelijk en lekker warm? Ik denk van niet. Vrijwel elk comfort zal ontbroken hebben, en de enigste plek waar het een beetje uit te houden moet zijn geweest, moet dan ook de omgeving van de open haard geweest zijn. Volgen Timmers is het de grote verdienste van het geslacht de Rosen geweest dat zij de eens somber ogende burcht hebben weten te veranderen in een bewoonbaar complex met een paleisachtige allure.

De bouwkundige veranderingen zouden in het laatste kwart van de 18e eeuw door Charles Servais de Rosen voortgezet worden. Als eerste haalde hij de frontgevel met poort die het kasteelplein afsloot weg. Het kasteel, bestaande uit een hoofdgebouw en twee lagere vleugels die aan de rechter- en linkerzijde loodrecht op het hoofdgebouw aansloten, deed nu denken aan een z.g. Frans “Hôtel”.
Deze verandering behoeft geen verwondering te wekken. Charles Servais de Rosen had zijn studies Frankrijk gevolgd en moet er ongetwijfeld inspiratie voor zijn aan het kasteel gedane bouwkundige aanpassingen hebben opgedaan. Wellicht moet hij onder de indruk zijn geweest van dit soort behuizingen, die hij in nu eenmaal in Frankrijk al vele malen had kunnen zien. De adellijke familie had vanaf nu vanuit het hoofdgebouw een vrij uitzicht op de economiegebouwen. Het plein langs de gracht werd echter nog afgewerkt met een hoog ijzeren hek, zodat het idee van een omsloten huis overeind bleef. De monumentale toegangspoort werd geflankeerd door twee pijlers van Naamse steen waarin Charles Servais de Rosen de blazoenen van de familie de Rosen en die van van der Heyden à Blisia liet aanbrengen. Dat de veranderingen volgens Timmers niet altijd als verbeteringen aan te merken zijn, blijkt volgens hem uit het feit dat niet alleen de barokke spits van de middentoren verdwenen was, maar dat ook de 16e eeuwse topgevel op de zuidkant werd gesloopt. De achterzijde van het gebouw verkreeg daardoor de huidige horizontale gootlijn. Het was een knieval voor de toen heersende 18e eeuwse zakelijkheid. Een benadering die nog verder werd doorgevoerd in de uiterlijke kenmerken. De voorgevel werd eveneens zeer grondig onder handen genomen en met een nieuwe laag mergelsteen bekleed, terwijl de ramen met Naamse steen omkleed werden. Het langs het gehele hoofdgebouw lopende bordes gaf met zijn dubbele stenen trap toegang tot het gebouw. Wie de voorgevel ontworpen heeft is niet bekend. In het eerste kwart van de 19e eeuw werd de bekroning van de torens gewijzigd en wellicht ook iets verhoogd. De windvanen laten de jaartallen 1821 en 1822 zien. De nieuwe pachthoeve werd op het einde van deze eeuw gebouwd op het terrein van de ten zuid-oosten van het kasteel gelegen tuin. Daarbij werd een groot deel van de uit de 17e eeuw daterende economiegebouwen gesloopt. Slechts de lange dwarsvleugel tegenover het kasteel en de helft van de daar rechthoekig bij aansluitende delen bleven behouden. Ook het oude poortgebouw verdween. Het werd vervangen door een iets meer naar het zuid-oosten liggend nieuw gebouw. In de nieuw ontstane ruimte werd een park in Franse stijl aangelegd. Toen het middendeel van de tegenover het kasteel liggende economiegebouwen een paar jaar voordat Timmers zijn artikel schreef instortte, werden deze gesloopt. Dat leidde ertoe dat het doorzicht op de daarachter gelegen tuinen vrijkwam.

De Wiegershof te Borgharen

De hoeve Wiegershof werd in de 17e eeuw gebouwd op een terrein dat oorspronkelijk in zijn geheel omgracht was. In deze periode was het goed “Wingartshof” in het bezit van Philibert van Isendoren à Blois, de heer van Borgharen. In oorsprong is het een omsloten omgrachte hoeve geweest. De bouw van het huidige complex geschiedde in opdracht van Charles Servais de Rosen, naar een ontwerp van de Maastrichtse bouwmeester Matthias Soiron. Enkele ontwerptekeningen van de hoeve zijn bewaard gebleven in een tekenalbum van Soiron dat zich nog steeds in het RHCL te Maastricht bevindt. Men vermoedt dat de locatie van de Wiegershof in het midden van de 16e eeuw oorspronkelijk de residentie van Herman Scheiffart van Merode moet zijn geweest. Laatstgenoemde liet deze buitenresidentie later aan zijn bezittingen toevoegen. De gebouwen van de Wiegershof zijn op symmetrische wijze om een binnenhof gegroepeerd, die bereikbaar is langs een poortpaviljoen dat aan de veldzijde met een hardstenensegmentboog is omlijst.

De sluitsteen in deze poort is gedecoreerd met de wapens van de families De Rosen en Van Buel, alsmede met het jaartal 1796. Aan weerszijden van het poortpaviljoen bevinden zich lage verbindingsvleugels die naar de beide zijvleugels leiden. Het woongedeelte is aan de linkerzijde ondergebracht en aan de rechterkant bevindt zich een schuur. Het woonhuis telt twee verdiepingen en een zolderverdieping. Verder heeft het woonhuis toegangsdeuren in de voor-en achtergevel en ovale lichtopeningen van mergel, terwijl aan de achterzijde ook enkele kloostervensters met hardstenen omlijstingen zijn aangebracht. Boven de deur van het woonhuis bevond zich in 1926 nog een klein ovaal bovenlicht met vier sluitstenen. Aan de buitenkant van de noordvleugel zag men een grote schuur met een halfrond gesloten poort, boog en rechtstanden van Naamse steen. De ingang aan de oostzijde bezat toen een klein vierkant poortgebouw met een mansardedak, waarop een gesmeed ijzeren windijzer te zien was.

Borgharen Hoeve Wiegershof 70 JP

Hoeve de Wiegershof

Kasteel Borgharen, gebouwelijke situatie deel 1

De hierna volgende informatie is in hoofdlijnen afkomstig uit het “Cultuurwaarden Onderzoek” dat de gemeente Maastricht in 2012 in concept door P.Hermans, P.van der Gaauw (Gemeente Maastricht), en N.van der Voet (Buro de Brug b.v.) liet verrichten. Daar waar ik dat nodig vond, heb ik de tekst aangepast en met extra informatie aangevuld (1).

De watermolen
De uit de 17e eeuw daterende voormalige graanmolen bevindt zich aan de Bovenstraat 12 in Borgharen. In de archieven vinden we in de rentmeestersrekeningen al door Ursula van Merode en haar echtgenoot verleende pachtovereenkomsten van deze molen. Daaruit moeten we afleiden dat de molen er al voor het jaar 1600 geweest moet zijn (2). De molen lag vlak bij de tussen de dorpsweg en de Maas gelegen Nieuwe Kanjelbeek, en werd gevoed door het beekje de Kanjel dat zijn water kreeg van de Geul. De uit mergelsteen gebouwde watermolen bevatte, behalve woonvertrekken, een onderbouw opgetrokken uit Maaskeien en Naamse steen, en was afgedekt met een leien dak. Het water liep aan de achterzijde langs de molen waar zich een houten waterrad met een diameter van 5,60 m en een breedte van 0,72 m bevond. Het rad was voorzien van een kleine krop en het houten gangwerk was uitgevoerd als een onderaandrijving met een houten maalstoel, voorzien van twee koppelstenen.De graanmolen van Borgharen behoorde tot het jaar 1951 tot de goederen van het kasteel van Borgharen, maar werd al omstreeks het jaar 1940 buiten werking gesteld, waarbij ook het rad verwijderd werd. Met het molenrad zou ook de beek verdwijnen. Deze werd namelijk verlegd. De ongeveer 4, 5 km lange Kanjel ontspringt op het landgoed Mariënwaard, en stroomt langs de bebouwde kom van Limmel richting Borgharen. Net voorbij de onderleider bij het Julianakanaal splitst de Kanjel zich in twee afzonderlijke takken. De Nieuwe Kanjel mondt bij Borgharen uit in de Maas. Het was deze tak die de voormalige graanmolen van waterkracht voorzag. De andere tak wordt de Oude Kanjel genoemd, en deze loopt door het noordelijker gelegen dorp Itteren, waar ze in eerste instantie samen gaat met de Geul, alvorens ten noord-westen van kasteel Hartelstein in de Maas uit te monden. In het jaar 1951 verkocht Jeanne barones de Selys Longchamps de molen aan Petrus Anselmus van SintFiet, die tot dan toe de molen in pacht had gehad. De molen, die toen op de voorlopige monumentenlijst stond werd in hetzelfde jaar maar ook nog in 1964, verbouwd met behulp van subsidies die via het rijk verkregen waren. Twee jaar later werd ze officiëel geregistreerd als rijksmonument. Het leiendak werd in die periode vervangen door een pannendak, zodat alleen de dakkapellen nog uit leisteen bestonden.

De kasteelboerderij

Deze hoeve, gelegen aan de Kasteelstraat nr.2, maakte van oudsher deel uit van het kasteel van Borgharen. De kasteelboerderij stamt uit de zeventiende eeuw en had tot in de negentiende eeuw een U-vormig grondplan. De kasteelhoeve werd, zo blijkt uit de rentmeestersrekeningen, vanaf het jaar 1657 tot 1872 voortdurend verpacht. Dat ging niet altijd zonder de nodige strubbelingen. De zijvleugels reikten toen nog tot aan de slotgracht, hoewel het hoofdaccent op de middenvleugel gelegen was.Tot het einde van de negentiende eeuw kon men alleen maar toegang verkrijgen tot het kasteel via de laan die door de poort van deze hoeve naar de brug over de slotgracht leidde. In 1895 werden de zijvleugels van de hoeve ingekort en werd ook de vervallen middenvleugel geheel afgebroken. Daarnaast werd de toegang van het kasteel en de boerderij naar de Kasteelstraat verlegd. De hoeve kreeg toen een nieuw poortgebouw en aangrenzend aan de poort, vlak langs de Kasteelstraat, werden nieuwe paardenstallen en een grote voorraadschuur gebouwd.

1 Itteren en Borgharen Cultuurwaarden onderzoek 2012, pgs.25 en verder.
2 Archief Kasteel Borgharen, nr. 116, Fragment van een register van pachtovereenkomsten der heren van Borgharen en enkele akten betreffende de visserij en de molen aldaar 1601, 1604.

img-126133116-0001
Kasteelboerderij in restauratie eind 19e eeuw

Borgharenaren blij met nieuwe kasteeleigenaren

Slapen in Romeinse kamer

Het dorp was in het algemeen blij met de bewoning, en alle klassen van de lagere school mochten evenals vele oudere inwoners om beurten een kijkje gaan nemen op het kasteel. Harmonie St.Cecilia mocht ter gelegenheid van haar 80 jarig bestaan een concert geven op het kasteelplein, en er bestonden plannen om het kasteelpark tot wandelpark om te toveren. De Maastrichtse plantsoenendienst zou dan als tegenprestatie voor het onderhoud zorgen. Daarmee waren de Veenhuizens van een zware last bevrijd. Toch heeft het echtpaar het idee dat de mensen hun niet goed kunnen plaatsen. Het lijkt wel alsof ze denken dat we de lotto gewonnen hebben. Het tegenovergestelde is echter waar. Veenhuizen maakt zelf de broekjes voor zijn kinderen en repareert wel eens de kleding van mensen die op het kasteel werken. We leven erg sober, zegt hij. Hij kijkt wel eens met grote ogen van verbazing naar zijn huurders die zomaar hele broden weggooien of ongeopende conservenblikken in de vuilnisbakken deponeren. Er is veel veranderd op het kasteel sinds de komst van de Drentenaren. Het hek is gerepareerd, en de eigen watervoorziening die is aangesloten op een twintig meter diepe bron functioneert gelukkig ook weer. Er is ook verwarming aangelegd en de electrische leidingen zijn vernieuwd. Tijd om stil te zitten gunnen Hesder en Henny zich nauwelijks. Toch genieten ze zichtbaar van al het fraais, en als er gasten komen logeren die in de rose kamer in een fraai rijk van houtsnijwerk voorzien hemelbed. Zelf slapen ze in de geheel in Louis XVI stijl ingerichte blauwe salon, die eens de kamer was van de barones. De kinderen slapen in de Romeinse kamer van de voormalige baron.

Vele problemen, vele kopzorgen

De Veenhuizens zijn er nog lang niet. Elke dag lopen ze tegen problemen aan van allerlei aard. Vooral het gehannes met allerlei wetten en voorschriften bezorgt hun dagelijks vele hoofdbrekens. Ze hebben heel wat teleurstellingen moeten incasseren en voelen zich een beetje de zetbaas van de Nederlandse Staat. Pas geleden nog dachten ze er in een zwak moment over om een kasteeltje in Frankrijk te kopen. Dat kon daar makkelijk voor weinig geld. Ze hebben het maar uit hun hoofd gezet, en willen blijven vechten voor hun kasteel van nu! Hun eigen grote antiekverzameling zou dan ook een deel van de vertrekken gaan vullen.
Hoe de opstartfase verder precies verlopen is, is me niet helemaal duidelijk. Helder is wel dat hij drie jaar na zijn aantreden heibel kreeg met de bewoonster van een van de kamers, een zekere Mirjam van Asten. Het Limburgs Dagblad kwam op 21 februari met de kop: “Mirjam van Asten na kort geding terug in haar kamer. Kasteelheer heeft geen been om op te staan”, zo luidde de kop van het artikel van journalist George Taylor. “Goeden morgen, zei gisteren Dirk de Vroome, toen hij temidden van zijn meegebrachte „spierballen” plaatsnam in kamer 26 van het Maastrichtse paleis van justitie. En hij boog minzaam in de richting van president mr. Paulussen, die bezorgd vroeg of er genoeg plaats was. Elders moesten de heren met een staanplaats genoegen nemen. Mr. Paulussen fungeerde als president in een kort geding, dat aanspannen was door mejuffrouw Mirjam van Asten, die in de nacht van de tweede februari j.l. geen toegang kreeg tot de door haar gehuurde kamer in kasteel Borgharen. De eigenaar van dit kasteel, de heer H. Veenhuizen, was niet gediend van het door mejuffrouw van Asten geproduceerde nachtelijke lawaai en had ook bezwaren tegen het feit dat ze haar vriend mee wilde nemen naar haar kamer. Mr. Paulussen constateerde van stond af aan, dat de heer Veenhuizen geen been had om op te staan, omdat er ook nog zoiets als huurbescherrning is. „Eigen recht plegen, mag nu eenmaal niet, al dan niet hardhandig. U moet dat schriftelijk via de gebruikelijke rechterlijke kanalen laten lopen, als u een huurder niet verder in uw kasteel wenst”. Waarmee in feite vaststond, dat er geen vervolg zou komen op dit kort geding, dat president Paulussen indien nog nodig, volgende week dinsdag om tien uur zou hervatten. Op vastenavond nog wel. Mirjam van Asten krijgt weer de beschikking over haar kamer. De heer Veenhuizen heeft daar geen bezwaar meer tegen na de wijze woorden van de president.

Uitzetting bewoners kasteel

De eigenaar van het kasteel Borgharen zal overigens uiterlijk 1 augustus a.s. alle „huurlingen” het kasteel hebben zien verlaten. Het kasteel is afgekeurd voor bewoning vanwege de slechte lichtinval en onvoldoende brandpreventie. De daarvoor benodigde maatregelen mogen niet getroffen worden, omdat het kasteel een „eerste klasse monument” is, en er van monumentenzorg niets aan gedaan mag worden. „Het was zo een leuke combinatie, daar op Borgharen. Er zijn ongeveer veertig mensen in woonachtig. Er is een klein leerfabriekje, waar drie mensen in werken. Er is door Mosam een opnamekamer gebouwd à raison van een halve ton of misschien wel meer en de huurders waren over het algemeen jeugdige personen. Hetgeen soms een overvloed van lawaai in zich herbergt. Jeugd moet zich kunnen uiten en als nu maar iedereen beseft, dat men allemaal wat dat betreft wel eens aan zijn trekken wil komen, moet komen zelfs, dan is zo een uitzetting zoals Mirjam van Asten beleefde eigenlijk tegen het normale leefpatroon in zo een appartementenkasteel. Ook de daarover geuite klachten. President mr. Paulussen wilde niet ingaan op de omstandigheden, waarop Mirjam van Asten was tegengehouden. En of daar, om het met Dirk de Vroome te zeggen, spierballen bij aanwezig waren geweest als een soort latente bedreiging. Hij vond, dat het hoog tijd werd dat Mirjam van Asten weer de beschikking zou krijgen over haar kamer. Heen en weer zwalken is ook niks voor een meisje, dat aldus de president er niet uitziet alsof ze tot veel afkeurenswaardig lawaai in staat is. Om vervolgens een beetje filosoferend te eindigen met: “Maar ja, men kan niet overal doorheen kijken”. In ieder geval keert Mirjam van Asten terug naar haar kamer waar haar spullen nog staan. Ze zoekt zo snel mogelijk een ander onderkomen, want de sfeer is tussen haar en eigenaar Veenhuizen toch „verpest”. Op 1 augustus heeft kasteel Borgharen geen enkele appartementshuurder meer. Dirk de Vroome en zijn „spierballen” sudderden nog wat na op de trappen van het justitionele paleis. „We zijn hier als steun in de rug voor Mirjam. Het recht zal zijn beloop hebben”, riep Dirk uit, „met geweld bereik je niets”. En zo is het”.

In het boekwerkje “Kastelen in Limburg’, dat in 1975 verscheen, noteerde de auteur, oud-archivaris de Win, dat het “het huis Borgharen in redelijke staat verkeert” (2). Volgens de Win, was “dat de op één na hoogste kwalificatie die de Stichting Kastelen toekende aan dergelijke gebouwen. Er zit dus nog perspectief in de onderneming van het sympathieke Drentse echtpaar, dat nu zetelt in een kasteel dat tot de fraaiste in den lande gerekend mag worden. Deze optimistische uiting werd echter snel achterhaald door een schandalige vernieling van lokaal en nationaal erfgoed op kasteel Borgharen in deze periode.

Noten
1 Dirk de Vroome:Dirk de Vroome (Amsterdam, 6 november 1925 – Roermond, 9 mei 1986) was een Nederlands actievoerder. Zijn bijnaam was de Rooie Reus. De Vroome nam het op voor mensen die in zijn ogen het slachtoffer waren van onrecht. Meestal verscheen hij in een rode toga voor de rechtbank als hij iemand verdedigde.
2 J.de Win: Kastelen in Limburg, Hoensbroek, Rosbeek, 1975, 112 pgs.oplage 6000 stuks.

Hesder Veenhuizen is zuinig op banken

Kasteelheer Veenhuizen in volle glorie, inclusief fles curry en jukebox, een iewat vreemde combinatie voor een “adellijk” heer

Drents antiekhandelaar op kasteel Borgharen deel 2

Trouw over de Veenhuizens

Ook het dagblad Trouw besteedde op 15 augustus 1977 aandacht aan deze ondernemende Drenten. Journalist Fred Lammers vertelde in de krant hoe de Veenhuizens zich inzetten voor hun kasteel:
“De meeste kasteelbewoners hebben de deur van hun imposante behuizing voor goed achter zich dichtgetrokken. De adellijke families die hun voorvaderlijke woonplaatsen trouw zijn gebleven, proberen met kunst en vliegwerk de zaken reilende en zeilende te houden. Onder deze omstandigheden doet een jong gezin met een stamboom zonder klinkende namen en evenmin bemiddeld dat vrijwillig. Dat ze in een van Nederlands oudste kastelen trekken, doet menigeen met de ogen knipperen. Wat brengt iemand ertoe zich de zorgen verbonden aan het bewonen van zo een historisch bouwwerk op de hals te halen? Deze vraag wordt herhaaldelijk gesteld aan Hesder (36) en Henny (32) Veenhuizen, die anderhalf jaar geleden hun schilderachtige boerderijtje aan de Hondsrugroute in Borger verwisselden voor het uit de achtste eeuw (!)daterende kasteel Borgharen bij Maastricht. „Hoe is het mogelijk? Waar beginnen jullie aan? Wat een werk, wat een werk, riepen onze familieleden en vrienden uit. Nu, wij zagen ook dat het een zware opgave was een verwaarloosd kasteel weer bewoonbaar te maken. Maar je moet door de rommel heen kunnen kijken. Je moet durven, en daar ontbreekt het de meeste mensen tegenwoordig aan. Als je risico’s wilt nemen is er ook in 1977 nog veel mogelijk.”

‘Er zijn tal van mensen die op een flatje zitten en daar niet gelukkig zijn omdat ze graag met de kinderen naar buiten zouden willen gaan. Maar het blijft bij erover praten dat ze weg willen. Daar schiet je niets mee op. Je moet het op een gegeven ogenblik ook doen, meent Hesder. Henny vult aan: „Je moet er veel voor over willen hebben”. Op vakantie gaan we nooit. Als wij dure vakanties hadden willen hebben, hadden wij dit kasteelplan ook wel kunnen vergeten. Daarom moet je van tevoren weten wat je doet. Je moet beseffen dat je veel moeilijkheden staan te wachten. Je moet het als man en vrouw allebei volledig willen, zodat je elkaar geestelijk kunt steunen als een van beiden in de put zit. En die ogenblikken waarop het huilen je nader staat dan het lachen zijn er maar al te vaak. Je moet midden in de rommel willen stappen en van daaruit gaan werken. Voor werken zijn de Veenhuizens nooit bang geweest. Ze hebben zich ook nooit iets aangetrokken van wat anderen van hun doen en laten vonden”.

Gehuwd in 1965

De Veenhuizens waren in 1965 getrouwd en gingen daarna in een zomerhuisje wonen. Er was daar geen waterleiding. Dat probleem loste Hesder op door elke dag een melkbus mee te nemen naar zijn werk, om die gevuld met water weer mee terug te nemen. Hesder was al vroeg door zijn ouders bij een kleermaker als hulpje ondergebracht. Hij leerde daar het vak, maar uiteindelijk kon het hem niet blijvend boeien. Korte tijd later verhuisden ze naar Groningen waar ze een oud vervallen pand kochten. Ze knapten het op en verhuurden het deels aan studenten. Op de beneden etage begonnen ze een winkeltje in Indiase kleding en kleingoed, en verkochten nog melkbussen toe. Nadat hun jongste kind geboren was, kwam het idee op om naar het platteland te verhuizen. Ze kochten een boerderijtje, en namen een hypotheek op. Dat konden ze doen omdat hun huis in Groningen in waarde gestegen was. Ze zouden er vier jaar blijven wonen. Ze hadden het krotachtige bouwsel volledig opgeknapt, waardoor het in een van de mooiste en schilderachtigste Drentse boerderijen was veranderd. Ze waren niet ontevreden, maar hadden moeite met het feit alsof het leek dat ze op die plek verankerd waren. Ze stapten naar een makelaar met het idee een groot herenhuis te kopen. De makelaar kwam echter op de proppen met een kasteel in het verre Borgharen. De Veenhuizens vonden het een kolossaal gebouw, maar wel erg mooi, al was het in hun ogen sterk vervallen. Eigenaar de Cocq die er toen inzat, kon de lasten niet meer opbrengen en was er uit getrokken. Volgens Veenhuizen had de jeugd van Borgharen het kasteel net “ontdekt” toen zij arriveerden, want de eerste ruiten waren op dat moment al gesneuveld. Een kasteel was natuurlijk heel iets anders dan het door hun beoogde herenhuis, maar erg lang nadenken hoefden ze niet, toen ze het inclusief anderhalve hectare grond van de exploitatiemaatschappij die er op dat ogenblik eigenaar van was kochten. Het zou een hele onderneming worden en alle met een kasteel verbonden romantiek moest maar heel gauw vergeten worden. Ze moesten de zaken op een moderne wijze aanpakken, en verhuurden een deel van het kasteel aan werkende jongeren. De belangstelling was zogezegd overdonderend. De jongeren die er wilden gaan wonen, moesten overeenkomstig de door hun opgestelde voorwaarden zelf hun appartement geschikt maken voor bewoning. Hesder Veenhuizen zou vervolgen voor de materialen zorgen. Dat verliep allemaal in een prettige sfeer, en op het moment van het interview in dagblad Trouw had Veenhuizen in totaal 25 jongeren in huis. Gelukkig waren er waren strenge huisregels, drugs waren helemaal uit den boze, en na 12 uur ’s-nachts was lawaai maken verboden.

Hesder Veenhuizen restaureert dak kasteel.jpg

Hesder Veenhuizen restaureert het dak

Drents antiekhandelaar betrekt kasteel Borgharen 1

De familie Veenhuizen

Op 4 juni 1976 bracht het Nieuwsblad van het Noorden groot nieuws over Borgharen. De krant deed dat in een reuzenartikel van de hand van de journalist Henk Hielkema onder de kop: “Rendabel maken met antiek handel”, “Drents echtpaar trekt in kasteel. Hoe voelt het om te wonen in je eigen kasteel? Hesder,35 jaar oud, en Hennie 31,Veenhuizen uit Bronneger, gemeente Borger, kunnen er binnenkort antwoord op geven. Het jonge Drentse echtpaar verhuist met hun kinderen Gideon (9), Jedidja (7) en Hizcia (6) over een maandje naar het zuiden van Limburg. Vlak bij Maastricht aan de Maas hebben ze enkele maanden geleden in het dorpje Borgharen een groot kasteel gekocht. De heer Veenhuizen is door de week al een tijd in Borgharen aanwezig om het gigantische bouwwerk voor de verhuizing wat op te knappen. Het paleisachtige gebouw beslaat een halve hectare en heeft ruim honderd kamers. Een gracht en een groot park omringen “Borgharen”. Waarom een kasteel? De heer Veenhuizen: “Het begon als een grapje. Wij hebben hier in Bronneger een antiquiteitenhandel opgezet met kasten en kisten. Op een gegeven moment konden we al die kasten niet meer bergen. Goed, de makelaar erbij gehaald en gevraagd om iets groters. Nou, en hij had nog wel een of ander kasteel te koop”.Dorpelingen blij. De Veenhuizens gaan een gedeelte van het kasteel bestemmen voor hun handel. Het is de bedoeling dat een hele verdieping zal bestaan uit één antiquiteitenzaak. Met een stuk of zes collega’s heeft de Drent al contacten gelegd. „Ja, om in zo’n groot gebouw te kunnen wonen, moet je natuurlijk wel zorgen, dat het zijn rendement oplevert,” aldus de heer Veenhuizen. Zo wil hij het rentmeestershuis verpachten aan iemand die er een hotel-restaurant in wil vestigen. Gedeelten van het kasteel en het gehele park wil de nieuwe eigenaar open stellen voor het publiek. “Iedereen in het dorp is razend enthousiast, zegt hij, de dorpelingen vinden het prachtig dat Borgharen na lange tijd weer tot leven komt”. Vele Limburgers helpen de kasteelheer met het grote karwei om de tuin te fatsoeneren en de gracht schoon te maken.Veenhuizen zegt daarover: “Als die gracht schoon is, mag iedereen er voor mijn part in vissen”. Daarna wil hij het interieur en het dak een onderhoudsbeurt geven. Vijfentwintig jaar lang is er niets aan gedaan. Kennissen en vrienden van het ondernemende echtpaar verklaren ze “niet goed snik”, als ze horen van het kasteel. Hesder Veenhuizen: “Nu zeggen ze, hoe durf je, maar over een jaar of vijf zeggen ze, hoe is het mogelijk. Kijk eens, als kruidenier of melkboer hoef je niet aan een eigen kasteel te beginnen. Het gaat erom, dat je dat ding rendabel maakt. In mijn vak zie ik die mogelijkheden. We willen dat Borgharen een centrum wordt van antiquiteit”.

Een degelijk bouwwerk

Overigens blijkt kasteel Borgharen een beschermd monument te zijn. Een degelijk stuk bouwwerk, dat bestaat uit een hoofdgebouw en twee enorme zijvleugels. Het interieur is in vele kamers intact gebleven inclusief de grote wandschilderingen. Mevrouw Veenhuizen heeft ondanks de hoeveelheid kamers en zalen niet lang hoeven na te denken waar ze met het gezin straks zal wonen: “Het klinkt misschien gek, maar we gaan in één van de kelders wonen. Dat lijkt me ontzettend romantisch. Net een sprookje. Het leek me eerst wel leuk om in zo’n grote kamer te zitten. Maar dat zal toch wel wat onwennig voelen. Dan moet je eigenlijk ook middeleeuwse kleding dragen. In zo’n zaal zullen we straks zo af en toe enkele uurtjes op een avond zitten.De meeste kamers wil het echtpaar met antiek inrichten. Voor originele kroonluchters in het kasteel betaalden de Drenten ongeveer tweeduizend gulden. In het nostalgisch aandoende dorpje zal het verleden van Borgharen na de komst van het echtpaar herleven. Of zoals mevrouw Veenhuizen het uitdrukte: “We trekken in dat kasteel en voelen ons beiden enorm met het verleden verbonden. De jonge kasteelbewoners kwamen tijdens één van de vele ontdekkingsreizen door de ontelbare kelders in aanraking met mummies. Veenhuizen: “We liepen door een van die kelders en op een gegeven moment trek ik aan een kist en ineens gaat de deksel open en rolt een lijk op de grond. In het kasteel werden vroeger mijnwerkers en gastarbeiders ondergebracht. Vermoedelijk heeft een van die mensen de deur naar de grafkelder van het kasteel geforceerd. Overal lagen beenderen door elkaar. We troffen zelfs lege kinderlijk kistjes aan. Kasteel Borgharen is nu particulier eigendom geworden van een antiquair, die jaren geleden in een klein zaakje aan de Eeldersingel in Groningen met zijn handel begon. De heer Veenhuizen: “Ik voel me nu echt geen kasteelheer. Voorlopig is het alleen keihard werken. Dan commercieel zijn en pas over een jaar of vijf zal het ongeveer zo zijn, als ik het wil hebben. Ik voel me pas eigenaar van dat kasteel als ik het rendabel heb gemaakt, eerder niet. In het Drentse Bronneger verlaten de Veenhuizens trouwens ook geen alledaagse woning. Zo’n zes jaar geleden begonnen ze met het opknappen van een oud herdershuisje met een schaapskooi. Het vervallen bouwsel werd volledig gerestaureerd en is langs de Hondsrugroute een veelbekeken huisje. Geen heimwee naar Drenthe? Mevrouw Veenhuizen: “Geen denken aan. Wij en onze kinderen verheugen ons op het kasteel. Het is een ongewone belevenis om daarin te kunnen wonen. Het is uitdagend mooi. En haar man: “Ik hoop ooit nog eens zo’n karper uit die gracht te vissen. Die schijnen ongeveer zestig jaar oud te zijn”. Laten we hopen dat het hem niet gelukt is.

Het echtpaar Veenhuizen

Op de foto het echtpaar Veenhuizen

Surinamers in kasteel Borgharen

Stavenisse was volledig van de wap

Op 10 september 1975 kwam het Dagblad van het Noorden met het bericht dat er Surinamers in het kasteel gevestigd zouden worden. Deze hadden volgens plan eerst in het Zeeuwse Stavenisse gehuisvest moeten worden. Dit dorp was door deze plannen helaas zo danig van streek geraakt, dat het weigerde deze mensen op te nemen. De plaatselijke oud-gereformeerde dominee J.Van Prooijen verwoordde het lijden van zijn parochianen als volgt: “ We hebben hier eerst de oorlog gehad, toen de watersnoodramp van 1953, en nu de Surinamers nog”. Veel meer kon er niet meer bij, en het dorp had dan ook grote emotionele bezwaren tegen de komst van de voormalige rijksgenoten. Ze verwachtten naar eigen zeggen “moord, dood en diefstal”. De directie-secretaris van makelaarskantoor Verlingen uit Amsterdam deed echter alsof zijn neus bloedde toen hem door de krant gevraagd werd of de nieuwe eigenaar van het kasteel, in dit geval vastgoedbedrijf CRM, hem het aanbod had gedaan om Surinamers op het kasteel te plaatsen. De bij alle onheil in de wereld betrokken linkse zender de VARA, was inmiddels met opzet naar het in hun ogen uiterst verdorven Stavenisse getogen om daar hun befaamde vrolijke Rode-Cirkel spel te gaan spelen.

Maar de zender zag daar op het laatste ogenblik in allerijl vanaf, nadat VARA spelleider Frits Bom vanuit het opstandige dorp had laten weten dat hij volslagen onpasselijk was geworden van de door de Zeeuwen op de hoorzitting gemaakte opmerkingen over Surinamers. Letterlijk zei de latere “vakantieman” over de Zeeuwen: “Dit zijn geen mensen, en dit is geen sfeer waarin zo een vrolijk spel opgevoerd kan worden”. Dat was pas nieuws, en volgens Bom kwamen de Zeeuwen dus van een andere planeet. De PvdA-er reisde linkse tranen plengend als een geslagen hond af. Een paar dagen later meldde deze krant dat de aangekondigde openstelling voor de Surinamers van het Limburgse kasteel Borgharen ten noorden van Maastricht inmiddels vaste vormen gekregen had. Driehonderd rijksgenoten zouden er ondergebracht kunnen worden, nadat eerst een aantal noodzakelijke “verbouwingen” aan het kasteel moesten worden verricht. De ruimten binnen het kasteel die onder Monumentenzorg vielen, zouden worden afgesloten. Het aantal kamers van 74 in totaal, zou aanzienlijk worden teruggebracht, omdat er vooral kinderrijke gezinnen ondergebracht zouden worden. In de praktijk betekende deze ingreep alleen maar een verdere teloorgang van wat eerst een trots kasteel was geweest. Wat deden de Borgharenaren? Ook zij hadden de oorlog meegemaakt, en ook zij hadden vaker natte voeten of nog erger gekregen. Zij deden, zoals de meeste Nederlanders gewoon zijn te doen, waarschijnlijk helemaal niets.

Kasteel Borgharen, juni 1975, dramatische uitverkoop

Een van de belangrijkste openbare verkopingen

De treurige saga rondom de onttakeling van kasteel Borgharen denderde maar voort. Veilinghouders, handelaren en koopjesjagers namen schaamteloos hun kans waar.“Een van de belangrijkste openbare verkopingen van roerende goederen welke de laatste jaren in het zuiden gehouden is”, zo luidde de voor de liefhebber van het behoud van kastelen en ander erfgoed verpletterende kop in het Limburgs Dagblad van 26 juni 1975. “In het fraaie kasteel te Borgharen (gem. Maastricht) werden op maandag 30 juni en de volgende dagen ten overstaan van de Weledele Heer P.C. Barda, deurwaarder te Maastricht, bij opbod aan de meestbiedende om contant geld verkocht de volgende zaken: Antiek en klassiek meubilair, kronen, klokken en spiegels, waaronder een antieken kussenkolommenkast, een antieke 17e eeuwse uitschuiftafel en betaaltafel, een eikenhouten vierdeurskast, diverse antieke halbanken, dekenkisten en spiegels. Een verzameling zeldzame klokken, waarbij veel Friese stoelklokken en Franse pendules. Verder een rijk gebeeldhouwde herenkamer, drie wortelnotenhouten porseleinkasten, antieke rozenhouten, wortelnoten en mahonie kabinet-kasten, diverse ronde mahonie tafels met antieke setten empire en Biedermeyer stoelen. Twee fraaie antieke Duitse commodes, vele antieke kleinmeubelen, twee ijzeren scheepskisten, enz. Perzische en andere handgeknoopte tapijten waarbij fraaie stukken zoals, Djosjagihan, Meskin, Tabriz, Yest, Bagtiari, Kirman, Darjasin, enz.

Schilderijen, aquarellen en tekeningen van of toegeschreven aan zeer bekende meesters. Hierbij zijn werken van B.J. van Hove, A. Scheerboom, Ph. Wouwerman, Willem van Ravenzwaai, N. Riegen, J.J. Spohler, W.J.J. Nuyen, Ch. J.Leickert, Henriëtte Ronner, S.L. Verveer, Frans Oerder en vele anderen. Antieke Hollandse koperen en tinnen gebruiksvoorwerpen, veel curiosa waarbij olielampen, veel kristallen karaffen, diverse antieke bakbarometers, enz. Goud, zilver en juwelen met zeer bijzondere stukken. Een antieke zilveren ketel met Belgische kleuren, een antiek Londens zakhorloge, een bloedkoralen collier met gouden slot, een zilveren 12 persoons dubbelfillet tafelcassette, vele grote en zware zilveren koffie- en theeserviezen, gouden, zilveren en andere belangrijke munten, diverse familiejuwelen bezet met smaragd, safier, robijn, brillant, diamant, enz., waarbij colliers, oorbellen, ringen, horloges en wat verder ter veiling komt.

Kijkdagen

De kijkdagen zullen worden gehouden op vrijdag 27 juni 1975 van 10 tot 17 uur en van 19 tot 21 uur en op zaterdag 28 juni en zondag 29 juni van 10 tot 17 uur. Op maandag 30 juni was er van 10 tot 13 uur nog gelegenheid te komen kijken voor degenen die eerder niet hadden gekund. Tijdens de kijkdagen was er gelegenheid tot het opgeven van koopopdrachten welke geheel kostenloos zullen worden uitgevoerd, en er zou een entree geheven worden van f 2,50 per persoon. De aanvang van de veiling was gepland voor maandag 30 juni om 19 uur en op de verdere dagen ging de deur open om14 en 19 uur. De veilingcatalogus was uitsluitend tijdens de kijkdagen verkrijgbaar tegen een bedrag van f 4., aldus het Veilingbedrijf Galerie des Arts Benoordenhoutseweg 244 Den Haag, Telefoon 070 – 24 75 71”. Het kasteel Borgharen was inmiddels, zo werd bekend, uit de hand te koop. Inlichtingen hieromtrent werden verstrekt door de veilingdirectie.
Tja, de entree was inmiddels tien keer zo hoog als bij de eerste veiling uit 1967, en er zat een merkbaar professionelere aanpak achter deze uitverkoop. De brutale uitverkoop was echter een schande. Er leek geen einde te komen aan de voor verkoop in aanmerking komende kunstvoorwerpen. Maar deze opsomming toonde ook op treffende wijze de eerdere rijkdom van de voorbije adellijke geslachten aan.

Borgharen een poetische kijk op het dorp uit 1972

Het Limburgs Dagblad besteedde begin augustus 1972 in hun kolom “Mensje”, op een andere en zeer poëtische wijze aandacht aan Borgharen. “Van de overzijde van de Maas, in Smeermaas, kijk je naar Nederland. Je ziet een dorpje liggen aan het water en daarvan gescheiden door weilanden. Er liggen witte en donkere huisjes. Daarachter steekt de kerktoren omhoog, als een oudere broer die de bewoners beschut tegen onheil. Daarnaast ligt het grote kasteel, omgeven door een muur en verborgen achter hoge zware bomen. Je ziet de bolvormige achterkant van het kasteel, als een reus die zijn schouders onder de hemel gezet heeft. Het is een gesloten achterkant, alsof de vijand er niet op mag rekenen ooit toegang te krijgen. En grenzend aan dat kasteel, aan de andere kant, ligt een nieuwe woonwijk ordelijker dan de oude kern van het dorp. Alles is er keurig op formaat gesneden, alsof er een nieuwe maat is toegepast waarvan de oude bewoners geen weet hadden. Dat alles zie je als je in Smeermaas langs het water loopt. De overkant ligt in volmaakte saamhorigheid langs het grensland. Huizen, kerk, en kasteel. En overal daarvoor de Maas, erbij behorend en het dorp als het ware vasthoudend in de boog van zijn arm. Borgharen houdt op waar de velden en de boomgaarden beginnen. Er komt dan een hele tijd niets.

Dan staat er een hoeve midden in het land, beschut door bomen. Het is hoeve de Wiegershof. Daarna komt er weer een hele tijd niets, totdat je bij een kromming van de Maas, een ander dorpje ziet opdoemen. Het is Itteren. Het kerkje vlijt zich tegen de waterkant, net in de bocht verschijnt het nog even. Je zou van Smeermaas uit kijkend, zweren dat het dorp op Belgisch grondgebied ligt. Maar dat is maar schijn, veroorzaakt door een lus die de Maas hier legt. Dit alles zie je vanuit het Belgische Smeermaas. Aan de overkant staat een visser tot aan zijn onderlijf in het water. Hij slaat telkens opnieuw de hengel voor zich uit. Zwart is hij tegen het grijze beweeg van het water, klein in de eenzaamheid van water, lucht en oeverland. Enkele andere hengelaars lopen met hun laarzen langs de kant, naar een plek zoekend waar ze hun hengel kunnen uitgooien. Weer anderen zitten verscholen, haast onzichtbaar, tussen de struiken aan de begroeide oeverkant. En overal is er die wegdrijvende hemel die even iets schijnt mee te delen aan de kerktorens en dan verdwijnt in de daarachter gelegen bossen”. Een prachtig stukje waarin taal gebezigd wordt, die vergeleken met ons huidige taalgebruik inderdaad uit een geheel andere tijd komt.

Bouw stuw bij Borgharen in 1926

De bouw van de stuw te Borgharen in 1926