Slot Bornheim van de adellijke familie de Merode

De Merodes kwamen uit het Rijnland, en telgen uit dit geslacht zijn langere tijd in het bezit geweest van en deels woonachtig geweest op kasteel Borgharen. Het stamslot te Bornheim bezat echter in de 16e en 17e eeuw al een veel grotere luxe dan het slot van Borgharen. De verleiding was dan ook groot om niet permanent in Borgharen te verblijven. Bij deze het stamslot te Bornheim op een lithografie uit 1840.

borgharen schloss Bornheim-Lithografie 1840

Advertenties

Bokkenrijders uit Elsloo deel 10

Een gerechtsbode op het slechte pad

Janssen was geboortig van Geulle en in 1761 gehuwd met Elisabeth Brouwers. Hij was de jongste van vier zonen. Zijn ouders woonden in Geulle met hun vier zonen en zes dochters. Als peetoom van Paulus fungeerde Peter van Aubel uit Geulle. Zijn echtgenote was vermoedelijk een zus van de broers Willem en Frans Brouwers, waarvan de laatste de bijnaam “Panhuys”droeg. Ze kregen twee kinderen waarvan het eerste, Maria Gertrudis, op 27 maart 1761 geboren werd, enkele weken  alvorens ze de huwelijkse staat hadden verworven. Niets nieuws heden ten dage, maar toen een schandaal of zelfs als misdadig betiteld. Zijn vrouw kwam waarschijnlijk uit het naburige dorp Stein. Paulus zou ondanks alles toch een aanstelling als gerechtsbode in Elsloo verkrijgen, hetgeen leidde tot een verhuizing naar Catsop op den Dries te Elsloo. Janssen woonde daar in “goed gezelschap”, omgeven door mannen die niet terugdeinsden voor een inbraak hier en een overval daar. De later aan de orde komende Michiel Menten woonde b.v. twee huizen van hem vandaan. In het jaar 1765 werd Paulus ook nog benoemd tot veldbode, een baan die hem in staat stelde om alles in de omgeving te overzien en veel aan de weet te komen. Janssen was overigens ook jarenlang stalknecht en bode op kasteel Geulle en kan zonder meer aangemerkt worden als iemand die aan de touwtjes trok in het lokale bendewezen. Janssen werd als eerste inwoner van Elsloo op 13 september 1773 opgepakt. Dit nadat hij door o.a. de “befaamde” Dirk Hersseler die in Valkenburg vastzat, was genoemd als medeplichtig aan bendeactiviteiten.

Gevangen in Maastricht

Een dag na zijn arrestatie werd Janssen al in de gevangenis van het Oude Stadhuis in Maastricht verhoord, maar hij bekende niet, en bleef volgens de heren schepenen van Elsloo volharden in “puris negativis”! Men besloot op 14 september om hem te confronteren met degenen die hem in Valkenburg beschuldigd hadden. Een dag later werd hij ook nog eens beticht van deelname aan misdaden door de in het Landshuis van Valkenburg gevangen zittende Andries Steijnen. Ondertussen was  zijn vrouw aan het begin het jaar 1773 bevallen van een zoon, Martinus, waarvoor de ook Martinus geheten broer van Paulus als peetvader optrad. In de gerechtelijke stukken wordt overigens vermeld dat dit kind op schrijnende wijze verwaarloosd werd, en slechts door de hulp van mensen uit de buurt in leven kon blijven. Janssen werd op acht november 1773 te Elsloo aan de galg gehangen, hetgeen door de Middelburgsche Courant van 18 november als volgt werd verwoord: “MAASTRICHT den 11 November. Buiten de Huisbrakers en Dieven, welke te  Valkenburg, Heerlen en Hertogenrade, reeds zyn ter Executie gebragt, wierden ‘er gepasseerde Maandag, te Elslo, 6 van dat Gespuis met de koord gestraft: nadat de Regtspleging geschied was wierden ‘er  dienzelven Dag van Elslo voornoemd ’s Avonds ten 9 Uuren, wederom 5 van die Bende op ons oud Stadhuis in de Gevangenis gebragt”.

We moeten Janssen bekijken als een niet onbelangrijke pion, die figuren ronselde en betalingen verrichtte voor bewezen diensten. Het gerecht zal hem zeker kwalijk genomen hebben dat hij zijn vertrouwensfunctie als gerechtsbode misbruikt had. Janssen maakte de moeilijke tocht naar de galg niet alleen. Op deze dag verloor Elsloo nog meer inwoners.

J.Vromen Bronnen: John van Eekelen, Anton Blok en Mart Pfeifer en Eddy Erkens.

Bokkenrijders van Elsloo deel 9

Geurt Hendrix uit Catsop, gevlucht, verbannen 1774?

Over Geurt Hendrix is zeer weinig bekend. Hij woonde te Catsop, sloeg op de vlucht en werd op 14 november 1774 bij verstek veroordeeld. Hij was getrouwd met de in 1754 geboren Mechtildis Geurts.

Pieter Hendrix uit Catsop, gevlucht en verbannen in 1774

Pieter woonde in Catsop en was mogelijk een broer van de hierboven vermelde Geurt en van Maria Lucia Hendrix, de echtgenote van Pieter Penders, een van de leiders van deze lokale bende. Pieter Hendrix was in 1748 getrouwd met Maria Beijen, ook wel als Boyen vermeld. Ook Pieter sloeg op de vlucht en werd op dezelfde datum als Geurt bij verstek veroordeeld. In hun huwelijk kregen ze een zoon, Godfridus (1749).De schepenen van de Heerlijkheid en Baronie Elsloo hadden hem na raadpleging van een onpartijdige rechtsgeleerde voor altijd uit het grondgebied van Elsloo verbannen. Mocht Pieter ooit besluiten om naar huis terug te keren, dan wachtte hem uiteraard een zwaardere straf. Welke straf dat zou zijn, laat zich makkelijk raden!

Geurt Janssen uit Elsloo, gevlucht en verbannen

Ook over deze Geurt is weinig tastbaars te vinden. Hij werd eveneens op 14 november 1774 bij verstek veroordeeld. Wel weten we dat hij op een latere datum op het kasteel van Kessel is opgehangen.

Bronnen: Anton Blok: De Bokkenrijders. Site: Bokkenrijders en hun afstammelingen

J.Vromen

Franse protestant vindt thuis in Maastricht in het jaar 1705

Op de vlucht       

De naam Abraham Saint-Martin is voor het eerst terug te vinden in de Maastrichtse geschiedenisarchieven als hij in februari 1705 in het huwelijksbootje stapt met de jongedame Piernay. De schoonheid die uit het Franse Sedan afkomstig was, woonde al een tijdlang in de stad. Natuurlijk trouwden de tortelduifjes als ware protestanten in de Waalse kerk aan de Pieterstraat. Na een “inburgeringstraject” van een paar jaar zweert Saint-Martin op zestien december 1709 de eed op het burgerschap van de stad. Hij doet dat in de hoedanigheid van het gilde der “ooftmengers”. In Maastricht had dit gilde het exclusieve monopolie op het verkopen van boter en kaas. Daarnaast verkochten ze ook fruit, groente, azijn, en droge vruchten. Abraham was op dertien augustus 1671 gedoopt in de protestantse “dooptempel” van de stad Montauban. Hij was de zoon van een meesterschoenmaker en een dame die allebei uit Montauban afkomstig waren. Saint-Martin was door de vele heftige religieuze conflicten gedwongen geworden om Frankrijk te verlaten en zijn heil elders te zoeken. Hij deed het goed in Maastricht en had op een gegeven ogenblik zelfs drie huizen in zijn bezit. Als eerste kocht hij in het jaar 1731 een pand tegenover de  Minderbroederskerk dat eigendom was van een zekere Maria Verschuren. Vervolgens kocht hij vier jaar later het huidige pand Platielstraat nr.4, voor de som van 2.650 gulden. Privé verging het zijn gezin echter veel minder goed. Abraham en zijn echtgenote Marie-Marguerite kregen zes kinderen waarvan er vier zeer jong zouden sterven. Alleen de twee oudste dochters zouden in leven blijven. Hun oudste dochter, Judith Marie, zou hun veel kopzorgen geven. Dat laatste bleek uit een in het jaar 1742 bij meester Caris te Maastricht opgemaakt testament. Judith maakte in tegenstelling tot haar jongere zus Anne-Marguerite, geen deel uit van de erfenis. De reden voor de uitsluiting was dat ze tegen de wil van haar ouders gehuwd was met een zekere Jean Mathourné. Saint-Martin zou echter al binnen drie jaar na het opmaken van het testament overlijden, en werd “dans le temple”, de Waalse kerk, begraven. Zijn vrouw had het moeilijk met het feit dat haar dochter Judith niet had kunnen delen in de erfenis en besloot om haar drie weken na de begrafenis van haar echtgenoot alsnog de helft van een huis in de Leliestraat te schenken. De moeder had het pand kort tevoren door meester metselaar Nicolas Comhaire op waarde laten schatten.

Was Jean niet goed genoeg?

Waarom was haar man Jean geen goede partij voor de vader van Judith geweest? Jean vervulde toch immers de belangrijke voorwaarde het gereformeerde geloof te bezitten, en zijn vader was een gegoed lakenhandelaar in de stad Verviers. Het gezin Mathourné had het prins-bisdom Luik moeten verlaten vanwege hun overstap naar de protestantse godsdienst. Ze waren daarna zoals zo veel andere geloofsvluchtelingen in Maastricht terecht gekomen. Daar zou vader Mathourné zijn zaken op succesvolle wijze voortzetten. Met zoonlief ging echter het niet zoals het bij een in die tijd gefortuneerde familie hoorde. Hij slaagde er slechts in om  een baantje als bode voor de burgemeester te krijgen en werd ook nog organist in de Waalse kerk,. Dat waren echter functies waar de toenmalige gereformeerde elite niet echt voor applaudisseerde. In zijn persoonlijk leven kende Abraham al veel tegenslag op jonge leeftijd. Zijn eerste vrouw was al kort na hun huwelijk overleden.Toevallig maakte hij via zijn geloofsgemeenschap een tijd later kennis met de dochter van Saint-Martin. Ze raakten verliefd op elkaar, maar dat viel niet goed in de ontoegankelijke sociale klasse der hugenoten. Een meisje uit een zeer respectabele bourgeois- familie trouwde niet met een jongen die slechts een laagbetaalde overheidsdienaar was.

Daar konden zijn “ware religie” en zijn gegoede afkomst niets aan verhelpen. De twee jongelui zetten toch door en verlieten zelfs de stad Maastricht, om in 1733 zonder dat iemand het wist in een buiten de stad gelegen dorpje te trouwen. Het trouwregister van de Waalse kerk vermeldde naderhand droogjes: “Ils ont été mariés ailleurs”. Marie-Judith had veel op het spel gezet, en had voor Jean zelfs het contact met haar familie verbroken. De twee zaten blijkbaar niet stil, want ze kregen acht kinderen. Jean slaagde er in om zijn financiële en maatschappelijke positie te verbeteren. Hij werd gemeenteontvanger van de rechten van de St.Pieterspoort te Maastricht. Toch was ook deze baan geen vetpot. Het echtpaar had grote moeite om al die hongerige monden te voeden. Haar zus Anne-Marguerite zou  pas vrij laat trouwen. Ze deed dat op veertigjarige leeftijd in het jaar 1749. Maar ze bemachtigde de hoofdprijs in de vorm van Claude L’Escalier, een bankier,die slechts achtentwintig jaar oud was! In het jaar 1787 kreeg Frankrijk zijn tolerantiewet, met als gevolg dat protestantse burgers niet meer besmet waren. Korte tijd later zou de Franse revolutie beginnen, die zou ontaarden in vreselijke slachtpartijen en georganiseerde waanzin.

Maastricht,_St_Pieterstraat,_Oude_Minderbroederskerk_en_Waalse_Kerk_(Ph_v_Gulpen_,_ca_1840)

Rechts de Waalse Kerk door Ph.van Gulpen, ca.1840. Aan de linkerzijde de  Minderbroederskerk. De Roomse processie moet een doorn in het oog geweest zijn van de protestanten. Waarom hadden ze de vlag uitgestoken?

 

Onderwijs in Limburg in de 18e eeuw

Onderwijs in Limburg in de 18e eeuw

Opvallend zijn de steeds wijzigende  leerlingenaantallen in de jaren 1730 tot 1750 in Limburg.Vaak zien we plotseling een toename van het aantal pupillen, maar een tijdje later zien we de aantallen dalen! Verklaringen zijn soms moeilijk te geven. Mogelijk was de beter presterende schoolmeester de oorzaak, maar het kan ook zijn dat de steeds wisselende aantallen soldaten die in deze streek als huursoldaten dienden daarvoor verantwoordelijk waren. Gereformeerde gemeentes probeerden steevast uit deze soldaten leden voor hun parochies te rekruteren. Als ze de mannen konden binden zou de invloed van het protestantse segment van de bevolking immers steeds groter worden. Hun kinderen gingen vervolgens naar een gereformeerde school en garandeerden op deze wijze de groei van de enig ware religie. Een algemeen dekkende reden voor de wisselende aantallen leerlingen is niet exact te geven. Vaker waren plaatselijke omstandigheden de oorzaak van schommelingen. Predikanten en protestantse meesters klaagden regelmatig over de paapse bijscholen in en buiten het Staatse rechtsgebied. Zo gingen meisjes en jongens uit Meerssen in Ulestraten naar school, en de kinderen van Beek naar Gen Hout, om maar een paar voorbeelden te noemen.

De vraag was overigens ook of ouders  hun kinderen wel de lange voettocht naar een ander rechtsgebied in weer en wind wilden laten maken om daar les te krijgen bij een roomse meester. Tijdens de zomermaanden hielden vele ouders (landarbeiders) trouwens hun kinderen thuis om ze bij de oogst in te zetten. Het kwam zelfs voor dat een schoolmeester in deze tijd geen kind meer op school zag verschijnen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat schoolmeesters naast hun eigenlijke beroep nog moesten bijklussen om rond te komen.Hoe minder kinderen er kwamen, hoe minder inkomsten hij kreeg in de vorm van een paar stuivers schoolgeld. Soms waren deze mensen schepen in een gemeenteraad, lid van de rechtspraak, of verhuurden ze zich als schrijver. Sommige ondernemende figuren dreven zelfs een herberg of een winkel. Dit leidde al gauw tot fikse protesten van mensen die vonden dat meesters hun beroep op deze wijze niet goed konden verrichten. Een heel ander verhaal betrof de behuizing van de schoolgebouwen en de onderkomens van de meesters zelf. Het was armoe troef.

Schoolgebouwen en schoolmeesterswoningen in de 18e eeuw in Limburg

Het was in die dagen voor een meester niet gemakkelijk een gebouw te vinden waarin hij zijn leerlingen kon onderbrengen en ook nog zelf kon wonen. In het begin van de 18e eeuw werd in het dorp Wolder door de plaatselijke overheid een gereformeerde schoolmeester benoemd. De dorpelingen kregen de man echter niet te zien. Hij bleef mooi in Den Haag wonen en zorgde voor een vervanger die zijn werk in Wolder zou verrichten. Noch het origineel, Barend van Braampt, noch zijn substituut, kondenechter  in Wolder vaste voet aan de grond krijgen. Er kwam gewoon geen woning of gebouw beschikbaar voor de mannen. De kinderen uit Wolder gingen voor hun onderwijs ondertussen naar de roomse schoolmeester in het aangrenzende dorp Montenaken. Het lukte de overheid pas in het jaar 1718 een schoolgebouw te regelen voor hun eigen jeugd. In dat jaar werd Eupenaar Hendrick van Auw benoemd tot meester in Margraten. Hij arriveerde  hoopvol gestemd met zijn vrouw en kroost in het dorp. Zijn teleurstelling was echter al gauw  immens groot. De hem toegezegde woning bleek bewoond te worden door de roomse koster die daarvoor alle steun kreeg van de lokale pastoor. Hendrick en zijn familie werden vanaf het allereerste ogenblik op alle terreinen tegen gewerkt. Zelfs het lesgeven aan gereformeerde leerlingen werd hem niet toegestaan. De Margratenaren hadden niets op met de “verplichte religie”en deden hun best om dat de laten zien. Pas nadat de Raad van State in januari 1719 ingreep, kon deze toestand enigszins genormaliseerd worden.

De roomse koster moest vanaf dat ogenblik zijn huis verlaten en Hendrick kon er eindelijk zijn pupillen ontvangen. Toen in het jaar 1717 het schoolhuis in Valkenburg door brand vernield werd, moest de overheid vijfhonderd gulden Hollands zien te vinden om het pand te restaureren. Het was een groot probleem, waardoor onderwijs een tijdlang niet mogelijk was. In de Heerlijkheid Geulle was de situatie rond deze tijd nog dramatisch veel slechter. Het schoolhuis moest elke dag opnieuw schoolbanken lenen van de kerk. Het gebouw was ook nog eens veel te klein. Als het slecht weer was, liep het water langs de muren naar beneden. De muren leken wel half in elkaar gezakt.Voor de reeds zieke schoolmeester Herman Kuyper ( meester bleef je toen totdat je omviel), was het allemaal te veel. Hij kon slechts een ruimte in het gebouw gebruiken. Die ruimte diende niet alleen als zijn woning, maar had ook de bestemming van schoolhuis. De gereformeerde visitatiecommissie kon in het jaar 1737 met eigen ogen zien hoe ellendig de situatie was! Ze kwam dan ook ook met een advies. Er zou een kamer bijgebouwd moeten worden. Dat gebeurde echter nooit. Ook de predikant had het er niet makkelijk. Zijn behuizing was verschrikkelijk en zou zo nog lange tijd blijven. Pas in het jaar 1782 (!!!) werd er een begin gemaakt met de aanbesteding van een nieuwe pastorie.

J.Vromen

onderwijs 18e eeuw

Onderwijs in 18e eeuwse dorpsschool

Boosdoeners in het Bosscherveld in Maastricht in het eerste deel van de 18e eeuw

Normaal gesproken stond het woord opwinding niet in de vocabulaire van de nonnetjes in het Wittevrouwenklooster in Maastricht. Maar in februari van het jaar 1727 was er sprake van grote opwinding in het klooster. De nonnen waren niet verontrust over een mogelijke inkwartiering van soldaten, maar over iets anders. Een of andere boosdoener had een brandbrief onder de poort van het klooster geschoven. Hun klooster dat aan de noordkant van het Vrijthof gelegen was, zou volgens de onverlaat in brand gestoken worden als de zusters niet gauw vijftig gouden munten of pistolen, uit hun “bankkluis” wilden halen. Alsof dat niet erg genoeg was, dreigde hij er ook mee om de Wittevrouwenhof in het buiten de stadspoorten gelegen Scharn aan te steken. Hij eiste dat het geld in een greppel aan de buiten de Boschpoort gelegen weg naar Smeermaas en Caberg gelegd zou worden. Het stadsbestuur nam de zaak niet al te zwaar op en permitteerde zich ondanks de drie geschreven brandbrieven een afwachtende houding. Er gebeurde verder niets, maar dat zou niet zo blijven. In januari 1728 werden de twee dochters van herberguitbater Schrak door een onbekend persoon plotseling ernstig bedreigd. De kerel eiste van deze twee Maastrichtse schonen eveneens vijftig pistolen, die ze op dezelfde plaats buiten de Boschpoort moesten deponeren. Deze meiden woonden in de naast het Wittevrouwenklooster gelegen herberg “In de Helm”, later Du Casque geheten. Het stadsbestuur werd nu wel wakker. Er waren immers twee lokale schonen in het geding. De overheid  loofde een premie van honderd rijksdaalders uit voor degene die meer over deze onverkwikkelijke affaire kon vertellen! Daar bleef het bij. Er volgde geen onderzoek en men liet eveneens geen schutters surveilleren in de buurt. De zusters echter, volgden de eis van de boef voor een deel op.

Ze legden een klein bedrag van vijftig oortjes (kwart stuivers) in de bedoelde greppel.Wellicht hoopten ze dat de boosdoener op deze goedkope wijze betrapte zou kunnen worden. Door gebrek aan mankracht bij justitie kwam hier niets van terecht. Even later gooide de brutale crimineel zelfs het door hem uit de greppel opgeviste geld over de muur van het klooster terug. Dank je wel, ik wil alleen de door mij gevraagde som, betekende dat! Justitie was wel zo slim om nu een plakkaat in de stad op te hangen waarop een groot geldbedrag beloofd werd aan diegene die voor meer informatie zou kunnen zorgen. Waarschijnlijk had de afperser dit ook gezien, want het bleef acht jaar lang muisstil. Tot in januari 1736. In deze maand werden opnieuw twee afpersingsbrieven onder de poort van het klooster doorgeschoven. Misschien had de afperser geldnood of kon hij geen weerstand bieden aan zijn criminele neigingen. Opvallend was dat hij deze keer minder geld vroeg. De magistraat kwam nu wel in beweging en men maakte gelden vrij om de afperser op te sporen. Het resultaat was echter nihil, totdat er in oktober 1736 een brandbrief met een gezwavelde lont als extra dreiging  onder de poort van het klooster door geschoven werd. De schutters gingen nu dag en nacht surveilleren. Niet alleen in de stad, maar ook in het Bosscherveld. De schout van de Vroenhof, in wiens rechtsgebied het Bosscherveld lag, liet een soort nepbom maken die in de reeds lang bekende greppel werd gelegd. Men had  prijs! Een ogenschijnlijk onschuldige wandelaar die plotseling met zijn stok op de in de greppel begon te steken bleek de veelschrijver van de brandbrieven te zijn. Zijn identiteit kon al gauw worden vastgesteld. Het ging om Johan Jakob Finsel, een voormalig dragonder in dienst van de Republiek der Nederlanden. De kerel schrok zich een hoedje toen het rotding ontplofte, en werd direct door een paar schutten opgepakt en meegevoerd. Hij was aan het einde van zijn aardse rit gekomen. Er was niemand die het voor hem opnam. Het hooggerecht van het graafschap Vroenhof veroordeelde hem tot ophanging. Het vonnis van de zesendertig jarige man die afkomstig was uit het Duitse Hanau, werd op vier en twintig december 1737 voltrokken. Officier van justitie Leveriksvelt moest lang wachten op zijn beloning. Hij kreeg het geld pas nadat de man terechtgesteld was. Overigens had de ongeduldige overheidsfunctionaris  al een paar keer om uitbetaling verzocht. Ook hij moest zijn rekeningen betalen!!

BRON: Gemeentearchief Maastricht, nu RHCL.

749px-Foto_van_tekening_kerk_-_Maastricht_-_20147414_-_RCE

Situatie: Vrijthof Maastricht in 1670, met Wittevrouwen kerk naar een tekening van N.Klotz.

Borgharen tijdens Beleg van Maastricht op 17 juni 1673

De stad Maastricht is in juni 1673 tijdens het beleg van de Fransen omgeven door een z.g. cicumvallatielinie, gebouwd door de belegeraars die tot doel had te voorkomen dat de vesting versterking kreeg van buitenaf. Het doel was immers uithongering. Recht in het midden bevindt zich het huis Raven, met ook een vermelding van de Geusselt, dan volgt Limmel, en daarna komt Opharen of Borgharen, zo genoemd om niet verward te worden met Neerharen. Het vierkantje met de zwarte afbeelding is mijns inziens het kasteel. Tevens kunnen we zien dat er pal tegen het dorp aan een bevoorradingskamp lag (LES VIVRES). Of de inwoners daar stokbrood hebben kunnen afhalen valt niet meer na te gaan. Wel zal er een bakker met de naam Dupont aanwezig geweest zijn, die daarna aan het deeg is vastgeplakt en in Borgharen is blijven hangen.

Aan de linkerkant tussen Bilsen en Wilre zien we nog zo een bevoorradingskamp.

1673_Beleg_van_Maastricht,_circumvallatie_door_Franse_troepen

Jo V.