Borgharen tijdens Beleg van Maastricht in 1673

Via deze nog niet perfect door mij genomen foto van een oude prent uit een van mijn boeken, krijgen we een goed beeld van de ligging van Borgharen in 1673. Aan de overkant van de Maas, ietsjes links van het midden zien wij evt. met vergrootglas het kasteel, waar toen van Isendoren à Blois resideerde. Hij had echter in dit jaar tijdelijk zijn biezen gepakt uit angst voor de Fransen. Hij zou weer terugkomen en voor veel onheil zorgen. Wie goed kijkt, ziet dat de de loop naar de stad geheel anders was. Men zal er niet gehinderd door een kanaal of wat dan ook sneller geweest zijn in een bijna rechte lijn.

 

20171226_103444

Advertenties

Was Willem Huijnen uit Berg en Terblijt, een bokkenrijder?

Herbergier verleidt jonge knapen

Was Willem een z.g. Bokkenrijder of was ook hij een slachtoffer van de vervolgingswaanzin van de “Limburgse regenten”. Op negen september 1773 kwam het schepengerecht van Berg in een buitengewone vergadering bij elkaar om deze man aan een verhoor te onderwerpen. Dat gebeurde niet in Berg zelf, maar in het Sint Servaes Panhuijs in Maastricht. Het gebied van de bank Berg behoorde immers tot het eigendom van het Servaes kapittel. Huijnen was “herbergier” en kleermaker van beroep en woonde onder aan de Rasberg die naar Berg en Terblijt leidt. Willem had overigens geen al te beste reputatie.Van huis uit was hij snijder, maar als het uitkwam schonk hij ook bier en brandewijn aan gasten.Er deden diverse verhalen de ronde over deze man. Een van die verhalen ging over het feit dat hij jongeren uit zijn  omgeving zou aanzetten tot het stelen van vruchten en oogst van hun ouders. De jongelieden verkochten die dan tegen een voordelig prijsje aan Willem! Een gratis biertje of een brandewijntje konden de jeugdige booswichten makkelijk overhalen om met hem samen te werken. Zo was er een zekere Paul Duijsings die op bevel van Willem koren dat van zijn vader was had gestolen. Hij bracht de zak stiekem in het holst van de nacht naar het huis van Willem. Paul had al eerder door hem gestolen tarwe aan hem“geleverd”. De beruchte stroper Jannes Bekkers bekende later dat hij vruchten en zelfs kippeneieren van zijn moeder stal, om er Willem mee van dienst te zijn.

Willem werd nog van meer dingen verdacht, vooral nadat een in Valkenburg gevangen zittende verdachte hem van medeplichtigheid aan diefstal had beschuldigd. Willem zou hebben meegedaan aan een al jaren eerder gepleegde overval op het Panhuijs te Wijnandsraede, aan een inbraak aan de Maesband, en aan een overval op een woning te Schimmert. Het ging om zaken die soms al achttien jaren terug lagen. Schout Milliard verschafte de schepenen alle noodzakelijke informatie en besloot om de door Willem begane misdaden te gaan vervolgen. De rechtbank beschuldigde hem van het feit dat hij lid was van een goddeloze bende. Ze verweet Wilem ook nog dat hij de beruchte godslasterlijke eed had afgelegd en een verbond met de duivel had gesloten. Willem werd na heel wat pijnlijke ondervragingen veroordeeld en enkele dagen later ter dood gebracht. Het hele proces werd betaald uit zijn in beslag genomen bezit.

Een uitgeknepen bevolking

Willem werd waarschijnlijk als zondebok geofferd door een overheid die nepotistisch en in zichzelf gekeerd was. De belangen van de toen straatarme Limburgers stonden duidelijk niet voorop of bestonden in het geheel niet. Burgers waren toen goed om over het bitter weinige dat ze bezaten ook nog eens belasting te betalen. Het was een verschrikkelijke tijd met grote sociale en economische problemen. Voor de gereformeerde overheid was Willem een ketter  die de strop verdiende. Willem zat lange tijd opgesloten in het oude stadhuis te Maastricht. De rechtbank liet heel wat personen waaronder zijn vrouw, naar Maastricht komen om er te getuigen. De rechtszaak verliep niet van een leien dakje. Schepen Alberti van Berg werd er door schout Milliard en procureur Vermin van beticht dat hij te nauw bij de zaak van Willem betrokken was, en zelfs mogelijk een persoonlijk belang had bij deze affaire. Alberti zou tijdens de Bergse kermis met vrouw en kinderen in de woning van Joannes Habets vertoefd hebben. En deze Joannes was weer familie van Willem Huijnen.Willem’s neef Jacobus Huijnen, was echter een halfbroer van de vrouw van Habets. Dit bezoek allen al maakte Alberti verdacht.

Alberti antwoordde dat Joannes Habets eveneens schepen te Berg was en dat hij verder als een geacht persoon bekend stond. Het was toch niet vreemd dat hij met zulk een persoon van aanzien contact had. Procureur Vermin zelf was toch ook te gast geweest bij de familie Habets. Alberti was van mening dat hij gechicaneerd werd door een respectloos persoon die “Bij sijnen schout eenen flitsdank wil verdienen, maar de eere en fatsoen van eenen secretaris en medelid van de justitie hasardeert en zijn ampt verdagt wil maaken. Het advers geratel en geloeder agter sijnen rugge tasten hem in zijn eer aan, en hij protesteert tegen de atroce injurie, en de affront die sijnen goeden naam en faam bezoedelen”. De rechtbank besloot om onpartijdige juristen naar de zaak van Huijnen te laten kijken. Er bestonden echter nog steeds geruchten over de vermeende band tussen Joannes Habets en Willem Huijnen. Alberti kon er niet meer tegen en besloot om zijn ambten neer te leggen.Willem werd ondertussen aan een nog scherper verhoor onderworpen. De rechtbank riep nu schepen Alberti er niet meer was, de hulp in van buitenschepen en secretaris Nijpels van Mechelen aan de Maas. De man werd  letterlijk ingehuurd voor extra geld.

Rechtbank tovert getuige uit doosje

In januari 1774 kwam de in Valkenburg gevangen zittende Christiaen Vlecken plotseling met een verklaring op de proppen die Huijnen nog verder belastte. Huijnen zou volgens hem in augustus 1756 (!) bij boer Walraeven aan de Maasband bij een inbraak betrokken zijn geweest. Willem werd nu naar aanleiding van de uitspraak van Vlecken door de rechtbank op leugens betrapt. Daar bleef het niet bij. In februari 1774 werd duidelijk dat ook Viltenaar Vaes Hendriks tot deze bende behoord zou hebben.Vaes was zes jaar lang dragonder geweest in het Staatse leger en bekende “zonder pijn en banden” dat hij bij een aantal overvallen op de uitkijk had gestaan. De echtgenote van Hendriks en de schepenen van Berg tekenden beroep aan tegen de vervolging van Vaes, omdat ze van mening waren dat zijn arrestatie niet op de juiste wijze had plaats gevonden. Vaes kon zijn detentie moeilijk accepteren en probeerde in 1775 zelfs zelfmoord te plegen door met een stuk glas zijn aders door te snijden. Uiteindelijk kreeg Vaes “slechts” levenslang Willem Huijnen werd ondanks alle aan hem verleende steun in de maand maart van 1774 opgehangen. Veel bezittingen had hij niet. Het ging volgens de rechtbank om “prullen en bagatellen’, die de kosten van het proces bij lange na niet zouden dekken. De echtgenote van Huijnen bleek plotseling van de aardbodem verdwenen en van de meest waardevolle eigendommen uit hun huis was maar weinig meer over! Willem’s woning met tuin werden op vijf en twintig mei 1778 publiekelijk verkocht voor zeven honderd vier en zestig gulden. Twee honderd vier en negentig gulden hiervan kwamen toe aan de heren van Justitie, dus bleef er maar vier honderd zeventig gulden over voor Rijproost Cruts van het Servaes kapittel. Deze op zijn paard rondrijdende representant van de goed in de slappe was zittende kapittelheren had echter voor acht honderd negen en vijftig gulden aan declaraties ingediend. Hij was dan ook duidelijk ontevreden met dit schamele bedrag. Of zijn declaratiegedrag terecht was, is niet meer na te gaan. In september 1775 werden het kapittel van Sint Servaes geconfronteerd met de dagelijkse realiteit van de Landen van Overmaas. De eerwaaarde heren hadden vernomen dat een beruchte bende van nachtdieven en rovers in hun eigen gebied was waargenomen. Ze waren van mening dat alles in het werk moest worden gesteld om “de menschelijcke sociëteit van dit slangezaad te wrijweren en te beveiligen”. Het “cadaver” van Willem Huijnen werd na de volstrekking van de straf met ijzeren kettingen aan de galg vastgeklonken. Zo kon iedereen dag in dag uit zien welk een slecht mens hij was geweest en wat er zou gebeuren met personen die in zijn voetsporen wilden treden!

Jo Vromen

Met dank aan het boek “Berg en Terblijt, Van twee heerlijkheden naar een gemeente” uit 1981.

Borgharen in 1632

beleg 1632 met schipbrug bij borgharen links boven

Deze kaart geeft de situatie weer, zoals die zich voordeed tijdens het beleg van Maastricht in het jaar 1632 door stadhouder Frederik-Hendrik. Uiterst links boven, zien we de schipbrug over de Maas bij Borgharen, waarachter rechts daarvan het kasteel van Borgharen te zien is. Zoals we zien lag het kasteel binnen te verdedigingswerken die zich in de wijde omtrek uitstrekten.

Gereformeerde schoolmeester uit Voerendaal wordt door Joodse rovers belaagd

Gerrit van Braampt was naast schoolmeester ook voorlezer in de protestantse kerk te Voerendaal. De kerk in Voerendaal behoorde bestuurlijk tot de Gereformeerde gemeente van Heerlen. Gerrit kreeg voor zijn diensten bij  begrafenissen en dergelijke geld van de kerkelijke overheid. Uit de kerkelijke rekeningen blijkt dat het standaard tarief daarvoor klaarblijkelijk vijf gulden was. Het luiden van de klokken behoorde ook tot zijn verplichte bezigheden. Hij kreeg ook daar een kleine vergoeding voor, meestal waren dat een of twee schellingen. Als rijke burgerlijke families of adellijke geslachten er prijs op stelden dat de klokken een aantal dagen lang op een bepaalde tijd voor een familielid moesten luiden, kreeg de meester  daarvoor in natura betaald. In de praktijk ontving hij voor elke dag waarop  hij de klokken moest luiden een zak rogge. Hij moest de rogge dan delen met een paar andere dorpelingen omdat er in zulke gevallen meerdere personen ingezet werden. Het is niet meer na te gaan op welke datum van Braampt schoolmeester en voorlezer is geworden. Uit de parochiearchieven weten we wel dat zijn dochter in juli 1690 te Voerendaal trouwde met een zekere Degenhart Deiter uit Mühlheim aan de Rijn. Uit deze informatie, een ander iemand vervulde op dat tijdstip de taak van voorlezer, kunnen we wel afleiden dat Gerrit toen nog geen ambt bekleedde in het dorp. We lezen in de acta dat hij in het jaar 1700 diaken werd, en in later jaren nog een paar keer als ouderling fungeerde Hij legde zijn functies, dus ook het beroep van meester dat hij op enig tussen liggend tijdstip had gekregen, overigens neer in het jaar 1720.

Gerrit kreeg in de persoon van Balthasar Emonds een weinig stabiel opvolger die snel met een aantal  mensen ernstige meningsverschillen kreeg. Hij raakte zelfs in een serieus conflict met zijn  lokale classis. Hij was in 1721 nauwelijks in functie of de hel brak los . Emonds keerde zich vooral tegen de persoon van kerkenraadslid Isaac Willem Hoffman. Hoffman had geen al te beste reputatie! Hij was een aantal jaren eerder vanwege een conflict met het Akense stadsbestuur zelfs voor een aantal jaren deze stad uitgejaagd. De kerkenraad nam het Emonds zeer kwalijk dat hij zich op ongehoorde wijze tegen dit instituut afzette. Men verweet hem dat hij zijn ambt als schoolmeester onvoldoende vervulde. Hij was inderdaad vaak afwezig en liep al dronkemanspraat uitslaande door de stad Heerlen. De raad vond het ook niet kunnen dat hij lasterpraatjes rondstrooide over kerkenraadslid Hoffman. Emonds was een boef vergeleken met de brave van Braampt. Toch zou van Braampt nog heel wat ellende tegen komen in zijn leven. Gerrit en zijn vrouw en dochter werden einde maart 1721 slachtoffer van een gewelddadige overval. Het gezin werd zeer zwaar mishandeld door de overvallers. Gerrit werd zo erg toegetakeld dat hij korte tijd later aan zijn verwondingen stierf. De overvallers hadden vrijwel alles wat het gezin bezat meegenomen. Het zou een hele tijd duren voordat men de daders te pakken kreeg.

Pas twee jaar later, in april 1723, slaagde justitie er in om een aantal van deze misdadigers op te pakken. Dat gebeurde in het verre Den Haag waar ze op dat ogenblik gevangen zaten in de “Voorpoorte”. Vele in die tijd bij overvallen betrokken personen sloegen op na hun daad op de vlucht, omdat ze zich in veraf gelegen oorden veilig waanden. Nadat ze  in eerste instantie voor de rechter in Den Haag werden gebracht, kwamen de van de overval verdachte het personen voor de Brabantse rechtbank. Het ging hierbij om de jood Pasman Hirts en de jodin Helena Maus. Ze werden al een dag later opgehangen en veroordeeld tot het betalen van alle gerechtskosten. Hun vonnis werd voor iedereen duidelijk leesbaar aan muren van de kerk in Voerendaal opgehangen. Er was echter nog een derde persoon bij deze verval aanwezig geweest. Dat was de jodin Hester Andriesse die uiteindelijk een mildere straf zou krijgen omdat ze alleen van heling verdacht werd. Toch was haar straf ook immens zwaar! De rechtbank veroordeelde de vrouw tot geseling met de strop om de hals (let op volgende keer…), brandmerking en 33 jaar tuchthuis met dwangarbeid.  Een dergelijke straf overleefde in die tijd  niemand. Als ze haar opsluiting al zou overleven, wachtte haar een eeuwige verbanning uit Brabant. Haar hele bezit werd overigens verbeurd verklaard.

In het begin van de 18e eeuw, maar ook op het einde van deze eeuw, zien we een toename van criminaliteit waar Joden bij betrokken zijn. Joden zaten al eeuwenlang in het verdomhoekje, deels door het bijgeloof van andere groepen, en deels door de verkettering door Luther, die joden en christenen van woeker beschuldigde. Geldhandel was echter een van de weinige zaken waar ze zich mee bezig mochten houden omdat het hun niet toegestaan was om lid te worden van een gilde. Voor de roversbenden gold overigens ook dat ze deels voortkwamen uit sociale nood. De veelal uit de Oekraïne en Polen verdreven Joden waren bijna allen behoeftig. Het was overigens niet vreemd dat de eigen bevolking die meestal zelf zeer arm waren,  vreemd tegen de nieuwkomers aankeek. Er kwam ook kritiek uit eigen Joodse hoek. Zo richtte de Joodse kerkenraad van Kampen zich in de 18e eeuw tot hun overheid om geen andere dan in Holland geboren Joden tot de handel meer toe te laten. Zij vreesden dat er anders voor hun geen toekomst meer zou zijn.

Jo Vromen

 

Bokkenrijders door van der Aa in 1848

De schrijver van der Aa beschreef zijn visie op deze “schelmen” 75 jaar na dato in de geest van die tijd. Hij hangt het idee van een grote bende aan, die grootse plannen had, en verliest tegelijk de sociaal-maatschappelijke context volledig uit het oog. Dat er mogelijk zeer wijddragende juridische misstanden hebben bestaan, komt bij hem helemaal niet aan bod. De spelling is zoals die er in 1848 was!

J.Vromen

“In het midden der vorige eeuw onthield zich hier eene bende gaauwdieven, genoegzaam allen uit inboorlingen dezer landstreek bestaande, onder welke sommigen die zeer welgegoed waren en dus niet door armoede, tot deze euveldaden behoefden te vervallen. in het begin dier eeuw was reeds, in het Oostenrijks-Valkenburgs gebied, een dergelijk komplot aanwezig, maar dit was minder talrijk, en, nadat onderscheiden dezer boosdoeners te Hoensbroek, Scheit en andere plaatsen destijds hun verdiende loon ontvangen hadden, schenen zij genoegzaam uitgeroeid. De nieuwe bende was ontstaan, omtrent het jaar 1760, en wel in het kwartier ‘s-Hertogenrade, mede op Oostenrijks gebied, door toedoen van zekeren Joseph Kerkhofs, een zeer ervaren en beroemd Heelmeester, in het stadje ‘s-Hertogenrade, die het hoofd dezer bende was, en die in 1772, aldaar is opgehangen. Er werden, ter zelfder tijd, niet alleen in ‘s-Hertogenrade, maar ook te Merkstein, Ubach, Kerkrade, Simpelveld en Rimburg, alsmede te Amstenrade in het Oostenrijks-Valkenburgs gebied, zeer vele medepligtigen gevangen, en ten getale van 74, de een na de andere, ter dood gebragt. Maar, toen wist men niet, immers, met geen genoegzame zekerheid, dat ook het Staatsgebied met dit kwaad besmet was. Er waren wel reeds vele geweldige huisbraken door dit volk gepleegd, sommigen binnen, maar de meesten buiten het Staatsgebied; zonder dat men eenigen der boosdoeners had kunnen ontdekken. Doch, die in de heerlijkheid ‘s- Hertogenrade ter dood gebragd werden, verraadden eindelijk de andere medepligtigen, welke op het Staatsgebied woonden. Gezegde Kerkhofs had, in alle de dorpen van het ‘Land-van-Valkenburg’, zijne wervers; die velen wisten over te halen, om zich bij de bende te voegen, welke eenige honderd man sterk was. Allen wie daartoe behoorden, moesten bij de zoogenaamde St. Leonardskapel, met vele plegtigheid de R.K. godsdienst afzweren en zich aan de duivel verbinden, om alle kwaad te doen. Daarbij moesten zij eene beëedigde belofte doen, van, in gevalle zij in hechtenis geraakten, geene hunner medepligtigen te beschuldigen; en, al hoewel zij door de pijnbank genoodzaakt mogten worden, tot bekentenis van hunne eigen misdaad te komen, als zij zouden ter dood gebragt worden, alles weder te herroepen. Uit dien hoofde steunden zij, die tot deze benden behoorden, zoo lange ze nog in vrijheid waren, op die eerstgenoemde belofte; en hoewel er velen gevangen en gedood werden, begaven zich echter zeer weinigen op de vlugt buitenslands, maar bleven gerust in hunne huizen, tot zoo lang zij zelven gevat en in handen der justitie overgeleverd werden. Uit die zelfde oorzaak waren genoegzaam geene hunner, anders dan door de zwaarste pijnigingen, tot eenige bekentenis ten aanzien van zich zelve, en veel minder, ten aanzien hunner vloekverwanten, te brengen; zoo zelfs, dat sommigen hunner bij die pijniging het leven verloren hebben. De toeleg van dit vloekgespan schijnt geweest te zijn, om, zoodra zij tot een genoegzaam getal zouden aangegroeid zijn, het geheele land af te loopen, al wat hun voorkwam te vermoorden, de kerken en kloosters te plunderen enz. Sommigen vormen, aangaande het ware oogmerk van dit volk, andere gissingen, doch, het is gelukkig, dat men die zaak tijdig ontdekt en in haren voortgang gestuit heeft, eer zij tot dit uiterste is doorgebroken. Alle deze criminele executiën waren reeds begonnen in 1773, en gedurende dit en de vier volgende jaren werden, van de banken onder ‘Valkenburg’ en onderhoorige heerlijkheden, tusschen honderd zeventig en honderd tachtig van dit gespuis opgehangen, behalve eenige weinigen, die, wegens begane moorden, geradbraakt zijn.    …”

A.H. van der Aa
Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden
Elfde deel, 1848, Gorinchem

 

Kirchhoffs 2

Een ontvoering in 1742, en de ruzie tussen de religies

In de tweeherige stad Maastricht, waar het Luikse en het Staatse bestuur ieder voor een deel de dienst uitmaakten bestond een gegarandeerde vrijheid zoel de gereformeerde als de roomse religie.Toch bestond er onderhuids veel jalouzie, haat, agressie en wantrouwen tussen de protestanten en de katholieken. Heel vaak ontstonden er conflicten die op bestuurlijk vlak opgelost moesten worden. Zo hadden de katholieken de gewoonte om protestanten tot hun godsdienst te verleiden, maar waren ze ontdaan als een rooms iemand wilde overgaan tot de gereformeerde religie. Ze deinsden er niet voor terug om diegenen die tot de protestantse vereniging wilden overgaan of dat al gedaan hadden te kidnappen en een tijdlang in een klooster op te sluiten. Daar kon die persoon gehersenspoeld worden om zijn religieuze overtuiging weer in de juiste richting om te buigen. Omgekeerd deden de protestanten op dit vlak niet onder voor de roomsen.

Zulk een probleem deed zich voor in de ten noorden van Maastricht gelegen hoofdbank Beek. Het gebied van de hoofdbank ressorteerde onder de jurisdictie van het Land van Valkenburg en viel als zodanig onder het Staatse gezag. Een daar wonende jongedame, een zekere Catharina Severeyns, werkte als dienstmeisje voor de gereformeerde Mattheys Boomhouwers en zijn eega. In het jaar 1742 werd ze met veel geweld uit de woning van haar baas ontvoerd en naar het nabijgelegen dorp Munster-Geleen gebracht. Dit dorp viel niet onder het Staatse gezag. De overheid in Beek kon dus ook geen enkele actie ondernemen om het meisje terug te halen. Wel hadden ze het sterke vermoeden dat de pastoor van Beek en enkele bekenden van de meisje achter de ontvoering zaten. Catharina had al eerder in gesprekken met anderen erop gewezen dat ze door haar geweten naar de roomse overtuiging werd “gestuurd”. De in Beek werkzame gereformeerde predikant stelde de verantwoordelijke drossaard in kennis van de gewelddadige ontvoering. Deze zat echter met zijn handen in het haar! Hij kon geen enkele actie ondernemen tegen de verantwoordelijken in Munster-Geleen en was gedwongen een snood plan te bedenken. De man ging met Catharina’s vrienden praten en spoorde hun aan om het meisje per omgaande naar het huis van de familie Boomhouwers in Beek terug te halen.

De drossaard schreef wel een gepeperde dreigbrief aan de pastoor van Beek. Hij dreigde de pastoor met sluiting van zijn kerk en zou “de paap” in de gevangenis stoppen als hij niet meewerkte. De moeder van het meisje mengde zich eveneens in het steeds meer escalerende conflict. Ze eiste van haar dochter dat ze onmiddellijk moest terugkomen naar Beek. Haar dochter was volgens haar nog te jong om zelfstandig te beslissen. Haar beslissing om nu al van geloof te veranderen was dus verkeerd en bovendien moest de jongedame nog naar school. De kennissen van het meisje gaven geen gehoor aan de vordering van de drossaard om mee te werken aan haar terugkeer. De drossaard nam dan ook zijn toevlucht tot zeer strenge en vergaande maatregelen. Hij legde beslag op de bezittingen van deze mensen. Hij was verplicht dit te doen zei hij, om hun “paapse stoutigheden”af te straffen.  Anderzijds moest hij de protestantse religie beschermen. In andere woorden, hij deed dit “tot mainteneeringe van den gereformeerden dienst”. De drossaard vernam op een gegeven ogenblik dat Catharina zich in het Gelderse land in het dorpje Leuth bij Groesbeek bevond. Dat was nog eens een meevaller. Ze verbleef dus gelukkig op Staats gebied. Catharina die zich klaarblijkelijk had bedacht,was er in geslaagd aan haar ontvoerders te ontkomen en werd op vijf maart 1742 voor alle zekerheid naar Maastricht gebracht waar ze in een gereformeerd milieu werd ondergebracht.

De gefrustreerde drossaard zon op wraak en wilde de voor deze actie verantwoordelijke personen straffen. Hij drong er zelfs bij de Staatse overheid op aan om de plakkaten tegen de paapse stoutigheden opnieuw bekend te maken, en zo nodig de roomse godsdienst in Beek te verbieden en de kerk aldaar te sluiten. H.H.Mogendheden wilden hier wel in meegaan en pasten hun plakkaten aan.

 

Pruisische ronselaars gefusilleerd in Maastricht, anno 1732

Een strenge overheid

In het begin van januari 1732 werden in Maastricht een tweetal Pruisen in opdracht van het stadsbestuur dood geschoten. De reden hiervoor was, dat ze in de stad op Staatse grond nog wel gepoogd hadden om soldaten te werven voor het Pruisische leger. Het ging hierbij om een zeer ernstig vergrijp. Dit soort praktijken bracht de veiligheid van de stad in gevaar volgens de magistraat. In het geval van de twee Pruisen ging het om luitenant Wolfsleber (Wolfshagen) en een zekere von Delwich. De eerste soldaat werd begraven in protestantse St.Martenskerk. Von Delwich, die het roomse geloof aanhing, werd  bij de Paters Minderbroeders ter aarde besteld. Dit trieste verhaal werd opgetekend door een zekere Balthasar Becker uit Maastricht die het in 1733 in Frankfurt am Main liet uitgeven. De zaak was begonnen met een burger uit Aken die handel in snuiftabak dreef met de stad Maastricht. Hij was goed thuis in de stad en verkeerde voor zijn handel ook vaker in lokale herbergen die buiten de stad gelegen waren. Die werden druk door soldaten bezocht. Zo kwam het dat hij in een van deze herbergen een Hollandse soldaat had ontmoet. Hij begon een gezellig praatje met deze soldaat die de naam Bulow droeg. Deze man vroeg hem of de geboortige Akenaar geen ronselaars kende die hem voor een fikse som als soldaat bij een regiment wilden onderbrengen. De Akenaar hield zich begrijpelijk op de vlakte, maar toen hij terug in zijn stad was, nam hij contact op met de hem bekende  ronselaar Wolfshagen. Hij vertelde deze uitgebreid over het verzoek van de Hollandse man.

In de val

Wolfshagen liet onder een andere naam een brief bij Bulow bezorgen. Maar dat pakte verkeerd uit. Er dienden namelijk twee personen met die zelfde naam in het regiment. De “verkeerde” Bulow kreeg de brief in handen en stapte ermee naar zijn overste. Die had direct in de gaten dat hier iets fout zat, en verzon een list. Soldaat Bulow nummer twee zou met een andere soldaat ingaan op het voorstel van Wolfshagen. Wolfshagen kreeg een bericht dat (de verkeerde) Bulow hem wel wilde ontmoeten. Ze spraken af om elkaar te ontmoeten in het vrije Rijksgebied van Wittem. Wolfshagen kwam daar aan in het gezelschap van von Delwich en sergeant Baumgarten. Ze spoedden naar het zich daar bevindende  kasteel van graaf von Plettenberg om er op de Hollanders te wachten. De twee Maastrichtse soldaten hadden de stad al een paar dagen eerder verlaten en hielden zich met acht andere onderofficieren schuil in het dorp Gulpen. Van daaruit lieten ze Wolfshagen weten dat ze graag op Staatse bodem met hem wilden praten. De Duitsers trapten in deze sluw opgezette val. Nadat Wolfshagen met von Delwich de mannen ontmoet had begon hij zich te bedenken. In zijn ogen waren de mannen te klein van gestalte en niet geschikt voor een hard soldatenbestaan in een vreemd regiment. Hij adviseerde hun daarom terug naar hun onderdeel in Maastricht te gaan. De mannen kregen beiden een dukaat van Wolfshagen als een soort goedmakertje.

Op naar Maastricht

Toen de Duitsers aanstalten maakten om de ontmoetingsplek te verlaten, werden ze door een aantal boeren uit Gulpen en de eerder genoemde onderofficieren gevangen genomen en geboeid naar Maastricht gebracht. Een van de boeren gedroeg zich als een dolle stier en loste een schot op von Delwich met het pistool dat hij uit diens zadeltas had weten te bemachtigen. De mannen werden in Maastricht allereerst naar de Hoofdwacht op het Vrijthof gebracht. Hun volgende adres werd verrassenderwijs het nabijgelegen hotel “De Helm”. Ze werden er opgesloten in een aparte van tralies voorziene kamer. De volgende dag voerde men de mannen naar de gevangenis in de St.Pieterspoort. Wolfshagen was plotseling erg ziek geworden. Het gerecht stelde zich echter hard op en weigerde een dokter toe te laten tot de man. De krijgsraad sprak uiteindelijk de doodstraf uit. Twee predikanten kregen de moeilijke taak de mannen in te lichten omtrent hun lot. De datum van de executie werd vastgesteld op eenentwintig  januari. Het stadsbestuur  wilde duidelijk vaart achter de zaak zetten. Vlak voor hij gefusilleerd werd riep Wolfshagen nog dat hij de wereld tot getuige wilde maken van het feit dat hier twee mensen voor een gering iets gedood werden. Hij verzocht zijn maat Baumgarten om een zakdoek voor zijn ogen te binden. De mannen waren nog niet direct dood na de fusillade van de wel zeer incapabele schutters. Het gerecht kende echter geen genade en liet beide mannen ter plekke dood bloeden. Onderofficier Baumgarten ontsnapte aan een wisse dood. Hij werd door het gerecht verplicht de terechtstelling bij te wonen maar kon het Staatse gebied verlaten nadat hij te horen had gekregen dat hij nooit meer een voet op Staats territorium mocht zetten.  De Duitser Becker maakte een versje naar aanleiding ding van het gebeuren: “De dood verwierf ons hier, terwijl wij anderen wierven, zodat wij allebei aan dezen arbeid stierven”.

de helm

Om half twee kunt u eten!!

 

Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode

Het lang verwachte boek omtrent allerlei historische zaken in het Land van Rode is eindelijke verschenen. Dit boek in de serie Historische Reeks Parkstad Limburg (nr.11) verschijnt officieel op 2 december a.s.

Voor alle info zie beneden staand artikel. Het is een ware “goudklomp”, waar we door allerlei complicaties op hebben moeten wachten. Maar het is er!!

Omvang: 276 bladzijden met illustraties in kleur en zwart-wit, hardcover, ISBN/EAN: 978-90-822416-6-2.

Facetten Land van Rode omslag‘Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode‘ [HRPL 11] gaat straks in de winkel € 24,00 kosten. U kunt nog intekenen tot en met 1 december 2017 voor de prijs van € 21,50. Het verschijnen van dit boek is door onvoorziene omstandigheden vertraagd, de eerdere berichtgeving hierover ten spijt. Momenteel wordt het boek gedrukt en gebonden. Vanaf 2 december is deze te koop bij Thermenmuseum en de plaatselijke boekhandels (Heerlen/Kerkrade). Na verschijnen is de bestelling af te halen op de boekpresentatie of daarna bij Thermenmuseum / Rijckheyt in  Heerlen, Coriovallumstraat 9. Het is ook mogelijk om de bestelling per post te ontvangen (hiervoor geldt € 4,50 aan porto- en verpakkingskosten). U krijgt een berichtje over het tijdstip van boekpresentatie, afhalen en/of toezenden. Wilt het boek komen afhalen hoeft u uiteraard de € 4,50 verzendkosten niet over te boeken {de webshop hebben we helaas nog niet op de keuzemogelijkheid kunnen aanpassen}. In de antwoordmail staat dat nog nader aangegeven.

INHOUD:
Het land van Rode: zijn naam, zijn territorium en zijn gebieders
door Lei Heijenrath
Macht en onmacht in de processen tegen de bokkenrijders. Brussel en de justitie in de Landen van ’s-Hertogenrade en Valkenburg (1740-1780)
door Mathieu Huynen en Hub van Wersch
Van ’s-Hertogenrade naar Limbourg sur Vesdre : Het tracé van de middeleeuwse Hertogsweg door Zuid-Limburg
door Lei Heijenrath
De abten van Kloosterrade en de justitiële praktijk in de 18e eeuw
door Lea Nijsten-Höfte†
De Staten van het Oostenrijkse Land van Rode in de 18e eeuw in vergadering bijeen
door Lei Heijenrath
Een erfeniskwestie in Kerkrade aan het einde van de 18e eeuw : Kan een moeder van haar dochter erven?
door Mathieu Huynen
De introductie van de aardappel rond 1740 in het Land van Rode
door Lea Nijsten-Höfte†
Over de staatkundige positie van het Oostenrijkse Land van ’s-Hertogenrade 1755-1780
door Lei Heijenrath

Jo Vromen (Visser)

Een huwelijkscontract in de zeventiende eeuw

Overspel was een gevaarlijk spel

Het sluiten van een huwelijk was toen aan allerlei voorwaarden verbonden. Er was immers in maart 1656 een streng en gereformeerd Echtreglement ingevoerd. Dat was goedgekeurd door de Staten-Generaal van de Zeven Verenigde Provincieën. In 1661 ging het reglement ook gelden voor de Generaliteitslanden, d.w.z. voor Zeeuws-Vlaanderen, Staats-Brabant en de Landen van Overmaas. Deze regelgeving gold niet voor de stad Maastricht. De stad was geen onderdeel van de Generaliteitslanden, en viel dus ook niet onder deze regeling. Het reglement beoogde in eerste instantie elke afwijking van het normale huwelijk tussen man en vrouw af te straffen.

Er werd duidelijk in gesteld met wie een vrouw mocht trouwen. Een oom kon niet trouwen met zijn nicht, en een moeder niet met haar neef, of de zoon van haar broer of zus! Broers konden in geen geval met hun zus in het huwelijk treden, ook niet als het meisje een halfzus was. Dat noemde men toen “van halven bedde”. De straffen die op overspel stonden kregen eveneens ruim aandacht.  Beging een getrouwde man overspel met een ongetrouwde vrouw, dan stond hij te boek als eerloos en meinedig. Als hij in zo’n geval een baan had als ambtenaar binnen de Landen van Overmaas, dan raakte hij die zeker kwijt. Bij een eerste overtreding lag er een boete van honderd gulden klaar. Bleek de persoon in kwestie onverbeterlijk, dan werd de tweede overtreding beloond met een “poene” van drie honderd gulden. Een zeer strenge rechter kon iemand zelfs verbannen verbannen of op een andere wijze straffen.

Vroedvrouw als spion voor gereformeerde overheid

Het toezicht van de overheid was erg streng. Zelfs vroedvrouwen kregen de opdracht om eventuele onregelmatigheden te melden. Om ontucht te ontdekken en te straffen, moesten alle vroedvrouwen binnen vierentwintig uur na de geboorte van een bastaardkind ( d.w.z. als ze constateerde dat er geen vader was) alle gegevens omtrent de moeder en de verblijfplaats persoonlijk aanmelden bij de woning van de magistraat ter plaatse. Het bestuur had de vroedvrouw immers onder ede verplicht zo te handelen. Zij moest dus altijd naar de naam van de vader vragen met wie de net bevallen vrouw, “vleselijk geconverseerd had”. Soms verzonnen vrouwen uit veiligheid een naam van een niet bestaande man. De ongehuwde vrouw koos daarvoor omdat ze zelf ook voor haar losbandig gedrag bestraft kon worden. Een favoriete straf van de overheid was om een vrouw een maand lang op te sluiten op water en brood met een kind dat nog gezoogd moest worden. Viel de vrouw in herhaling, dan kon ze zelfs voor zeer lange tijd verbannen worden uit haar woonplaats en streek. Soms was het zelfs  verstandiger voor vrouwen in een dergelijke positie om te vluchten naar een regio die niet viel onder het Staats bestuur. Dat was zeker niet makkelijk en lag ook niet binnen de mogelijkheden van elk meisje of elke vrouw. Veel meisjes die als dienstbode bij een boer of een voorname heer  werkten werden vaker slachtoffer van een opdringerige huisbaas. In de praktijk was het voor een arme ongeletterde meid nauwelijks mogelijk om daar weerstand tegen  te bieden. Daarbij werden de arme wichten door de rauwe protestantse overheid ook nog eens neergezet als “ongebonden, ontugtig en hoeragtig”. De voorname heer ontliep elk probleem! Het waren vreselijke tijden voor eenvoudige burgers!

 

echtreglement 1661

Informatie: Land van Herle