Pruisische ronselaars gefusilleerd in Maastricht, anno 1732

Een strenge overheid

In het begin van januari 1732 werden in Maastricht een tweetal Pruisen in opdracht van het stadsbestuur dood geschoten. De reden hiervoor was, dat ze in de stad op Staatse grond nog wel gepoogd hadden om soldaten te werven voor het Pruisische leger. Het ging hierbij om een zeer ernstig vergrijp. Dit soort praktijken bracht de veiligheid van de stad in gevaar volgens de magistraat. In het geval van de twee Pruisen ging het om luitenant Wolfsleber (Wolfshagen) en een zekere von Delwich. De eerste soldaat werd begraven in protestantse St.Martenskerk. Von Delwich, die het roomse geloof aanhing, werd  bij de Paters Minderbroeders ter aarde besteld. Dit trieste verhaal werd opgetekend door een zekere Balthasar Becker uit Maastricht die het in 1733 in Frankfurt am Main liet uitgeven. De zaak was begonnen met een burger uit Aken die handel in snuiftabak dreef met de stad Maastricht. Hij was goed thuis in de stad en verkeerde voor zijn handel ook vaker in lokale herbergen die buiten de stad gelegen waren. Die werden druk door soldaten bezocht. Zo kwam het dat hij in een van deze herbergen een Hollandse soldaat had ontmoet. Hij begon een gezellig praatje met deze soldaat die de naam Bulow droeg. Deze man vroeg hem of de geboortige Akenaar geen ronselaars kende die hem voor een fikse som als soldaat bij een regiment wilden onderbrengen. De Akenaar hield zich begrijpelijk op de vlakte, maar toen hij terug in zijn stad was, nam hij contact op met de hem bekende  ronselaar Wolfshagen. Hij vertelde deze uitgebreid over het verzoek van de Hollandse man.

In de val

Wolfshagen liet onder een andere naam een brief bij Bulow bezorgen. Maar dat pakte verkeerd uit. Er dienden namelijk twee personen met die zelfde naam in het regiment. De “verkeerde” Bulow kreeg de brief in handen en stapte ermee naar zijn overste. Die had direct in de gaten dat hier iets fout zat, en verzon een list. Soldaat Bulow nummer twee zou met een andere soldaat ingaan op het voorstel van Wolfshagen. Wolfshagen kreeg een bericht dat (de verkeerde) Bulow hem wel wilde ontmoeten. Ze spraken af om elkaar te ontmoeten in het vrije Rijksgebied van Wittem. Wolfshagen kwam daar aan in het gezelschap van von Delwich en sergeant Baumgarten. Ze spoedden naar het zich daar bevindende  kasteel van graaf von Plettenberg om er op de Hollanders te wachten. De twee Maastrichtse soldaten hadden de stad al een paar dagen eerder verlaten en hielden zich met acht andere onderofficieren schuil in het dorp Gulpen. Van daaruit lieten ze Wolfshagen weten dat ze graag op Staatse bodem met hem wilden praten. De Duitsers trapten in deze sluw opgezette val. Nadat Wolfshagen met von Delwich de mannen ontmoet had begon hij zich te bedenken. In zijn ogen waren de mannen te klein van gestalte en niet geschikt voor een hard soldatenbestaan in een vreemd regiment. Hij adviseerde hun daarom terug naar hun onderdeel in Maastricht te gaan. De mannen kregen beiden een dukaat van Wolfshagen als een soort goedmakertje.

Op naar Maastricht

Toen de Duitsers aanstalten maakten om de ontmoetingsplek te verlaten, werden ze door een aantal boeren uit Gulpen en de eerder genoemde onderofficieren gevangen genomen en geboeid naar Maastricht gebracht. Een van de boeren gedroeg zich als een dolle stier en loste een schot op von Delwich met het pistool dat hij uit diens zadeltas had weten te bemachtigen. De mannen werden in Maastricht allereerst naar de Hoofdwacht op het Vrijthof gebracht. Hun volgende adres werd verrassenderwijs het nabijgelegen hotel “De Helm”. Ze werden er opgesloten in een aparte van tralies voorziene kamer. De volgende dag voerde men de mannen naar de gevangenis in de St.Pieterspoort. Wolfshagen was plotseling erg ziek geworden. Het gerecht stelde zich echter hard op en weigerde een dokter toe te laten tot de man. De krijgsraad sprak uiteindelijk de doodstraf uit. Twee predikanten kregen de moeilijke taak de mannen in te lichten omtrent hun lot. De datum van de executie werd vastgesteld op eenentwintig  januari. Het stadsbestuur  wilde duidelijk vaart achter de zaak zetten. Vlak voor hij gefusilleerd werd riep Wolfshagen nog dat hij de wereld tot getuige wilde maken van het feit dat hier twee mensen voor een gering iets gedood werden. Hij verzocht zijn maat Baumgarten om een zakdoek voor zijn ogen te binden. De mannen waren nog niet direct dood na de fusillade van de wel zeer incapabele schutters. Het gerecht kende echter geen genade en liet beide mannen ter plekke dood bloeden. Onderofficier Baumgarten ontsnapte aan een wisse dood. Hij werd door het gerecht verplicht de terechtstelling bij te wonen maar kon het Staatse gebied verlaten nadat hij te horen had gekregen dat hij nooit meer een voet op Staats territorium mocht zetten.  De Duitser Becker maakte een versje naar aanleiding ding van het gebeuren: “De dood verwierf ons hier, terwijl wij anderen wierven, zodat wij allebei aan dezen arbeid stierven”.

de helm

Om half twee kunt u eten!!

 

Advertenties

Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode

Het lang verwachte boek omtrent allerlei historische zaken in het Land van Rode is eindelijke verschenen. Dit boek in de serie Historische Reeks Parkstad Limburg (nr.11) verschijnt officieel op 2 december a.s.

Voor alle info zie beneden staand artikel. Het is een ware “goudklomp”, waar we door allerlei complicaties op hebben moeten wachten. Maar het is er!!

Omvang: 276 bladzijden met illustraties in kleur en zwart-wit, hardcover, ISBN/EAN: 978-90-822416-6-2.

Facetten Land van Rode omslag‘Facetten uit de geschiedenis van het Land van Rode‘ [HRPL 11] gaat straks in de winkel € 24,00 kosten. U kunt nog intekenen tot en met 1 december 2017 voor de prijs van € 21,50. Het verschijnen van dit boek is door onvoorziene omstandigheden vertraagd, de eerdere berichtgeving hierover ten spijt. Momenteel wordt het boek gedrukt en gebonden. Vanaf 2 december is deze te koop bij Thermenmuseum en de plaatselijke boekhandels (Heerlen/Kerkrade). Na verschijnen is de bestelling af te halen op de boekpresentatie of daarna bij Thermenmuseum / Rijckheyt in  Heerlen, Coriovallumstraat 9. Het is ook mogelijk om de bestelling per post te ontvangen (hiervoor geldt € 4,50 aan porto- en verpakkingskosten). U krijgt een berichtje over het tijdstip van boekpresentatie, afhalen en/of toezenden. Wilt het boek komen afhalen hoeft u uiteraard de € 4,50 verzendkosten niet over te boeken {de webshop hebben we helaas nog niet op de keuzemogelijkheid kunnen aanpassen}. In de antwoordmail staat dat nog nader aangegeven.

INHOUD:
Het land van Rode: zijn naam, zijn territorium en zijn gebieders
door Lei Heijenrath
Macht en onmacht in de processen tegen de bokkenrijders. Brussel en de justitie in de Landen van ’s-Hertogenrade en Valkenburg (1740-1780)
door Mathieu Huynen en Hub van Wersch
Van ’s-Hertogenrade naar Limbourg sur Vesdre : Het tracé van de middeleeuwse Hertogsweg door Zuid-Limburg
door Lei Heijenrath
De abten van Kloosterrade en de justitiële praktijk in de 18e eeuw
door Lea Nijsten-Höfte†
De Staten van het Oostenrijkse Land van Rode in de 18e eeuw in vergadering bijeen
door Lei Heijenrath
Een erfeniskwestie in Kerkrade aan het einde van de 18e eeuw : Kan een moeder van haar dochter erven?
door Mathieu Huynen
De introductie van de aardappel rond 1740 in het Land van Rode
door Lea Nijsten-Höfte†
Over de staatkundige positie van het Oostenrijkse Land van ’s-Hertogenrade 1755-1780
door Lei Heijenrath

Jo Vromen (Visser)

Een huwelijkscontract in de zeventiende eeuw

Overspel was een gevaarlijk spel

Het sluiten van een huwelijk was toen aan allerlei voorwaarden verbonden. Er was immers in maart 1656 een streng en gereformeerd Echtreglement ingevoerd. Dat was goedgekeurd door de Staten-Generaal van de Zeven Verenigde Provincieën. In 1661 ging het reglement ook gelden voor de Generaliteitslanden, d.w.z. voor Zeeuws-Vlaanderen, Staats-Brabant en de Landen van Overmaas. Deze regelgeving gold niet voor de stad Maastricht. De stad was geen onderdeel van de Generaliteitslanden, en viel dus ook niet onder deze regeling. Het reglement beoogde in eerste instantie elke afwijking van het normale huwelijk tussen man en vrouw af te straffen.

Er werd duidelijk in gesteld met wie een vrouw mocht trouwen. Een oom kon niet trouwen met zijn nicht, en een moeder niet met haar neef, of de zoon van haar broer of zus! Broers konden in geen geval met hun zus in het huwelijk treden, ook niet als het meisje een halfzus was. Dat noemde men toen “van halven bedde”. De straffen die op overspel stonden kregen eveneens ruim aandacht.  Beging een getrouwde man overspel met een ongetrouwde vrouw, dan stond hij te boek als eerloos en meinedig. Als hij in zo’n geval een baan had als ambtenaar binnen de Landen van Overmaas, dan raakte hij die zeker kwijt. Bij een eerste overtreding lag er een boete van honderd gulden klaar. Bleek de persoon in kwestie onverbeterlijk, dan werd de tweede overtreding beloond met een “poene” van drie honderd gulden. Een zeer strenge rechter kon iemand zelfs verbannen verbannen of op een andere wijze straffen.

Vroedvrouw als spion voor gereformeerde overheid

Het toezicht van de overheid was erg streng. Zelfs vroedvrouwen kregen de opdracht om eventuele onregelmatigheden te melden. Om ontucht te ontdekken en te straffen, moesten alle vroedvrouwen binnen vierentwintig uur na de geboorte van een bastaardkind ( d.w.z. als ze constateerde dat er geen vader was) alle gegevens omtrent de moeder en de verblijfplaats persoonlijk aanmelden bij de woning van de magistraat ter plaatse. Het bestuur had de vroedvrouw immers onder ede verplicht zo te handelen. Zij moest dus altijd naar de naam van de vader vragen met wie de net bevallen vrouw, “vleselijk geconverseerd had”. Soms verzonnen vrouwen uit veiligheid een naam van een niet bestaande man. De ongehuwde vrouw koos daarvoor omdat ze zelf ook voor haar losbandig gedrag bestraft kon worden. Een favoriete straf van de overheid was om een vrouw een maand lang op te sluiten op water en brood met een kind dat nog gezoogd moest worden. Viel de vrouw in herhaling, dan kon ze zelfs voor zeer lange tijd verbannen worden uit haar woonplaats en streek. Soms was het zelfs  verstandiger voor vrouwen in een dergelijke positie om te vluchten naar een regio die niet viel onder het Staats bestuur. Dat was zeker niet makkelijk en lag ook niet binnen de mogelijkheden van elk meisje of elke vrouw. Veel meisjes die als dienstbode bij een boer of een voorname heer  werkten werden vaker slachtoffer van een opdringerige huisbaas. In de praktijk was het voor een arme ongeletterde meid nauwelijks mogelijk om daar weerstand tegen  te bieden. Daarbij werden de arme wichten door de rauwe protestantse overheid ook nog eens neergezet als “ongebonden, ontugtig en hoeragtig”. De voorname heer ontliep elk probleem! Het waren vreselijke tijden voor eenvoudige burgers!

 

echtreglement 1661

Informatie: Land van Herle

 

De geschiedenis van Meerssen door Frank Hovens

Vanmiddag  18 november 2017 werd in het bestuurscentrum van Meerssen tijdens een druk bezochte bijeenkomst het boek “In de armen van Geul,Maas en Watervalderbeek” gepresenteerd. Het boek, een der mooiste, zo niet het mooiste boek dat ik op dit gebied ken, was een mammoetklus en is als het ware een standbeeld voor de schrijver.

Het boek moet om het zo te zeggen, niet alleen “in de armen van elke rechtgeaarde Meerssenaar met historisch besef drijven”, maar ook in de armen van elke liefhebber van de Limburgse regionale geschiedenis. Het boek is te koop bij de gemeente Meerssen. Kijk voor alle informatie op de site van de gemeente.

Met complimenten,

Jo Vromen,

Oud -Meerssenaar

beok meerssen fr hovens

 

 

 

 

 

 

 

 

Een vreemde trouwgeschiedenis te Heerlen in 1749-1750

 

De bruidegom is spoorloos

Huwelijken werden in die tijd, als die tenminste door een predikant of pastoor gesloten werden, bijgehouden in een trouwboek van de parochie. Zo is het trouwboek van de predikant van Heerlen uit de jaren 1749-1750 bewaard gebleven. In het jaar 1749 kan men de volgende aantekening lezen: ” Op 22 november 1749 zijn Anna Elizabeth Cornips, de weduwe van Steven Vonken, als bruid en Johannes Baumer als bruidegom ingeschreven. Hun getuigen waren Nikolaas Smits en Marie Catharin Cornips”. Ze trouwden op 17 mei 1750. Tot zover het feitelijk verslag van de nijvere predikant.
Het echte en zeer  fascinerende verhaal zou dan pas beginnen. In een “N.B.” doet de predikant verslag van een opmerkelijk gebeuren dat als een avonturenroman zou kunnen worden uitgewerkt. Hij schrijft op dat dit voorgenomen huwelijk om allerlei redenen niet eerder is gesloten. “Om bijzondere reden heeft de trouwinge van deze personen niet eerder voltrokken kunnen worden”, aldus de predikant. Wat was er nu echt gebeurd?
Na netjes de inschrijving in het kerkregister gedaan te hebben, bleek de aanstaande bruidegom ineens opmerkelijk veel haast te hebben. Hij vertrok hierna onmiddellijk naar Waldeck dat op de Hondsrug in het huidige Duitsland gelegen was. In de plaats Waldeck bevindt zich nu nog de eeuwenoude burcht die hoog op de rotsen gelegen is. Hij was van plan er vrienden te bezoeken, en wilde daar blijven totdat de officiële  aankondiging van het voorgenomen huwelijk had plaatsgevonden. Zoals wellicht bekend, gebeurde een aankondiging vroeger altijd in de kerk, en werd deze ook nog door een aanplakbiljet op de deur van het kerkgebouw bevestigd. De vermeende bruidegom zou echter evenmin als zijn metgezellen uit Heerlen op tijd terugkomen om het heuglijke feit te laten geschieden.

Een zoekactie wordt gestart
Ten einde raad gingen een aantal plaatselijke jongelingen die op de hoogte waren van de tocht van hun vriend naar Waldeck toe om de mannen op te sporen en om er te informeren wat er gebeurd zou kunnen zijn. Helaas ze kregen van niemand informatie over de als het ware in het niets opgeloste mannen. Ook al hun naspeuringen onderweg zouden geen enkel teken van leven opleveren. De mannen waren letterlijk het spoor bijster en kwamen tot de dramatische conclusie dat er iets ergs moest zijn gebeurd. Misschien waren Johannes en zijn kornuiten wel vermoord of verongelukt! De vrienden trokken korte tijd later in desperate toestand  huiswaarts. Niet lang daarna doken de “vermisten” weer in hun eigen dorp op. Wat was er gebeurd? Ze waren in een herberg gevallen voor de verlokkingen van een ronselaar. Deze had hun in zwaar benevelde toestand een contract laten tekenen waardoor ze als huurlingen in het garnizoen van een zekere commandant Troppou in Opper-Silezië terecht gekomen waren.
Dat was voor hun een zeer bittere ervaring geworden. De mannen hadden wanhopig naar een manier om gezocht om uit hun benarde situatie te geraken. Dat was niet makkelijk gebleken. In het regiment heerste een strenge controle en de afstand naar huis leek welhaast onoverbrugbaar. Toch slaagden ze er uiteindelijk in om naar de havenstad Triëst in Italië te ontsnappen. Met een Venetiaans schip wisten ze de stad Venetië te bereiken. Vandaar hadden ze zich als inmiddels ellendige en in armoede levende zwervers naar het noorden begeven.

Een van de jongens had nog een ander en wel persoonlijk avontuur voor de boeg. Er was een vrouw die op hem wachtte om met hem te trouwen. Anna Cornips bleek een volhoudster te zijn. De vrouw was dan ook al een keer gehuwd geweest. Het was genoeg stof voor een kleine avonturenroman!! De man die niet was komen opdagen had een trouwe vriendin gehad.

Bron: Land van Herle

cupido

 

 

Gronsveld klaagt zuinige Maastrichtse ingezetenen aan (1709)

Eeuwen geleden bezat de stad Maastricht het privilege van “vrijdom” in de Landen van Luik, Brabant en Overmaas. Dit hield in dat ingezetenen van de stad vrij waren gesteld van het betalen van tol (belastingen) bij het vervoeren van koopwaar en van de belasting op onroerend goed dat ze elders in die landen in bezit hadden. Het werd echter  steeds moeilijker om die oude rechten te kunnen behouden. De vele oorlogen en verwoestingen in deze regio zorgden ervoor dat plaatselijke overheden een chronisch tekort aan geld hadden. Het gebeurde steeds meer dat bezitters van onroerend goed door de omstandigheden gedwongen toch voor hun bezit aangeslagen werden in het Land van Overmaas. Als de oorlogskosten te zwaar drukten op de gemeentelijke begrotingen, moeste bezitters van panden in de omliggende dorpen die zelf woonachtig waren in Maastricht, verplichte bijdragen leveren. Deze mensen voelden daar vaak niets voor, en probeerden onder deze verplichting uit te komen. Voor overheden buiten Maastricht was het dan ook niet eenvoudig om dit geld los te krijgen. Daarom probeerden ze steeds vaker  hun doel te bereiken door het nemen van represailles. De stad nam wraak op de volhardende Gronsveldenaren. Alle ingezetenen uit naburige dorpen die eveneens een woning in de stad hadden, werden op hun beurt ook aangeslagen voor de vastgoed belasting. Het kon ook minder charmant gaan. Het gebeurde dat buitenburgers met bezit in de stad aangehouden werden en zelfs gevangen gezet werden.

Op deze wijze ontstonden er meer dan eens grote conflicten. Maastricht had dan ook voortdurend grote onenigheid met de heerlijkheden Gronsveld, Wittem, Eys en Ryckholt. In 1709 diende de drossaard van Gronsveld een rekwest in bij de Raad van State van de Verenigde Nederlanden. Hij deed dit namens graaf Johan Franciscus van Bronckhorst. In het rekwest werd in felle bewoordingen geklaagd over de weigering van Maastrichtenaren met bezit in het graafschap Gronsveld om bij te dragen in de oorlogslasten. De drossaard gaf aan dat Gronsveld als onderdeel van het Heilige Roomse Rijk vrij zou moeten zijn van allerlei van buiten af opgelegde lasten. Toch bleef de enclave Gronsveld onderworpen aan alle zaken die met oorlog te maken hadden zoals: voedselvoorziening aan soldaten, inkwartiering, het leveren van hout, stro, en andere zaken. Kortom, het bestuur werd betrokken bij oorlogen waar ze meestal niets mee te maken hebben. Zo eiste Generaal Lottum al voor het derde jaar achter elkaar rantsoenen van Gronsveld. Die eis hebben de Gronsveldenaren overigens kunnen afkopen voor de som van zevenhonderd pattacons *. Het is voor hun dan ook onverteerbaar dat Maastrichtenaren met bezit in Gronsveld niet willen bijdragen aan de plaatselijke belastingen en daar via represailles mee weg proberen te komen. Uiteindelijk moesten de Maastrichtenaren wel een bijdrage gaan leveren, maar toen had het graafschap al veel kosten moeten maken om dat via de wettelijke weg af te dwingen.(* Pattacon: in de Zuidelijke Nederlanden veel gebruikte munteenheid, en wel tot ver in de 18e eeuw, ook wel als rijksdaalder aangeduid)

Het merendeel van de gronden in Gronsveld was overigens in bezit van mensen van buiten Gronsveld. Als deze landeigenaren er voortdurend in slaagden om niets bij te dragen aan de lokale lasten, zou dit een extra last zijn voor de bewoners van de Heerlijkheid. De drossaard smeekte de Staten om verschoond te blijven van verdere oorlogscontributies. Daarnaast vroeg hij nadrukkelijk om niet alleen de ingezetenen te laten bijdragen, maar om dit ook te laten gelden voor de “uitgezetenen”. Hij verwees nog eens fijntjes naar het feit dat een identieke zaak in de Rijksbaronie Wittem tot tevredenheid van allen geregeld was. Drossaard Kicken had voor de goede orde nog een verklaring van het hoofdgericht van de Vrije Rijksheerlijkheid Wittem bijgevoegd, waarin zij verklaarden dat in hun gebied burgers van Maastricht die in Wittem bezittingen hadden eveneens moesten bijdragen aan de algemenen lasten. Griffier P.Pernot van Wittem was zo netjes geweest om de Gronsveldenaren te hulp te komen. Wat deed de Staatse overheid in dit geval? Zij reageerde als volgt: “Het graafschap Gronsveld, vallend onder het Duitse Rijk, moet zich niet aan deze Raad wenden om de lasten daar eerlijk te verdelen”. Zij moesten maar elders hun heil gaan zoeken. Drie jaar later werd er door bemiddeling van de Commissarissen Deciseurs en de Gedeputeerden te velde toch nog een oplossing bereikt. De zuinige “sjengen” uit Maastricht moesten voor de helft meebetalen in de extra kosten. Dat kwam slecht uit voor de bezitters van de buitenverblijven in de “campagne”!

gronsveld_a_schaepkens_ca1850

Kasteel Gronsveld door A.Schaepkens rond 1850

 

 

Borgharen beschreven!!

borgharen chare servais de_Rosen_ep_Van_Buel

De heerlijkheid Borgharen tot en met de laatste heer

Op dit ogenblik ben ik bezig met het beschrijven van de geschiedenis van de heerlijkheid Borgharen. Het boek zal zich bezig houden met de geschiedenis van het kasteel vanaf het eerste begin, de geschiedenis van de adellijke dames en heren bezitters en pachters, het wel en wee van de parochie, de schepenbank, de resp.rentmeesters, de aan de heerlijkheid verbonden adellijke geslachten, de opeenvolgende schouten, de vele rechtszaken etc. Waarschijnlijk is het boek rond het voorjaar van 2018 klaar.

Jo Vromen

Ambij

 

 

 

 

De Hoofdbank Klimmen in de 18e eeuw

Klimmen en zijn onderhorige dorpen en buurtschappen

De hoofdbank Klimmen bezat een tweetal onderhorige dorpen, Hulsberg en Schimmert, en daarnaast nog een flink aantal buurtschappen. Klimmen, op drie uur gaans gelegen van Maastricht, maar dan moest je wel flink doorstappen, “lag aan den gemeenen landweg naar Heerle op den hoogsten der bergen van welk tops men allerwege een verre uitgestrekt en fraai gezicht heeft”.  Bachiene is er niet geheel onterecht van overtuigd dat het dorp deze naam gekregen heeft omdat men vanuit Valkenburg “derwaard gaande tegen deze hoogt opklimt”! Het is niet vreemd dat de dominee het dorp als allereerste positioneert als een zeer kleine gereformeerde gemeente die door een eigen predikant bediend wordt. Deze status was belangrijk in zijn ogen, waarin religie een zaak van de overheid was. De aan de heilige St.Sebastianus toegewijde kerk werd overigens door de roomsen en de protestanten overeenkomstig  de principes van het simultaneum samen gebruikt. Hij beschrijft hoe onder aan de voet van de in het zuid-westen gelegen berg “een by uitstek waterryk oord” te zien is, dat “Zeven Sprongen” wordt genoemd, maar voegt er haastig aan toe, dat er thans in het jaar 1778, veel meer dan zeven bronnen uit de grond opwellen die samen een beek vormen die gestaag naar de Geleenbeek stroomt. Bachiene rekende de Heek, Walem, Weustenraad of Woestenraad, Ransdaal, Rittersbeek, Kraubach of Kraubeek waar een soort grauwe steen gegraven werd die men voor bestrating gebruikte, tot de buurtschappen. Reizigers die van Klimmen naar Heerlen gingen zagen aan hun linkerzijde het prachtige Kasteel Haaren liggen, dat men niet moest verwarren met de bij Maastricht gelegen “Burg Haaren”, aldus Bachiene. Het is de vraag of Bachiene al dit schoons zelf heeft gezien, of dat hij zich naast eigen ervaringen mede baseert op indrukken van hem bekende rondtrekkende predikanten of andere reizigers. Het is niet vreemd dat “indringers”uit de Hollandse polder met ontzag en bewondering keken naar de grote variatie in natuur die zo kenmerkend is en was voor Limburg.

Kasteel Haaren

Haaren behoorde tot die riddermatige hofsteden die ten allen tijde in handen waren geweest van adellijke lieden, die uit hoofde daarvan het “recht van beschryving hadden ter Lands Vergadering des Kwartiers van Valkenburg”. Het kasteel was vanouds her in bezit geweest van het geslacht Hoen zu der Brouch, en werd op 12 augustus 1518 samen met de hofstede Zuide-Nelen ( de Lindenhof) verheven door Heer Herman van Hoen. Na deze datum zou het goed  tot aan het jaar 1671 eigendom blijven van de graven van Hoen. In het jaar 1701, het was inmiddels een andere tijd geworden met een imminente dreiging van oorlog, kwam het kasteel door verkoop aan de Heer George van Tunderveld (Donderveld), die de hoge positie van generaal bekleedde in het keizerlijke Oostenrijkse leger, en ook de eerste Oostenrijkse gouverneur van Limburg zou worden. In 1722 slaagde Johan Adam van Clermont, de in juli 1673 in Burtscheid bij Aken geboren rijke lakenkoopman, en in die tijd ook heer van Neubourg, Gulpen en Margraten, erin om het kasteel te verwerven. Haaren zou ook na zijn dood in 1731 tot 1770 in handen blijven van het geslacht van Clermont.

In dat jaar werd de in december 1734 te Maastricht geboren Mr.Willem Hendrik van Panhuys, “rentmeester der Domeinen en Geestelijke goederen in de Landen van Overmaas”, en daarnaast commissaris-instructeur( 1773-1795) te Maastricht, maar ook behorend tot de Ridderschap van Valkenburg ( 1780), op jonge leeftijd eigenaar van het goed. Willem Hendrik, een vurig patriot, zou in een zeer vervelend conflict raken met orangist Jan Hubert van Slype. Deze vete die op uitermate boeiende wijze beschreven is in het LGOG Jaarboek 2005 door dr.Frans Gerards onder de titel “De zaak van de rentmeester” (1), zou van Slype die een goede vriend was van de “Billie Turf”onder de hertogen, Lodewijk Ernst van Brunswijk –Wolfenbüttel, uiteindelijk in 1789 “de kop kosten”. Van Panhuys maakte werk van de restauratie van het kasteel dat in 1742 was afgebrand en daarna nooit meer volledig was opgebouwd. Volgens Bachiene had “de tegenwoordige bezitter  het gebouw zo van binnen en buiten treflyk opgetimmerd”. Het kasteel bezat “eenen wyden omtrek in het vierkant en was met zynen stallingen en schuren binnen een vischryke gracht ingesloten”!  Als de reiziger zijn weg naar Heerlen vervolgde kwam hij Huis Lindenhof tegen, een pachthof die altijd al verbonden was geweest met Huis Haaren. Zo was van Panhuys evenals alle hier genoemde andere eerdere bezitters van Haaren door aankoop van het kasteel ook eigenaar geworden van de Lindenhof. Telde men de landerijen, bossen, boomgaarden en weiden van beide hoven op, dan kwam men tot een aantal van 160 bunder of Hollandse morgen. Alhoewel deze oppervlakte maat van streek tot streek verschilde moet het een enorm gebied geweest zijn, (in 1816 werd een bunder in Nederland gelijk gesteld aan een hectare). Van Panhuys zou in het jaar 1808 zijn laatste rustplaats krijgen in de grafkelder te Haeren.

Kasteel Rivieren

Naast Kasteel Haeren kende het dorp ook nog het in Retersbeek gelegen kasteel Rivieren of “Terveeren”, zoals de uit Sevenum stammende de historicus Gerard Mathieu Poell in zijn uit 1851 daterend boek “Beschrijving van het Hertogdom Limburg” vermeldde. De oudste vermelding van dit kasteel dateert uit 1444, waarbij een zekere Ghysbert van der Vyeren als bezitter wordt genoemd. Het geslacht van Rivieren werd al eerder vermeld. Zo werd een zekere Catharina van Rivieren vermeld als priorin van het Norbertinessen klooster te Houthem-Sint Gerlach. De blog “Voerendaal vertelt” schrijft dat zij het kasteel in 1364 gesticht zou hebben. Het kasteel dat zeer waarschijnlijk gebouwd werd op de fundamenten van een eerder gebouw, diende in eerste instantie als klooster. Tot de langdurige bezitters van het kasteel kunnen we de familie Huyn van Amstenrade en vanaf 1641 via erfdeling de familie Eynatten rekenen,(Rijckheit-Heerlen).

De onderhorige dorpen

Hulsberg

In het op een half uur afstand ten noordwesten van Klimmen in een bosrijke streek gelegen dorp Hulsberg,  bevond zich een kerk die “tot diepe treurnis” van Bachiene alleen door de Roomsgezinden gebruikt werd, “dewyl er geene Gereformeerde gemeente is”. Als Bachiene vertelt dat er “zich alleenlyk een gereformeerden schoolmeester bevindt”, klinkt dat een beetje treurig. De man wiens inkomen mede afhankelijk was van het schoolgeld dat zijn leerlingen meebrachten van thuis, zal geen vetpot gekend hebben. Gelukkig was hij door zijn lidmaatschap van de gereformeerde gemeente in Klimmen verzekerd van een aantal contacten. Het dorpje Hulsberg was omringd door een aantal landelijke buurtschappen zoals Aalbeek en Arensgenhout, dat volgens Bachiene “gemeenlyk, kortheidshalve maar blootelyk den Hout” genoemd werd door het gewone volk. Bij Bokkenrijders fanaten is het laatstgenoemde gehucht zeer bekend vanwege de brute overval op hoeve de Frisschenhof in januari 1760.

Schimmert

Het derde tot de Hoofdbank Klimmen behorende dorp is Schimmert of “Schummert” zoals Bachiene het met veel gevoel voor het regionale dialect noteerde. Het dorp lag zo dichtbij de grenzen van Oostenrijks-Valkenburg dat sommige huizen bij de kerk “eenigermate tot het Oostenrijks gebied meede gereekend werden”. Deze buurt “de Bies”genaamd, was in feite slechts een langgerekte straat, waarvan de bewoners zowel voor hun schattingen (2) als wel voor hun kerkelijke status aan Schimmert onderhorig waren, met dien verstande dat dit rechtsgebied op “krimineel en civiel” terrein aan Spaubeek was onderworpen. Het dorp Schimmert was volgens onze dominee van een redelijke omvang en kende een eigen gereformeerde gemeente die tot het jaar 1684 ook over een eigen predikant beschikte. Na deze datum werd deze gemeente op godsdienstig gebied aan Meerssen gekoppeld, waardoor de betreffende predikant afwisselend zijn gelovigen in beide dorpen moest bedienen. De protestantse gemeente werd overigens in 1684 als zodanig opgeheven omdat er te weinig gereformeerde gelovigen waren. De parochie Schimmert kende drie buurtschappen, Haasdal, Klein-Haasdal en Klein-Oensel.

Haasdal

De naam Haasdal is waarschijnlijk afkomstig van het Germaanse “habukas dala”, “dal van de havik“(3). Haasdal of Groot-Haasdal is mede bekend geworden vanwege de in 1870 door amateurarcheoloog pater Jos Habets deels opgegraven overblijfselen van de “Villa Rustica Op den Billich”, die zich op een ten zuidoosten van Haasdal liggend veld bevond. De overlevering wil dat bij deze amateuristische opgraving lokale inwoners kans hebben gezien hun vloeren te verfraaien met door hun op het opgravingsterrein ontvreemde hardstenen vloertegels. Rond het jaar 1100 verscheen op ongeveer dezelfde plek waar de Romeinse villa gestaan had de woonzetel van het  ridderlijk geslacht Allardus van Havigsdail of Haeske(s)dale (4), een geslacht dat horig was aan de heer van Valkenburg. Als bewoners worden in die periode Gosewijn en Henrik van Haesdal genoemd. De bezitters bouwden een tiendschuur waar de pachters uit de omtrek hun tienden moesten betalen. Het geslacht van Haefkesdael zou er vierhonderd jaar lang blijven wonen, maar de tijden veranderden en rampen dienden zich aan, zoals hier te lezen valt.

Toen in juli 1474 Karel de Stoute, hertog van o.a. Bourgondië, Brabant en Limburg, een groot legerkamp tussen Haasdal en Raar legde, vanwaar hij op 25 juli verder trok naar Nuth, brak de hel in deze regio pas goed  los. Op St. Valentijnsdag (12 februari) 1487 trok zijn beulsknecht Robrecht van Arensberg met ca. 1100 man naar Meerssen om de kerk en de proosdij te plunderen. De daarop volgende  vier dagen plunderden zijn mannen in een orgie van geweld het Land van Valkenburg, tijdens welke rooftocht te Schimmert dertien huizen platgebrand werden, (Rijckheit Gemeente Schimmert). Haefkesdael onderging hetzelfde lot. Alleen een voorraadkelder, een oude dertig meter diepe waterput en een vluchtgang naar het Ravensbos “overleefden”deze slachting.

 

Laethof, Obbendorff en Bockhof allemaal namen voor dezelfde hoeve

Het geslacht Lambooij ondernam in 1540 stappen om het kasteel te herbouwen en noemde het voortaan “Laethof”. De hoofdpoort kwam te liggen aan de weg tussen Schimmert en het dal dat naar Meerssen voerde. De tiendplichtige boeren konden via drie toegangspoorten hun verplichte deel van de oogst via de binnenplaats naar de tiendschuur brengen. Toen dochter Maria Lambooij een tijd later met jonker Mattheis Bock uit Aken trouwde, kon dit geslacht zich gaan “ontfermen”over deze hofstede. Toen in het jaar 1677 een van zijn nakomelingen, Jonkheer van Bock, een grote restauratie liet uitvoeren in laat-17e eeuwse renaissance stijl die nog af te lezen valt op de gevelsteen, heette de hoeve” Laethof van Haesdal of Obbendorff”. De hoeve maakte naar buiten toe een zeer weerbare indruk, hetgeen mede te danken was aan de dikke muren en de vele schietgaten. Ze werd korte tijd later echter bij een erfenis in twee delen opgesplitst, waardoor er een nieuwe ingang aan de voormalige zijkant ontstond. De Bockhof zou vanaf de Franse tijd geen adellijke bezitters meer kennen.

Bockenhof-Schimmert-Voorzicht_1

Bockhof Schimmert

 

 

 

 

De eenzame wandelaar of de boer die toen met kar en paard naar Meerssen toog, kon aan de limieten van Schimmert de voormalige riddermatige hofstede Oppendorp goed ontwaren. (5) De naam stamt uit de 17e eeuw en verwijst naar “het kasteel  boven op het dorp”. Het goed behoorde zoals gezegd, toe aan het adellijk geslacht der Bocken(!), die op grond van hun positie “regt ter verschrijving der Staten in het Land van Valkenburg” hadden. Toen de mannelijke tak uitstierf en de dames in deze familie door “mishuwelijken” tot de ordinaire boerenstand vervielen, was het gedaan met de status van de hof. Het huis staat nu nog steeds bekend als de Bockhof. Volgens Bachiene zou dit geslacht ook het dorp Boxmeer aan zijn naam geholpen hebben. Ik betwijfel of dit waar is. Wel is terug te vinden dat in de tweede helft van de 13e eeuw de graaf van Gelre het dorp Mere in leen gaf aan een zekere Jan Boc de Mere. De vraag is of deze Boc iets met die andere Bocken te maken had, voer voor genealogen dus. De Bockhof, ook Bockenhof of Bokkenhöfke genoemd, had in de periode dat Bachiene zijn indrukken neerpende volgens hem niet meer de allure van een “Herenhuizing, maar van een grote pachthof”.

Jo Vromen

Bronnen:

1 Dr.F.M. Gerards: De zaak van de rentmeester LGOG Jaarboek 2005. pgs. 33-88

2 Belastingplichtig of schatplichtig

3 Wikipedia Schimmert

4 Eifelnatur-Bockhof

5 Aardrijkskundig Woordenboek der  Nederlanden, A.J. van der Aa, achtste deel, Gorinchem 1846 c.q Rijckheit Heerlen

 

 

 

De Vrije Heerlijkheden in het Land van Valkenburg naar ds.W.A.Bachiene

De dominee bespreekt een “heerlijk onderwerp”

Toen de dominee zijn tournee land de banken, dorpen en buurtschappen erop had zitten, waagde hij het om zich volledig op de status van de resp. Vrije Heerlijkheden te storten. Naast een soort actuele rapportage geven zijn geschriften ook een inkijk in het verleden. Zij beschikten van tijd tot tijd over het hoog-, middelbaar- of laaggerecht, en waren in de meeste gevallen een paar jaar voor de Vrede van Munster in 1648 door koning Filips de 5e in eerste instantie aan adellijke geslachten in pandschap gegeven, om daarna verkocht te worden. Alle Heerlijkheden (1) werden bestuurd door een schout die eveneens als “krimineele officier” functioneerde en bijgestaan werd door zeven schepenen en een secretaris die allen door de “Heer  of de Vrouwe” van het gebied aangesteld werden. Er was echter een maar, voor de aanstelling van de schouten en de secretarissen was de goedkeuring nodig van de “Algemeene Staaten”. De landelijke overheid in Den Haag wilde dus op vitale punten hun belangen waarborgen en in de gaten houden wie er op bepaalde posities terecht kwamen. Als de schout zijn eis geformuleerd had, was het aan de schepenen om in naam van de Heer of de Vrouwe het vonnis uit te spreken, ook als het om criminele zaken ging die binnen het grondgebied van de heerlijkheden waren voorgevallen. Een eventueel beroep was daarna niet meer mogelijk.” Als er over civiele zaken vergaderd werd gebeurde dat onder voorzitterschap van de schout, die ook deze bijeenkomsten uitschreef. Personen die het niet eens waren met het uitgesproken vonnis konden “appelleeren voor het Leenhof van Valkenburg”. Dat was nog geen eindstation, want in allerlaatste instantie kon men voor een beroep nog terecht bij de Raad van Brabant in Den Haag.

De Heerlijkheden

1 Geulle

Met de benaming Geulle was iets mis volgens Bachiene. Geulle lag per slot van rekening aan de Maas. Hoe kon het dan dat dit dorp zijn naam ontleende aan de Geul die “een half uur zuidwaarts by Itter in de Maas uitwaterde”? Volgens oude verhalen kreeg Geulle echter deze naam omdat de Maas de bedding van de Geul had overgenomen!! De naam Geulle werd overigens in oude geschriften op vele wijzen geschreven, zoals Goyla, Guel en Goele etc. Het centrum in de buurt van de kerk was klein en telde maar een paar huizen. Geulle bezat echter wel een aantal “buitenbuurten”, zoals Hussenberg, Brommelen Ulsen en Moerveld. Het kasteel van Geulle, “ een cieraad welke een der grootste en fraaisten is, die in deze geheele landstreek worden aangetroffen, zynde zeer verheeven, in het vierkant gebouwd en van een breede watergracht omringt”. Bachiene beweert dat Heer Wolther van Hoensbroek in 1560 de eerste uit dit adellijk geslacht was die door koning Filips II voor een bedrag van 6.200 gulden Brabants met deze Heerlijkheid beleend was geworden. Er zou nog een andere belening volgen in 1630 toen er nog eens een bedrag van 6000 gulden op tafel moest komen, waarna de Heerlijkheid in januari 1664 als een “onsterflijk erfleen”aan de familie verkocht is geworden, en tot aan het jaar 1762 in het bezit van deze familie zou blijven. Zijn nazaat, Conrad Ulrich. baron van Hoensbroeck-Geul, is de geschiedenis ingegaan als groot bouwheer. Hij liet in Geulle rond 1620 een imposante waterburcht bouwen à la het nog bestaande kasteel van Hoensbroek en pakte gelijk ook het herstel van de bouwvallige kerk aan. Hij deed dit zo grondig, dat het dorp een compleet nieuwe kerk kreeg op de 14e eeuwse toren na.  De overlevering wil dat uit de resterende bij de bouw van het kasteel gebruikte stenen de kerk van Geulle gebouwd zou zijn op en plek waar eerst een kleine kapel stond. Bachiene komt dan op de proppen met een verhaal dat niet klopt met de tijdslijn van het dorp. De in 1461 geboren en in 1586 overleden Antoon Haasech  zou de eerste pastoor van deze kerk geweest zijn. Waarschijnlijk bedoelt hij de dat Haasech als zodanig in de oorspronkelijke oude kapel heeft gefunctioneerd. Het moet een fitte man geweest zijn gezien zijn bereikte ouderdom. Bachiene kende in Maastricht nog mensen die een beeltenis in koper gegraveerd van deze pastoor bezaten. De kerk die het familiegraf van de grafelijk familie van Hoensbroek tot Geul herbergt, werd in 1779 door de roomse en de gereformeerde religie gezamenlijk gebruikt, mede op grond van een in het jaar 1664 door de classis van Maastricht gedaan verzoek om “deze plaats van een leeraar te voorzien” die de schippers die voortdurend op en neer voeren tussen Maastricht en Dordrecht, in deze kerk hun godsdienst kon laten vieren. Maar er was nog een reden waarom het verzoek werd ingediend. Na een eventuele goedkeuring konden de spaarzame gereformeerde gelovigen uit het aan de overzijde van de Maas gelegen Rekem , maar ook die uit de zich in de naaste buurt bevindende Vrije Heerlijkheden Stein en Elsloo afzakken naar het Maasdorp om er de gereformeerde dienst bij te wonen. Volgens Bachiene was op het moment dat hij dit schreef, het aantal aanhangers van zijn “ware religie”erg klein, en bezat het dorp een predikant die door de classis in Maastricht na approbatie van de Haagse overheid was aangesteld, en woonden er ook enkele Mennonieten ( doopsgezinden genoemd naar de priester Menno Simons uit Witmarsum) in het dorp. Geulle werd in maart 1772 getroffen door een zeldzame natuurramp, waarbij een modderstroom zich met groot geweld een weg naar beneden baande vanaf de Moorveldse hoogten. Bachiene vertelt niet of er ook slachtoffers te betreuren waren.

2 Bunde- Ulestraten

Beide dorpen vormden in 1778 samen een Heerlijkheid die eveneens eigendom was van gravin Anna Marie, geboren Hoensbroek tot Geul en douarière (weduwe van adel) van Hohenzollern. Anna Marie werd op acht mei 1729 geboren op slot Geulle en overleed daar ook op 26 september 1798. Bunde dat toen in een laagte nabij Geulle lag, had een kleine kerk die alleen door de roomsgezinden gebruikt werd. Deze Heerlijkheid werd al in het jaar 1626 voor 4000 gulden verpand aan de Heer van Geulle. Bunde bezat toen in de buitenplaats Rustenburg een bijzondere plek. Huize Rustenburg is nu een volledig gerenoveerde bakstenen herenhof en rijksmonument die gesitueerd is rondom een binnenplaats met een achtervleugel uit 1654 en een ingangsvleugel uit 1720.  Als Bachiene over Ulestraten begint, lijkt het wel alsof hij het over een vreemd en ver oord heeft waar een sataneske religie het voor het zeggen heeft. Het is duidelijk dat de mens voor hem bestond uit een door de overheid “gechipte” verplichte staatsreligie en dat iedereen die daaraan niet beantwoordde welhaast een inboorling uit het verre Afrika leek: “t ander dorp Ulestraaten ligt op ’t gebergte en wordt mede eeniglyk bewoond door Roomsgezinden”! Tot het dorp behoorden toen in de taal vanm Bachiene de gehuchten Groot en Klein Bergen, Schietikhoven, Humhoven, en Waterval. Het gebied was op 7 augustus 1626 voor de lieve duit van 3100 gulden aan de graaf van Rekkem verpand, maar is daarna waarschijnlijk voor meer geld naar het geslacht van Hoensbroek tot Geul gegaan. Het dorp bezat drie voorname bronnen die de inwoners van water voorzien. Deze bronnen ontsprongen resp. uit “een bergweide en uit het nabijgelegene gebergte, en gaven zooveel waters dat er te Meerssen een graanmolen door in werking wordt gebracht”. De van de deze bronnen stammende beekjes liepen in een kromme richting naar de Geul, aldus geschiedschrijver Poell. Het Slot-te Vliek viel volgens Poell op door zijn fraaie waterpartijen en bossen die een totaal oppervlak van 110 bunder besloegen.

3 Itteren

Het dorp Itteren, oorspronkelijk een Vrije Rijksheerlijkheid samen met Borgharen, ontstond in de Middeleeuwen op de oostoever van de Maas. In het jaar 1330 werd het leen Itteren ontkoppeld van Borgharen en kwam toe aan de heren van Valkenburg. Het dorp kwam uit hoofde van het Partage Tractaat in 1661 in Staatse handen. In 1778 was het in bezit van de Heer J.A.J. Olyslagers oud-burgemeester van Maastricht en commissaris-instructeur en pensionaris van deze stad aan Luikse zijde. Hij kocht het enkele jaren eerder van de familie Gilman uit Luik. Olyslagers bezat ook het voortreffelijk kasteel Meerssenhoven. Naast Huis Hardestein of Hartestein ( Hartelstein) behoorde het goed tot de toenmalige parels in de omgeving.

4 Op-Haren (Borgharen)

Dit dorp werd zo genoemd om het te kunnen onderscheiden van het aan de andere kant van de Maas bij Rekem gelegen Neerharen. Neerharen was een Heerlijkheid die in de tijd van Bachiene in het bezit van de abdis van Hocht, Vrouwe Douarière van der Heiden de Blisia de Loye, geboren barones de Rosen die in de stad Luik vertoefde. Deze abdij was eens in handen geweest van de Cisterciënzernonnen van Aken maar was geleidelijk aan geëvolueerd naar een klooster voor seculiere vrouwelijke kanunniken. De dames konden zelfs uittreden en huwen en de eeuwige gelofte van zuiverheid had enkel nog betrekking op de abdis zelf. De in het jaar 1708 in functie zijnde abdis Marie-Ursule de Minckwitz verwierf in dat jaar door aankoop de Heerlijkheid Neerharen en werd daarmee Vrouwe van Neerharen. Het klooster of ook wel stift genoemd was alleen toegankelijk voor adellijke dames die voor het geval ze in de Hocht wilden intreden wel acht adellijke kwartieren moesten kunnen voorleggen. In de abdij leefden nonnen die ook wel werkzusters genoemd werden en de geloftes van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid moesten afleggen. Het andere deel van de populatie bestond uit dames van adel, die men koornonnen noemde. Zij waren gehouden de gelofte van gehoorzaamheid af te leggen. Zweren op de andere geloftes was enigszins een probleem. De gelofte van armoede afleggen lag voor hun moeilijk gezien hun adellijke status, en kuis zijn was iets dat voor hun alleen maar hoefde tijdens hun verblijf tussen de vier muren van het klooster. De freules mochten immers het klooster verlaten. Zo gaf de abt-generaal van hun orde na een inspectie in 1612 het advies om een muur rondom het klooster te laten bouwen, want de dames hadden last van “allerlei verzuchtingen en kwellingen” en alleen een muur zou hun op het goede spoor kunnen houden. De hoge geestelijke achtte het eveneens noodzakelijk om de deur die naar de kamers van de biechtvader en de kapelaan leidde te verplaatsen, en zelfs de jonge bakkers in de kloosterbakkerij vormden in zijn ogen een bedreiging voor de jonge dames. Het gerucht dat baron Floris de Merode in die tijd verliefd zou zijn geweest op abdis Anna de Robles deed zelfs de ronde. Overigens bezat het klooster een refugie in Maastricht, de Poort van Hocht aan de Boschstraat.

Terug naar Borgharen, de heerlijkheid die ook in handen was van  de abdis van de Hocht, en waarvan Bachiene zei dat het kasteel aldaar “redelyk groot was en van een deftig aanzien”. Het kasteel was eerder in vervallen staat geraakt en vrijwel onbewoonbaar geworden. De abdis had echter ingegrepen en opdracht gegeven tot een renovatie waarmee men in 1776 startte en die ertoe leidde dat het kasteel aanmerkelijk verbeterd en vernieuwd werd. Het bracht voor de abdis een voordeeltje mee. Ze kon er in een aangename omgeving heerlijk de zomer doorbrengen. Tijdens de belegering door de Fransen van Maastricht in 1748 had de Franse generaal graaf van Löwendal er zelfs zijn onderkomen van gemaakt. De kerk te Borgharen was opgedragen aan St.Martinus. Het simultaneum gold ook voor Borgharen, uit hoofde waarvan een maal per jaar in deze roomse kerk een protestantse kerkdienst gehouden moest worden. Uit een vroeg 18e eeuws (2) visitatieverslag bleek dat er geen protestanten in het dorp woonden, maar dat de Staten wel het goed van de kerk en de bezittingen van de armen in beslag genomen hadden. Er was ook geen schoolmeester te vinden, en als die er al mocht komen moest hij beslist van protestantse huize zijn.

5 Eijsden

Bachiene betitelde het als een groot en vermakelijk dorp dat “van een wyden omtrek’was, en behalve het dorp zelf uit 699 bunders bouw- en weiland bestond. Deze Vrije Heerlijkheid behoorde eerst toe aan het geslacht van Amstenrade die ook Heer van Geleen waren. Nadat Johan Willem van Amstenrade in eerste instantie zijn vader Arnold was opgevolgd als heer van Eijsden deed hij daarna vrijwillig door akte van cessie afstand van zijn bezit waardoor het in 1592 in handen kwam van zijn zus die gehuwd was met een Bourgondisch edelman uit de familie de la Margelle. Deze edelman liet de Heerlijkheid na aan zijn zoon Arnold de la Margelle die als kapitein dienst deed in de lijfwacht van de koning van Spanje. Het gebied zou in de 17e eeuw in handen van deze familie blijven, maar door uitsterving in de mannelijke lijn zou de naam de la Margelle uit de boeken verdwijnen. De enig overgebleven dochter van de laatste de la Margelle, Arnold Theodoor Amor, Heer van Eijsden en Eupen, trouwde in 1703 met Anthon Ulrich, graaf van Hoensbroek tot Geul, en Heer van Oost, die een zoon was van de broer van haar moeder. Hij liet na zijn dood in 1727 twee dochters na, waarvan de oudste, Isabella, drie jaar eerder gehuwd was met graaf Maurits de Geloes, Heer van Fontenois in Condros, eerste minister van de prins-bisschop van Luik, en namens deze commissaris-deciseur in Maastricht. Zijn oudste zoon, graaf Willem de Geloes bezat ten tijde van Bachiene bezat de Heerlijkheid Eijsden terwijl zijn jongste zoon op dat moment het ambt van Hoogproost van het St.Servaas kapittel bekleedde. De nieuwe Heer had het kasteel in 1775, “zeer vernieuwd en verbeeterd, zijnde met een schoonen tuin en vermakelyke wanderldreeven vercierd”! Inderdaad, de elite wist er wel weg mee. Het kasteel en eigenaar Arnold de Margelle hadden in de persoon van prins Willem van Oranje in november 1672 enkele dagen lang een voorname gast gehad. Hij had het namelijk tot zijn hoofdkwartier gemaakt toen hij met zijn leger onderweg was naar Charleroi om die stad te gaan belegeren. Van een belegering kwam echter niets vanwege het ruwe winterweer. De prins werd allervriendelijkst ontvangen door de gedeputeerden van Luik die hem verrasten met een banket en een lading “eerewijn”. Zijn ruiters konden daar niet van mee genieten, zij lagen in de dorpen in de omgeving ingekwartierd, en hadden tussen slot Navagne en Visé een schipbrug geslagen die hen in staat stelde hun tocht naar hun doel voort te zetten.

Bachiene ging nu zijn stokpaardje berijden en noteerde dat Eijsden “ten allen tyde een taamlyk talryke Gereformeerde gemeente gezien had, hoewel zy sedert eenige jaren afgenomen was het recht van vrye Predikantsberoeping had”. In de periode tussen 1648 en 1661 bestond er ook een Gereformeerde Gemeente te ’s-Gravenvoeren die met die van Eisden gecombineerd was. De gemeente van ’s-Gravenvoeren hield op te bestaan toen dit dorp binnen de regels van het Partage Tractaat aan de koning van Spanje kwam. In het begin van de 18e eeuw was Eijsden de begraafplaats voor de soldaten, officieren en hun gezinnen van de gereformeerde godsdienst die in Hoei in dienst waren van het Staatse garnizoen. Hun stoffelijke overschotten werden per schip naar Eijsden vervoerd niet alleen omdat dit dorp het dichtst bij gelegen was, maar voornamelijk omdat er een gereformeerde kerk was. Volgens Bachiene waren de mensen bang dat in het geval Luik weer heer en meester zou worden in Hoei, men uit wraak de gereformeerde inwoners “eenige mishandelingen zouden aandoen”en zelfs de begraafplaatsen niet met rust zouden laten.

Het dorp bezat zeer fraaie huizen die in handen waren van lieden van elders die door de aangenaamheid en de landstreek gelokt werden om er te komen wonen. Sommige inwoners hielden zich bezig met de handel in en het verkopen van koren en Hollandse waren die zij uitvoerden naar de Landen van Daalhem en Limbourg.   In de omgeving van Eijsden vond men uitgestrekte boomgaarden die hun vruchten leverden aan de jenever stokerijen in het dorp. Voorheen waren er scheepsladingen zwarte kersen naar Rotterdam gegaan, maar die handel was de laatste jaren in elkaar gezakt. Er was nog meer handel, want in 1775 was een “voornaam koopman uit het Monsjouwerland” naar Eijsden getrokken om er een lakenfabriek ter beginnen. Hij had een groot huis met erf gekocht en had ervaren arbeidskrachten aangetrokken die bedreven waren in spinnen, weven, vollen, verven etc. De overheid was in gevolge een resolutie van vijf april 1775 bereid om het “recht van naasting ”(3) voor vijf jaar op te schorten zodat een eventuele schroom bij ondernemers om zich hier te vestigen zou kunnen weggenomen. De Heer van Eijsden bezat op de Maas een watertol en een landtol, waarmee burgers uit Maastricht  wat betreft de watertol vrij waren. Ten zuiden van Eijsden lag het buurtschap Laag-Kaastert dat die naam droeg om het te onderscheiden van het aan de overkant gelegen kasteel Hoog-Kaastert aan de rand van de St.Pietersberg. Laag-Kaastert kende een watermolen, een zaagwatermolen en een buitenplaats die de naam Reinickenhof droeg, naar de voormalige eigenaar een officier uit het Staatse garnizoen in Maastricht. Bachiene vond dat het gehucht er qua opstelling van de huizen verward uitzag. Dat de Rijksheerlijkheid Bruist eens een geheel vormde met Eijsden bleek in 1778 nog uit allerlei zaken. Zo kende de kerk van Eijsden toen geen pastoor maar werd bediend door de pastoor van Bruist. Bruist was op dat ogenblik eigendom van het kapittel St.Martin in Luik, die ook de drossaard en de noodzakelijke ambtenaren voor Bruiste aanstelde.

Het buurtschap St.Geertruid lag ten noordoosten van Eijsden op een hoogte en werd door zijn onderhorigheid ook wel Eijsden-op-den-berg genoemd. De daar gelegen kerk bezat geen gereformeerde predikant en ook geen schoolmeester van dezelfde religie. De inwoners van het aanpalende Herkenrade bezaten geen eigen kerk, en daar ze in 1778 allen van de roomse godsdienst waren gingen in St.Geertruid ter kerk. Bruisterbosch en Libeek waren meer landinwaarts gelegen. Libeek bezat een voormalig riddermatig goed dat er volgens Bachiene uitzag als een pachthof. Het huis behoorde toe aan de graaf Hoen, Heer van Neufchateau, die uit hoofde van dit bezit tot de Landstenden van het Land van Overmaze gerechtigd was. Er was echter nog een gebied dat bezit was van Eisden. Dat was het verder weg gelegen Blyt of Ter Bliet bij Valkenburg.

1: Jaques le Roy, ridder en vrij baron van S.Empire heeft in 1716 in Brussel een interessant boekwerkje laten uitgeven over de geschiedenis van verpande en verkochte Heerlijkheden in geheel Brabant en Limburg. “Instructions et Ordonnances de l’alienation, engagere et Vente des Seigneuries, Domaines et jurisdictions du Duché de Brabant et pais de Outre Meuse.

2 Ubachs-Evers, Historische Encyclopedie Maastricht 2005

3 Recht van naasting: Dit was in de Nederlanden tot aan het einde van de 18e eeuw van kracht en hield in dat degene die het recht van naasting bezat, het recht had om het verkocht onroerend goed over te kopen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Huize ten Esschen en de pachters slot

Peter Boist en anderen, op 12 januari 1733 (***)

 Op deze dag gebeurt er heel wat. Het moet druk geweest zijn in de Mankamer te Heerlen. Niet minder dan tien personen kunnen we op deze datum in de akten terug vinden. We beginnen met Peter Boist en Jan Boyst. De laatste wordt betiteld ala “possesseur ( bezitter) des stocklehen van den Nesschen”.  Lennert Boest valt dezelfde eer ten deel, hij wordt ook bezitter van het stokleen. Hind Bousch, eveneens. Dan hebben we nog Werren Dautzenberg, J.W.Fransen, Gerret Penings, een zekere Mougen (Monen ?), en Peter Wetzels. Ze worden allen genoemd als “possesseur des stocklehen van den Nesschen”. (LvO 6409)

Peter Johan Dautzenbergh verschijnt eveneens in de veelheid van de namen. Hij wordt “beleent met ten Nesschen”. Peter Johan was ook griffier te Heerlen. De namen lijken erg veel op elkaar. We kunnen ervan uitgaan dat het om familieleden gaat. In een originele akte, opgemaakt op 9 november 1733 “ in die banck van Herlen”, vinden we de namen van Werren Dautzenbergh, Jan Boijs, Peter Wetzels, Jan Brüns, Gerret Monen en Johannes Maugen terug.

Jan Boest, 1738(***)

 Jan was getrouwd met Anna Vernau, en woonde in 1738 daadwerkelijk op de hoeve te Ten Esschen, hetgeen moge blijken uit het volgende. In het boek van G.Ramaekers en Th.Pasing staat op blz. 88 een foto van een houten balk, waarin een vrome wens om de boerderij voor onheil te behoeden staat gekerfd. De letterlijke woorden zijn: “Dit huis In Gots hant God beware voor fuir en brant Anno 1738 den 30 iunius i. p Ian Boest-Anna Vernau”.

Daniel van den Esschen, 1749 (????)

Zie Rijckheit: Hans Peter Damen eiser, tegen gedaagde Daniel van den Esschen i.v.m pachtschuld. Civiel proces dossier 3547, inv.nr LvO 6173 dossier nr. 16 , 20 januari, 1749

Joseph Wielders, 1755 (***)

 Wellicht is Wielders de bekendste bewoner van de hoeve. De overval op de boerderij van oudejaarsdag 1755 is uitgebreid beschreven in het boek van Ramaekers en Pasing uit 1973. De hoeve fungeerde toen als een soort herberg en winkel, een z.g. panhuys. Wielders was daarnaast ook landbouwer. ( zie foto hoeve hierna volgend)

Johannes Boest, 1773 (????)…………………..

In het protocol van het scherp examen tegen Peter Geerits van drie augustus 1773 wordt bijna achttien jaar na de overval op de herberg op ten Esschen gesproken over het “Meijske van Caardemig”, dat deel zou uitgemaakt hebben van de bende: “welk Meijsken ook meede in de herberg op ten Esschen bij Johannes Boest geweest is”. In december 1755, ten tijde van de overval, was Joseph Wielders daar echter de man. Het zou kunnen zijn dat in het protocol de naam genoemd wordt van de in augustus 1773 aanwezige boer op de hoeve. Dat betekent in dat geval weer een Boest op de hoeve na de Jan Boest van 1738.

 

***=Pachter