De Merodes spekken hun beurs deel twee in hfd. 9 van het boek De Heerleijkheid Borgharen

Indien sprake was van een “beneficium simplex”, hoefde de drager van het beneficie geen priester te zijn. In dat geval ontving hij slechts de tonsuur. Verder diende hij een priester aan te wijzen die in zijn naam missen opdroeg. De beneficiant zelf genoot echter de inkomsten van het beneficie. Hij moest wel de onkosten vergoeden voor het gebruik van de kerk en de priester zelf betalen. De beneficiant werd geïnstalleerd tijdens een plechtigheid waarbij hij in het bijzijn van twee getuigen de vier hoekpunten van het altaar moest aanraken. Dat gold ook voor de kelk, het missaal en de ornamenten. Een nieuweling kon pas als volwaardig en stemhebbend kanunnik optreden als hij tot subdiaken was gewijd. Als hij vervolgens de eed had afgelegd, werd hem door de deken van het kapittel een stuk brood aangeboden waardoor hij in het daadwerkelijke bezit kwam van de prebende, anders gezegd de vaste toelage uit een kerkelijk goed. Een kanunnik kon pas na een periode van twee jaar in het volledige genot van deze prebende treden. Daar was wel een maar aan gekoppeld. Hij moest zich stipt houden aan de spaarzame plichten die het ambt van kanunnik met zich meebracht.  Adolphe van Merode zou nog een tijdje lang onder de hoede van zijn broer Herman blijven.

 Rentmeester Christoffel Heymersbach had ten behoeve van de aanvaarding van zijn ambt in opdracht van zijn broer Herman een aantal kledingstoffen voor deze jongeling aangeschaft. Het betrof “seven ellen swarte singels aen 39 stuivers, drie ellen swart  laecken ende drie veerdel roit laecken, item oock laecken voer eynen mantel , twee ellen syden cramosie, vier ellen witte saryck, ende eyn koerrockelynken van fijn doeck voir 30 gulden en elf stuivers”. Dat was een heel bedrag, maar het betrof dan ook dure stoffen. Alleen de koorrok werd kant en klaar aangeschaft. Drie jaar later gingen Adolphe en Herman samen met hun kennis jonkheer van Binsfeldt, een hapje eten in de bij de lokale adel zeer populaire herberg de Helm, het latere hotel du Casque aan het Vrijthof (8). Het werd een duur etentje. De drie gasten moesten het stevige bedrag van twintig  gulden en achttien stuivers afrekenen. Adolphe bleek in het jaar 1572 nog steeds kanunnik van het St.Servaas kapittel te zijn , hetgeen niet zonder meer betekende dat hij daar ook als zodanig functioneerde. Dat zal duidelijk worden uit het hierna volgende relaas. Andere functies brachten hem duidelijk meer geld op. Adolphe komt nog een aantal malen voor in de regestenlijsten van het archief van kasteel Borgharen  (9). Naar het schijnt had de jongeman ook op andere terreinen zijn vleugels uitgeslagen en was hij op voorname plekken beland. Op elf januari 1569 verleende de aartsbisschop Salentin van Isenburg van Keulen deze zeer in aanzien gestegen dertiger op kasteel Brüll n.l. de titel van “grand veneur”. Met deze eervolle daad wilde de bisschop duidelijk maken dat Adolphe op uitstekende wijze toezicht had gehouden op de jacht en de jagers in de door de bisschop aan hem toevertrouwde domeinen. De ruim in de slappe was zittende Keulse prelaat gaf Adolphe en zijn bedienden ook een winter- en zomerpak ten geschenke. Dat konden ze goed gebruiken bij de ruwe jachtpartijen(10). Adolphe werd in april 1570 nogmaals geëerd, nu met  de titel “kuckenmeister”. Die kreeg hij voor de wijze waarop hij de huishouding van de bisschop in goede banen had geleid. Dat de aartsbisschop zijn naaste medewerker hoog achtte, bleek uit zijn besluit om Adolphe vanaf zevenentwintig augustus 1577 voor zijn trouwe diensten het vruchtgebruik te verlenen van Huis Busschoven en alle daarbij behorende tuinen en toebehoren. Dit aan hem verleende recht zou gelden voor de tijd dat hij in leven zou zijn. De aartsbisschop liet nog eens apart optekenen dat Adolphe ondanks zijn nieuwe bezittingen zijn taak als grootjager zou blijven vervullen zoals dat in het jaar 1569 was overeengekomen (11). Adolphe had als extra taak erop toe te zien dat de varkens tijdens de periode dat ze vet gemest werden voldoende uitgelaten werden op de landerijen en in bossen in de directe omgeving. De inmiddels als hoge functionaris te boek staande van Merode zal daar ongetwijfeld zijn knechten voor gehad hebben. Vuile handen zal hij beslist niet gekregen hebben. Het leverde hem wel een extra douceurtje van honderd florijnen per jaar op. Er valt nog te vermelden dat ook zijn broer Hendrik kanunnik zou worden, en wel in de domkerk te Mainz. Over zijn andere broer Willem die op vroege leeftijd overleed, en over zijn broer Otto is vrijwel niets bekend. Van zijn drie zussen weten we iets meer. Ursula huwde een met voornaam onbekend gebleven van Velbruck, Katharina trouwde met Jan van Virmond, heer te Neerssen, en Joanna met Otto Walpot van Bassenau heer te Jodenau.

Iets meer is bekend over zijn jongste zus Gertrudis Scheiffart van Merode. Zij trouwde op 19 juli 1554 in de kerk van Hoensbroek met de dan 29 jaar oude Godfried Hoen van Hoensbroeck, heer van Hoensbroeck, Oostham, Beringen, Quaadmechelen, Linsmeau enz. De daartoe bestemde huwelijksvoorwaarden werden eveneens op 19 juli 1554 opgesteld. Godfried ook wel Godard genoemd, was in zijn jonge jaren kanunnik geworden, maar had dit geestelijk ambt in 1543 aan de wilgen gehangen. Hij was kanunnik in de Domkerk van Luik, maar moet op een bepaald moment andere prioriteiten gekregen hebben. Het verlies van inkomsten ten gevolge van deze stap, was geen probleem. De welstand van de familie Hoen en het gemak waarmee via de onderlinge adellijke contacten zaken geregeld konden worden stonden hiervoor garant. Zijn vader Herman III had al eerder het goede voorbeeld gegeven. Hij was evenzeer als zijn zoon kanunnik te Luik geweest, alvorens Maria van Davre te huwen. Godfried die Gertrudis via zijn contacten met de Merodes had leren kennen, moet  zeker geweest zijn van zijn zaak. Na rijp familieberaad werd er besloten om in het jaar 1554 te trouwen. Het stel bleef na de trouwplechtigheid niet lang in Hoensbroek hangen. Ze besloten een uitstapje te maken naar het in de buurt liggende Borgharen, waar ze met hun gevolg door Gertrudis broer Herman op hartelijke wijze ontvangen werden. Herman had zijn best gedaan om het stel een zo aangenaam mogelijke tijd te bieden. In de rentmeestersrekening zien we o.a. een maaltijd voor een bedrag van drie en dertig gulden terug. In dit bedrag was de waarschijnlijk in Borgharen gevangen en in Maastricht door een pasteibakker bereidde haas niet inbegrepen. Had Herman dit feestje helemaal zelf georganiseerd? Nee, Hermans jongste broer jonker Adolphe had zich hiermee belast. Hij wist als keukenmeester van een bisschop immers precies hoe hij “de hazen moest vangen (12)”.Het stel zou twee kinderen krijgen. Wolter II van Hoensbroeck-Geul, en Ulrich van Hoensbroeck en Haag. De laatstgenoemde zou later de negende heer van Hoensbroeck worden.

Heer Herman zou ondanks zijn belening uit het jaar 1544 pas in het jaar 1552 zijn kasteel betrekken . Die belening in het jaar 1544 gebeurde zoals reeds gezegd aan “Servaes van Buijdel tot behoeff jonker Herman Scheyfart van Merode, wonende te Bornem by doode wylens Ulrichs Scheyfarts van Merode, in synder tyt heere tot Bornem, syns vaeders, dat dorp ende heerlicheyt Haeren metten wateren ende allen synen toebehoerten”. Jonkheer Herman is dan ook de volgende in het rijtje van de in Borgharen actief geweest zijnde Merodes.

Noten:

8 Ubachs-Evers: De herberg de Helm aan het Vrijthof, oudste vermelding 1439, eigendom van de familie van Otegroven (in Voerstreek?). Pleisterplaats voor de adel uit de omstreken.

9 Lexicon van Nederlandse archieftermen: “Eene regestenlijst van een archief of een gedeelte van een archief is eene chronologisch gerangschikte inhoudsopgave van alle oorkonden die in originali of in afschrift in een archief of gedeelte van een archief aanwezig zijn”.

10 Archief Kasteel Borgharen 14e -19e eeuw: 1569 januari 11, 16.0512 regestenlijst nr.33.

11 Archief Kasteel Borgharen 14e-19e eeuw: 1577 januari 27, 16.0512 regestenlijst 35b.

12 Jos.Habets, De voormalige heerlijkheid Borgharen: pg.58, “behalve den haes die Jonker Aldof Scheifart had doen backen te Tricht by den pasteyebecker”.

Wordt vervolgd.

PS Ik denk er over na om het boek toch uit te geven als private uitgave met voorinschrijving. Nadere berichten volgen.

De Merodes spekken hun beurs, hfd.9 boek Borgharen kasteel

Het verwerven van kerkelijke inkomsten

Het verkrijgen van kanonikaten, het ambt van kanunnik, was zowel voor vrouwen als mannen uit adellijke families, in het bijzonder bij de verschillende takken van het geslacht van Merode een veel beproefde manier om in financieel gunstig vaarwater te komen. Dit streven had tot doel de materiële positie van de volgende generatie te waarborgen. Zo vinden we personen uit deze Rijnlandse familie in de late vijftiende en in de zestiende eeuw meermaals terug in het kapittel van Onze Lieve Vrouwe in Maastricht (6). Proosten van dit kapittel die afkomstig waren uit de familie van Merode, hadden de neiging  om onder meer hun eigen broers, eigen of buitenechtelijke kinderen, of andere tot het geslacht van Merode behorende personen tot kanunnik te benoemen. Uitwassen op dit terrein kwamen eveneens voor. Zo werd er zelfs een twaalfjarig neefje tot kanunnik benoemd. Dit was alleen maar mogelijk omdat de Merodes gedurende lange tijd een machtspositie in het kapittel innamen. Proost Arnold III van Merode waagde het zelfs om zijn verblijf buiten Maastricht te vestigen. Hij bleek in het jaar 1578 een zeer gerieflijk onderkomen te hebben binnen het kapittel van St.Lambertus in Luik. De proosten uit deze familie maakten dan ook op zeer nepotistische wijze gebruik van hun benoemingsrecht. Uiteindelijk leidde dit tot een grote absentie van de in Maastricht benoemde kanunikken. Deze afwezigheid was te wijten aan het feit dat ze op andere plekken ook nog benificies bezaten die in veel gevallen rendabeler waren. De taak die ze in het O.L.Vrouwe kapittel hadden, lieten ze voor een schijntje waarnemen door arme kapelaans. Dat gebeurde wellicht ook maar dan in mindere mate, binnen de Merode tak aan wie Borgharen toevertrouwd zou raken. Het kwam zeker voor in het huwelijk van Willem van Merode en Agnes van Bylant waaruit zoals we zagen veertien kinderen geboren werden. In zekere zin waren het mede stappen die uit nood geboren waren. Niet iedereen uit een gezin van een dergelijke omvang kon een kasteel met eigen territorium verwerven. Het bleek wel mogelijk dat een kanunnik of de vrouwelijke variant daarvan na een aantal jaren een kapittel kon verlaten om met het opgebouwde kapitaaltje alsnog een vette adellijke prooi aan de haak te slaan. Dat gebeurde dan buiten de muren van een klooster.

Hermans broer Sepherin, die Commandeur van de Duitse Orde in Keulen was, was een vertrouweling van de Keulse bisschop en vergezelde hem vaker op zijn reizen. Dat was ook het geval in het jaar 1549. Beiden maakten toen met hun gevolg een reis naar Brabant om de hertog van Brabant met een  bezoek te vereren. Ook Sepherin had een onbedwingbare drang om eens een kijkje te gaan nemen op het kasteel van zijn broer Herman. Hij meldde zich in het jaar 1560 plotseling aan de kasteelpoort, en nam geruime tijd zijn intrek in een van de vele vertrekken van het kasteel. Zijn in 1537 geboren broer Adolphe stapte in de voetsporen van Sepherin. Hij volgde een zekere Frans van Eijnatten op als kanunnik in de stiftkerk van St.Servaas te Maastricht (7). Om zich in het bezit te kunnen stellen van de daaraan verbonden “prebende, een rente uit kerkelijke goederen die aan een clericus, met name een kanunnik werd toegekend als vergoeding voor een door hem te verrichten geestelijke bediening”, klopte hij in het jaar 1552 bij broer Herman aan. Adolphe had geld nodig. Herman schonk hem het  benodigde bedrag van 665 gulden uit de goederen van Borgharen. Hij had er geen slecht gevoel bij. Het geld zou zich vanzelf terugbetalen. Adolphe had dit bedrag nodig omdat hij zich moest inkopen bij het kapittel. De uiteindelijke bedoeling was echter dat deze investering zou gaan renderen, waardoor hij in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien. Adolphe werd op drie oktober 1555 toegelaten tot het kapittel. In eerste instantie werd hij ondergebracht bij de scholieren. Dat had een tweeledige reden. Op de allereerste plaats had hij de vereiste leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt, en ten tweede was hij niet in het bezit van het ambt van subdiaken. De plechtigheid rondom de aanvaarding van zijn kanunniksambt liep op een grote teleurstelling uit. Het  aanhoudende regenweer gooide roet in het eten en verhinderde hem bij de plechtigheid aanwezig te zijn.

Noten:

6 Publications 1995, J.A.K. de Haas,  De familie van Merode en haar verhouding tot het kapittel van O.L.Vrouw te Maastricht, pg.69.

7 H. Franssen, De houding van de adel van het Land van Valkenburg en het Verbond der Edelen 1565, Maasgauw nr. 101, 1982. Het geslacht van Eynatten, ook wel von Enatten, is een oeradellijk geslacht uit het hertogdom Limburg en wordt voor het eerst vermeld in een oorkonde uit 1213.Het stamhuis van het geslacht, dat tot de aanzienlijkste tussen Maas en Rijn behoort, ligt in Eynatten bij Raeren achter Vaals.

Reiner van Merode, vervolg hfd.9 boek over de heerlijkheid Borgharen

Hermans jongere broer Ulrich trouwde met  Anna van Bylant. Hun huwelijk bracht meerdere kinderen voort en Ulrich schopte het tot heer van Nijenrode. Dan waren er nog de jong gestorven Adam en Reiner Scheiffart van Merode. Deze laatste zou als Groot-Commandeur van de Duitse orde in Koblenz terechtkomen. Ook niet mis. Volgens Jos. Habets zou deze Reiner meerdere keren bij zijn familie in Borgharen opduiken (5).

Tijdens een van deze bezoeken werd de rentmeester van Borgharen er in het jaar 1554 door Herman van Merode op uitgestuurd om een aantal zaken voor zijn broer Reiner aan te schaffen. De rentmeester kwam terug met “eenen nuwen sabel, twaalf ellen bruijnmorcken en een swart berret”. Vier jaar later, in 1560, dook Reiner nog een keer in Borgharen op. De rentmeester had het al kunnen weten, want ook deze keer moest hij spullen voor Reiner gaan kopen. Deze keer ging het om “voerdoeck voir eenen mantel, ende voir hosen, vier ellen engels doeck ende eene elle swerte kersije” . Deze uitgebreide inkopen gebeurden niet zomaar, en hadden te maken met Reiners grote plannen. Hij had met zijn zwager, de heer van Hoensbroek, afgesproken om later dat jaar een avontuurlijke reis naar Brussel maken. Deze reis had een bijzonder doel. Reiner was vastbesloten om in Brussel een almanak op de kop tikken. Ook in die dagen al was een almanak een jaarlijks terugkerende publicatie met informatie op allerlei gebieden. Hiermee werd duidelijk dat moderne ontwikkelingen zeker niet aan de toenmalige elite voorbij gingen, en dat men erg goed op de hoogte was van de nieuwste trends. Daar waren de vele onderlinge adellijke contacten niet vreemd aan. Tijdens visites kreeg men immers weet van zaken die interessant waren, en die men wellicht ook graag wilde hebben. De eerste almanak werd voor het eerst in 1540 in de universiteitsstad Leuven gedrukt onder de titel “Prognostication de Louvain pour l’an de grace MDXL”.Reiner van Haren zou in oktober 1560 de heerkijkheid van zijn broer weer verlaten. In het gezelschap van zijn twee jachthonden vertrok hij naar Judenau in Neder-Oostenrijk. Hij was van plan om zijn daar wonende familieleden met een bezoek te vereren.

Noten

5 Jos.Habets: De voormalige heerlijkheid Borgharen,pg.56.

Afbeelding

Ulrich Scheiffart van Merode volgt zijn broer op te Borgharen

We zijn nog steeds bezig met hfd. 9 van mijn boek

Ulrich Scheiffart van Merode

Ook Ulrich moest volgens de geldende regels na de dood van Willem opnieuw beleend worden met de bezitting Borgharen (1). Er is wel enige onduidelijkheid omtrent de datum van deze belening. Waar de akte in het archief het jaar 1541 aangeeft, spreekt historicus Jos.Habets over zeventien mei 1540, hetgeen een vergissing moet zijn: “Anno 1540 den XVII Maye heeft Ulrick Scheifarts van Merode ontfanghen die heerlijkhyd van Haren, in maniere gelyck wylen here Wyllem van Merode riddere, voirs. leen ontfaen heeft in namen van hemselve ende van den voirs. Ulrick synen broeder, behoudelycke  Jouffrouw  Katherine van Flodorp synre moeder haeren tocht”.Je mag je afvragen wat er aan de hand was bij de familie Scheiffart van Merode. Ook Ulrich van Merode overleed na korte tijd op veel te jonge leeftijd in het jaar 1543. Uit zijn huwelijk met Ursula Hompesch tot Bolheim werden welgeteld veertien kinderen geboren, waarvan er eentje voor even en eentje voor langere tijd in de boeken zouden verschijnen als heer van Borgharen. Door allerlei familieomstandigheden zou er zou echter in eerste instantie een vervanger gezocht worden om in Borgharen waar te nemen. Dat gebeurde in het jaar 1544. Servaas van Buydel uit het geslacht van Buel, werd toen als gevolmachtigde van Herman Scheiffart van Merode na de dood van diens vader door de Raad van Brabant tijdelijk met Borgharen beleend. Van Buydel of van Buel zou er namens dit machtige geslacht gedurende acht lange jaren de gang van zaken waarnemen (2).

Zoals Habets op pg. 56 van zijn boekwerk uit 1872 vermeldde, werd het oudste kind en eerstgeboren zoon Werner Willem Scheiffart van Merode waarschijnlijk pro-forma op vijfentwintig oktober 1552 met Borgharen beleend. Binnen deze familie moet toen al bekend geweest zijn dat hij ook niet de intentie had om iets met dit bezit te doen, laat staan om er ooit zijn zijn intrek te nemen. Daarvoor had hij te veel andere bezittingen met een waarschijnlijk grotere aantrekkingskracht. Ook deze Werner Willem had zoals zovele toenmalige adellijke personen een bijzondere hobby. Het verzamelen van bezittingen. Naast het feit dat hij eigenaar was van de heerlijkheid Bornheim, was hij onder meer ook “amptman” in de aan de Rijn gelegen plaatsen Bonn, Godesberg en Rolandseck (3). Werner had de heerlijkheid Borgharen in eerste instantie niet geheel voor eigen rekening ontvangen. Hij diende wel degelijk rekening te houden met de belangen van zijn vele broers, die ook een stuk van de nalatenschap van hun vader wilden hebben. De betreffende akte vermeldde daarover het volgende: “Anno 1552 den 25 dach Octobris heeft Wyllem Scheifarts van Meroede heere van Bornhem etc. ontfangen die voirs. heerlicheyt van Haren in naeme van hem ende syne bruydere, van Kaerle Keyser etc. Soe als blyckt by siegel ende brieff, ende dat by doode Ulrick Scheifartz”, waaruit blijkt dat de belening plaatsvond in naam van de destijds regerende Karel V. Willem was in het jaar 1548 in het huwelijk getreden met Agnes van Bylant tot Reidt. Zij was een dochter van Hendrik Adriaan van Bylant, die heer was van het bij Gulik gelegen Reidt. Haar moeder was Irmgardis Schenck van Nijdegge, de erfvrouw van Walbeck en Brempt. Werner moet op enig moment besloten hebben om afstand te doen van Borgharen ten gunste van zijn iets jongere broer Herman. In Duitse archieven lazen we dat hij in 1544 in een juridisch conflict raakte met een zekere Lubbert Türck. Deze zaak speelde zich in hoger beroep af voor het Leenhof van de Raad van Brabant. Ook met een zekere Willem Hoedt zou Werner Willem in onmin raken. Dat was omwille van het feit dat hij meer dan twintig runderen van deze persoon in beslag had genomen (4). In het jaar 1568 verliet hij zijn tussen de wijnbergen van Dersdorf bij Bornheim gelegen woonplek voor goed. Hij ruilde deze in voor de wijnbouwpercelen van de abdij van Kloosterrade, en nam zijn intrek in de aan deze abdij toebehorende Sinnicherhof. De Merodes zouden nog lange tijd relaties blijven onderhouden met de Sinnicherhof. Zo trof ik een door Adolphe van Merode eigenhandig getekende en met een groen zegel voorziene kwitantie uit 1586 aan van een door abt J.Worms van deze hof betaalde rekening over een buitengewone bede van de aartsbisschop van Keulen. Een bede die door de adel was ingewilligd. Bij deze Adoplhe ging het om de in 1537 geboren broer van Willem en Herman van Merode. Werners kinderen zouden na zijn verhuizing zijn te Bornheim gelegen bezittingen erven.

Noten

1 RAL, Archief Kasteel Borgharen, nr.339, Akte waarbij de Raad van Brabant te Brussel de heerlijkheid Borgharen in leen geeft aan Jan Ulrich Scheyffart van Merode, ridder, broeder van eerstgenoemde, 1541 mei 17, notarieel afschrift 16e eeuw.

2 Idem, nr.340, Akte waarbij de Raad van Brabant de heerlijkheid van Borgharen in leen geeft aan Servaas van Buydel als gevolmachtigde van Jonker Herman Scheyffart van Merode, na overlijden van diens vader Ulrich Scheyffart van Merode, 1544, afschrift met een notarieel afschrift daarvan.

3 Een ambtman (Amtmann, lat. iudex) is de middeleeuwse benaming voor een beheerder van het woud. In de middeleeuwen werd het landgoed van een koning of vorst door een ambtman beheerd. De ambtman zag toe op het onderhoud van het woud, het kappen en de verwerking van het hout, het innen van de woudpacht en hij was opzichter over het in het woud werkzame personeel (forestarii).

4 Werner Scheiffart von Merode kam wegen seines Streits mit Lubbert Torck (Türck) nach einem ersten Prozess vor den Schöffen von Clermont jetzt in Appellation (abplacien) vor dem Lehnhof zu Brabant. Streit mit Wilhelm Hueth (Hoedt) wegen Wegnahme von 23 Rindern (Entwürfe.) Archiv von Landsberg, akte 13028.

Het jaar 1535, Willem Scheiffart van Merode nieuwe baas te Borgharen (hfd.9 boek)

Willem Scheiffart van Merode

Opvolger Willem Scheiffart van Merode, die de eretitel “Ridder van Jerusalem” had gekregen, werd al in zijn jeugd overladen met bezittingen die zijn toekomst moesten veilig stellen (1). Op vijftien januari 1510 werd hij als wettige zoon van Reiner I Scheiffart van Merode voor het Hof van Brabant met drie zich “in de stad  Keulen” bevindende huizen beleend. Vanwege zijn zeer jonge leeftijd was hij natuurlijk niet bij die plechtigheid aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een aantal aan de familie van Merode bekende leenmannen. Deze belening had te maken met het verkrijgen van een erfenis uit de nalatenschap van Werner Scheiffart van Merode die heer van Heymersbach was geweest. Dat gebeurde zoals gebruikelijk in het bijzijn van een aantal belangrijke getuigen (2). Aanwezig waren onder meer het al bekende familielid Gerard van Bornem in zijn functie als schout van Borgharen, de gebroeders Gerard en Jan van der Aa, Flyps van Duffla, en Jan die Proest. De laatste bekleedde waarschijnlijk ergens het ambt van proost. Het ambt van proost was in adellijke families een zeer frequent voorkomend en winstgevend fenomeneen. Twee van deze huizen, Huis ter Wyer en Huis Caldenberg, bevonden zich in de regio van het tegenwoordige Heerlen (3). De z.g. vermelding als zouden de huizen zich in Keulen bevonden hebbben, “dreye huysen bynnen der stad van Collen gelegen”, had te maken met het feit dat ze alle drie Keurkeuls leengoed waren van de daar residerende aartsbisschoppen. De hoeve Caldenborch bevond zich tegen de helling van het dal van de Caumerbeek aan, en het Huis ter Wyer was een uit de twaalfde eeuw daterend adellijk goed dat helaas in de jaren vijftig van de twintigste eeuw ten onder is gegaan aan de mijn- en bruinkoolexploitatie. Wat er met het derde huis, het Hertogenhuys bedoeld werd, is mij tot op heden onbekend. (4) De akte van deze belening werd ondertekend door Peter Myddelborch. Hij was de secretaris en de beheerder van de leenboeken van Brabant.

Werner Scheiffart van Merode had als heer van Hemersbach het Hertogenhuys en Huis ter Wyer in het jaar 1408 verkregen onder het beding dat de hertogen van Brabant er altijd welkom waren. Beide huizen moesten zogezegd als “open hof” voor deze hertogen functioneren. De hertog en zijn naaste medewerkers waren in de regel niet alleen veel op pad om hun bezittingen in de gaten te houden, maar ook om in hun territoria te overleggen met de aan hun verbonden leenmannen. Dan kwam een huis met een zeker comfort goed van pas. Dit verblijf moest aan een aantal voorwaarden voldoen. Men behoorde de meest noodzakelijke huishoudelijke spullen en linnen in voorraad te hebben, en het onderkomen diende warm en behaaglijk te zijn. Kortom het moest een plek zijn waar men van vermoeiende en lange reizen op adem kon komen. Dit hield in dat Werner van Merode de kamers die in deze onderkomens voor de adellijke Brabanders bestemd waren altijd tiptop in orde moest hebben. Al deze huizen waren voordat Willem Scheiffart van Merode ze ontving, in het bezit geweest van Hendrik van Merode. Hij was de heer van Limbricht en Hemersbach, die er op twee en twintig april 1459 in naam van zijn neven Dirk en Frederik van Merode mee beleend was geworden. Huis ter Wyer zou door meerdere Merodes in leen gehouden worden. Werner van Merode werd er in mei  1541 mee beleend, en Margaretha van Merode op haarbeurt in juli 1570 (4).

Willem werd op 18 mei 1535 beleend met Borgharen, en het klonk als volgt:“ Anno 1535 den achtienden dach Mey heeft her Willem Scheiffart van Meroede, riddere, ontfangen in naeme en tot behoef van hem en Ulrick Scheifarts synen brodere, by doide wylen Reyner Scheiffarts van Merode, aengaende die proprieteyt, ende aengaende die tocht ontfinck dieselve Her Willem in name Joufvr. Katharina van Flodrop, synre moeder, by Kaerle Keysere, na inhalt segel ende bryeff”. Willem ontving dus de leenbrief waarin ook zijn broer Ulrich vermeld werd, in naam van zijn moeder Katharina, de vrouw die nog steeds aan de bestuurlijke touwtjes trok.

Uit de rekeningen van de rentmeester bleek dat Willem ten behoeve van de de belening een lange en vermoeiende reis te paard naar het te Brussel gelegen Habsburgse bestuurscentrum had gemaakt. Ondanks het feit dat er niet vermeld werd of er iemand met hem meegegaan is, zal hij deze reis zeker niet op zijn eentje gemaakt hebben. Daarvoor waren de tijden te onzeker en zat gevaarlijk gespuis bij wijze van spreken achter elke struik verborgen. Hij zal dan ook zeer waarschijnlijk een aantal van zijn adellijke vrienden meegenomen hebben, die voor bescherming en gezelschap konden zorgen. Hij had voor dertig gulden verteerd, een bedrag dat inclusief maaltijden en onderdak was. De heer werd volgens Habets bij zijn terugkeer door zijn ingezetenen ingehuldigd, en mocht zich nu met recht heer van Borgharen noemen. Willem gaf negen tonnen bier weg om een en ander luister bij te zetten, die allen zonder problemen ter plekke leeggedronken werden. Als het om gezondheid ging, zat het het geslacht van Merode niet mee. Ook deze heer zou helaas al in 1539 te vroeg overlijden. Ter ere van de overleden heer werd er een plechtige lijkdienst gehouden in de kerk van Borgharen. De kleine kerk puilde uit van de dorpelingen die hem hun laatste eer wilden bewijzen. Zijn huwelijk met Sophia Quadt van Lanscron had drie kinderen voortgebracht (5). Hierbij ging het om Adolphe, die heer van Bornheim was en maarschalk en Groot Jagermeester van Gulik, Ermgarda die met Frederik Tork trouwde, en Regina die Marceles van Palland huwde, de heer van Wachtendorff. Zoals we eerder konden lezen was Willems broer Ulrich in mei 1535 eveneens bij de belening van Borgharen betrokken. Hij zou op grond daarvan de volgende heer van Borgharen worden.

Noten:

1 Hereswitha: Inleiding tot de geschiedenis van het kloosterwezen in de Nederlanden, vol. A.II.1.f., Orde van het Heilig-Graf, Brussel, 1975. (De Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem (Latijn: Ordo Equestris Sancti Sepulcri Hierosolymitani, ook wel sepulchrijnen genaamd), is een rooms-katholieke ridderorde. De orde stamt uit de tijd van de Kruistochten en legt zich toe op het verspreiden van het katholieke geloof en het ondersteunen van caritatieve werken in het Heilig Land.

2 Burg Hemmersbach ist eine Wasserburg in Horrem, Stadt Kerpen im Rhein-Erft-Kreis in Nordrhein-Westfalen.

3 Eg.Slanghen: Boek Markgraafschap Hoensbroek: pg.200, Huis Ter Wyer: Een ald Stock Ridderlyck huis frey van servituten.Een kapel, een watermolen, een graanhuis, een panhuys, en meerdere pachthoeven.

4 R.Braad: Zou een huis bij de Locht kunnen zijn waar ook de hertogseik staat, maar  is misschien te simpel gedacht. Het staat niet in de leenlijsten van Heerlen/Voerendaal die Van Hommericht publiceerde in Land van Herle 1961, p.24-25. Een mogelijkheid is dat het de oude naam is van de Mankamer, het Manhuys. Eerder lijkt me dat het in ’s Hertogenrade te zoeken moet zijn. Daar heb ik helaas geen directe gegevens over bij de hand. Wordt dus archiefwerk….

5 Adelyk en aanzienelyk wapenboek van de zeven provinciën, 1763.

Wordt vervolgd

De heerlijkheid Borgharen: Boek hfd. 9: Reynart II Scheiffart van Merode volgt zijn vader op als heer

Reynart II Scheiffart van Merode

Reynart, ook wel Reiner genoemd, kreeg zoals al eerder vermeld Borgharen in leen op negentien januari 1508. Omdat Reynart nog minderjarig was, legde schout Gerard van Merode, de “naturelicke soen wylen Gheerits van Merode”, conform de inhoud van de leenbrief in Reynarts naam de eed af op keizer Maximiliaen. De Merodes zouden vanaf nu gedurende lange tijd slechts zeer sporadisch in hun heerlijkheid te vinden zijn. De recent door de overheid benoemde Adam Daems uit Maastricht zou als gevolmachtigde van Reynart II de lopende zaken in de heerlijkheid waarnemen. In het jaar 1519 nam Katharina haar zoon Reiner II vanuit Bornheim mee naar Aken om daar een aantal zaken voor hem te kopen. Dat was aan de tijd en hard nodig ook, want Reynart was inmiddels een volwassen kerel geworden. Uit de rekeningen blijkt dat zijn moeder een aantal zaken voor hem aanschafte. Een degen ter waarde van vijfendertig gulden, een paar sporen voor twee gulden, een gebit voor zijn paard ten bedrage van twee en twintig stuivers, een harnas voor achtendertig gulden, een kolder voor acht stuivers en een wambuis voor twee gulden. Met een kolder werd waarschijnlijk een harnas bedoeld. Reynart zou evenals zijn vader veel aandacht schenken aan het bezitten en dragen van wapens. Deze voorwerpen behoorden immers tot de meest wezenlijke adellijke symbolen. Een vijftal jaar later schafte Reynart II zich nog een extra zilveren degen en sabel aan.

Conflict over het altaar in Borgharense kerk

In het jaar 1531 ontstond er een conflict over de status van het altaar van de H.Maagd in de kerk van Borgharen. Dit gebeurde nadat de heer Reynart II van Borgharen als “pro tempere guhornster et institutus vasallus dominii et castri de Borcharen”, of anders gezegd als bestuurder en heer van Borgharen het altaar van de H. Maagd dat als een castraal beneficie gesticht was, bij akte had verleend aan een zekere Leonardus Welssken (9). De heer had daartoe besloten na het afstand doen hiervan door of na het overlijden van de bij dit altaar betrokken Cornelis Daems (10). Daems, een klerk uit Maastricht, was tot dan toe de bezitter van het beneficie geweest. Op de achterkant van het document in kwestie werd de inbezitstelling van het hier genoemde beneficie aan “Leonardus Weisaken” nog eens vermeld door notaris Johannes de Berghe. In hetzelfde charter komen we een “brief van maintenu” over het beneficie van Leonard Welssken tegen, die geschreven was door een zekere Jan Nacken. Deze Nacken had zo zijn twijfels over de rechtsgeldigheid van de door de heer verrichtte handeling (11). Aangehecht aan het document was ook een verklaring van insinuatie van de deurwaarder, waarmee men wilde aangeven dat men zinspeelde op zaken die niet in de haak waren. De Raad van Brabant gaf nu aan haar deurwaarder opdracht om op verzoek van Leonard Welssken de persoon van Johan Nacken te dagen. Nacken, dat was duidelijk, vocht met alle middelen het bezit van het beneficie aan. Een jaar later zien we dat Welssken die rector of kapelaan was van het O.L. Vrouwe altaar in de kerk van Borgharen, samen met de inwoners van het dorp een proces aanspande tegen een zekere Arnoldus Stassijns. Deze bezat de functie van “collector archidiaconatus Hasbanie”, oftewel de collecteur van de belastingen van de aartsdiaken van Haspengouw. Er bleek dus dat er meer mensen interesse hadden in het mogelijk goed renderende beneficie. Er was sprake van insinuatie als een notaris of deurwaarder persoonlijk naar het huis van de betrokkene ging om hem ter plekke onder druk te zetten. Het betrof dan een laatste waarschuwing, alvorens er een proces in gang gezet zou worden. Hoe deze zaak afgelopen is, is niet meer na te gaan. Alle goede zorgen en het bezit van een riddermatige uitrusting ten spijt, konden niet voorkomen dat Reynart II, drager van de ere-titel ridder der Duitse Orde, in of vlak voor het jaar 1535 in ongehuwde staat zou overlijden. Waaraan hij overleden is, is onbekend gebleven. De rentmeestersrekening toont ons dat zijn moeder besloot drie vaten rogge aan de inwoners van het dorp Borgharen te geven voor het zieleheil van haar diep betreurde zoon (12). De voor de eredienst benodigde bloemen en kaarsen werden voor een bedrag van vijftien gulden in de boeken gezet. Na de dood van Reynart II kwam de heerlijkheid in handen van zijn broer Willem.

Noten:

9 Castraal beneficie: Kerkelijk ambt waaraan het recht op materiële voordelen en inkomsten verbonden is.
10 Resignatie: afstand doen of neerleggen van een ambt.
11 Brief van maintenu: een dagbrief van handhaving in zijn bezit.
12 RAL Archief Borgharen: “Den luderen gegeven die voir myns Heren zielen geluyd haeven, drie vaet roggen. Noch gehad vyftien prysters op myns Heren begenkenis, daervoir betaelt 10 fl. 8 st.br. Ende aen wasse kerssen in der kerck 5 fl.15 st”.

Borgharen treurt om afscheid adellijke heer, hfd.9 boek “De heerlijkheid Borgharen”

Ontroostbaar

De jonge weduwe was en bleef ontroostbaar. Het feit dat haar man haar al zijn goederen en heerlijkheden had nagelaten kon haar verdriet in het geheel niet verzachten. Ook het dorp Borgharen treurde om het afscheid van hun roomse heer. De pastoor liet voorafgaand aan de dienst in de plaatselijke kerk drie dagen lang drie maal per dag de klokken luiden ter ere van Reynart I. Zijn vrouw gaf de Augustijnen, Predikheren, Minderbroeders, Observanten, en Kruisheren te Maastricht elk drie mud rogge ten geschenke voor zijn zieleheil. Volgens archivaris Jos.Habets moet Katharina rond deze tijd met haar vier “onmondige” of minderjarige kinderen Ulrich, Reiner, Willem en Johanna enige tijd op kasteel Borgharen doorgebracht hebben. Onder deze kinderen bevond zich dus het jongetje Reynart die als Reynart II uiteindelijk de nieuwe heer van Borgharen zou worden. Het zou echter nog even duren alvorens hij zijn heerschap in de praktijk kon uitoefenen. Zijn moeder Katharina zou de heerlijkheid Borgharen tot aan haar dood blijven besturen. Dat betekende niet dat ze daar verbleef. De meeste tijd bracht ze door op slot Bornheim of in binnen de stad Keulen gelegen huizen. We weten echter wel dat ze in het jaar 1510 opnieuw enige tijd lang met haar kroost in Borgharen aanwezig was. Dat gaf haar gelegenhied om haar ouders op het slot van Rijckholt te Gronsveld te bezoeken.

Op bezoek te Gronsveld

Dit slot was rond het jaar 1434 door vererving aan de echtgenote van Willem van Vlodrop gekomen. Als ze zoals gewoonlijk op slot Bornheim verbleef, kon ze makkelijk haar familieleden in het hertogdom Gulik en op kasteel Daelenbroeck bezoeken (7). In het jaar 1510 was ze nog betrokken bij het oplossen van een erfeniskwestie waarin ze als weduwe van haar pas overleden man ook genoemd werd (8). Deze zorgzame en zeer godsdienstige vrouw bestuurde de heerlijkheid Borgharen tot aan haar dood in 1552. Het was aan haar te danken dat het vermogen van de familie door haar spaarzaamheid in omvang toenam. Na haar dood werd er in Borgharen een plechtige kerkdienst gehouden waarbij vijftien priesters assisteerden. De zes gulden kostende kaarsen die om de lijkbaar en op het altaar waren geplaatst, kwamen na de dienst volgens oud gebruik aan de kerk toe. De plechtigheden betekenden niet dat beiden in Borgharen begraven werden. Het waren diensten die uit eerbetoon gehouden werden, en waar een heleboel volk op afkwam. Vandaar ook het toen in dit verband gebruikte woord “begenkenis”. Velen zullen zich afvragen hoe het kasteel er rond deze tijd uitgezien moet hebben en in welke toestand het verkeerde? We weten daar iets van. De hof Borgharen was uitgaande van een afbeelding op de kaart van een toenmalige landmeter rond deze tijd niet meer dan een rechthoekig gebouw achter een halfronde borstwering met schietgaten, geflankeerd door een hoge toren. In de jaren 1498 tot 1519 werd er pas een eerste begin gemaakt met een zeer noodzakelijke restauratie die zich over een aantal decennia zou uitstrekken.

Noten:
7 Jappe Alberts, Prof. dr. W. (1972), Geschiedenis van de beide Limburgen, Deel I (tot 1632), Maaslandse Monografieën nr. 15, Van Gorcum, Assen. Daelenbroeck te Herkenbosch was lange tijd een vrije heerlijkheid. In 1464 verkocht hertog Willem II het landgoed aan Godert van Vlodrop, die zich heer van Daelenbroeck noemde. Hij was de eerste eigenaar van het geslacht van Vlodrop.Willem van Vlodrop, de vader van Katharina, eigenaar vanaf ongeveer 1475, liet rond 1500 zijn bezittingen na aan zijn zoon Willem. In die tijd raakte het kasteel betrokken bij de twisten tussen de hertog van Gelre en Maximiliaan van Oostenrijk, de keizer van het heilige Roomse rijk. De keizerlijke troepen zijn in 1505 een tijd gelegerd geweest in het kasteel, waar het kasteel toen veel onder te lijden had. Daarna werd een uitgebreide opknapbeurt uitgevoerd in renaissancistische stijl. Er werd besloten om de houten vloeren op de begane grond te vervangen door plavuizen of stenen. Later is dat materiaal geroofd of hergebruikt.
8 “14 novembre 1510”: LHA KO Bestand 54,032 Waldbott v. Bassenheim Urk. Nr. 171
Dietrich und Emont von Metternich, Söhne Karls von Metternich, Herren zu Zievel (“Zefell”) bzw. Vettellhoven, und Elisabeth Beissel von Gymnich, Witwe Gerhard Scheiffarts von Merode, Herrn zu Bornheim, einigen sich mit Einwilligung Katharinas von Flodorff (“Floerdorp”), Witwe Reynhart Scheiffarts von Merode, Herrn zu Bornheim, des Sohnes von Gerhard Scheiffart, über das Erbe Emont Beissels von Gymnich, Großvaters der Elisabeth, das streitig gewesen war zwischen Gerhard Scheiffart und Elisabeth einerseits, Karl von Metternich und dessen Ehefrau Beel Beissel von Gymnich andererseits, und folgende Besitzungen betrifft: Dernau (“Dernauwe”), Duiffenbach, Calenborn (“Kallenbornen”), Buscherhof zu Arwichtrycht, Nerenberch, Wey-Gut zu Byrtzberch in der Herrlichkeit Bornheim, St. Walberberg (“Walperberg”), Sechtem (“Sechten”),Herr Wyrychs Hof, Blydenhof zu Oedekoven (“Oedinckhoven”), Herrlichkeit Brenig (“Brenich”), Lublar (“Lyblayr”) und Erp (“Erppe”) im Amt Lechenich (“Lechnich”).” Regestensammlung zu Sinziger Urkunden und Sachakten in chronologischer Reihenfolge, recherche M. K. Fr. Amendt.

Kasteel van Leuth

Kasteel van Leuth

Rentmeester kasteel Borgharen heeft handen vol aan zijn nieuwe heer ( hfd.9 van mijn boek)

De rentmeester heeft zijn handen vol aan de nieuwe heer

De aanstaande bruiloft van Reynart en Catharina was in elk geval aanleiding om rentmeester Gerard van Bornhem op te zadelen met enkele zeer belangrijke taken. De man kreeg opdracht om met kar en wagen naar Aken te gaan, om daar de “uitzet” voor het huwelijk van Reynart te kopen. Voor de rentmeester was het een routine opdracht. Hij was uitermate goed bekend in Aken en wist precies bij welke kooplieden hij moest aankloppen. Hij bezocht dan ook de allerbeste lakenhandelaren bij wie hij ten behoeve van Reynarts bruiloftspak acht ellen rood Engels doek aan een Utrechtse gulden per stuk, en tien ellen voerdoek aan negen albus de el insloeg.

Kind aan huis in Aken

Verder schafte hij voor zijn heer een damasten wambuis aan. Het was een kledingstuk dat men zou kunnen omschrijven als een gewatteerd vest van hals tot middel. Daarnaast moesten er nog een “paer seemsche schoenen” die 24 stuiver kostten, gekocht worden. Waarom de rentmeester nou precies naar Aken en niet naar Maastricht ging, is zeer goed verklaarbaar. Op de eerste plaats was het feit dat de Merodes zelf uit de omgeving van deze stad kwamen min of meer doorslaggevend. Dat maakte dat ze zeer goed op de hoogte waren van de vele zaken die in Aken te koop waren. Op de tweede plaats was alom bekend dat de stad Aken al jarenlang een van de belangrijkste centra in de lakenindustrie was. De producenten van wollen stoffen woonden niet alleen in deze stad, maar ook in het aangrenzende Burtscheid en het verderop gelegen Monchau. De verschillende fasen in het productieproces van laken werden uitgevoerd door gespecialiseerde werkkrachten die in verschillende dorpen rondom Aken woonden. De hele handel werd georganiseerd door rijke kooplieden die de ruwe wol uit o.a. het Midden-Oosten en Spanje importeerden en deze na de verschillende productiefasen als eindproduct uitvoerden.

Een dure vingerring

Helaas slaagde de rentmeester er niet in om meteen alle wensen van zijn heer te vervullen. Sommige zaken waren niet onmiddellijk verkrijgbaar en moesten door de winkeliers nabesteld worden. De rentmeester kon er niet mee zitten. Het was immers van groot belang dat hij zijn opdracht met zorg afhandelde, en dat vergde nou eenmaal meer tijd. Reynart had zowaar opdracht gegeven om een nieuw harnas te laten maken. Het bezit van een harnas was in die tijd geen exotisch verlangen voor een man van adel. Het sloot naadloos aan bij het toenmalige ridderlijke ideaal. En het was helemaal niet ondenkbaar dat het eens gebruikt zou moeten worden. De tijden waren zeer grillig en conflicten konden zo maar elke dag opnieuw ontstaan. De rentmeester en zijn meegereisde knecht keken voor de zoveelste keer op hun briefje en wisten dat ze nog niet klaar waren met hun opdracht. Een uit puur zilver gemaakte degen en een zwarte baret met pluim werden eveneens besteld. De verlanglijst van hun heer leek wel eindeloos (3). Ook de favoriete goudsmid van hun heer mocht niet vergeten worden. Reynart wilde namelijk perse een gouden vingerring hebben. Uit de prijsopgave van de goudsmid bleek dat die maar liefst zeventien goudgulden ging kosten.

Bloemetjes werden buiten gezet in Maastricht

De rentmeester en zijn knecht konden de stad Aken pas na een drietal dagen verlaten, en zagen bij aankomst in Borgharen dat de ongeduldige heer al op de uitkijk stond. Bij aankomst hebben ze beiden wellicht gehoopt dat de heer tevreden zou zijn! Tevreden was hij. Reynart kon ook niet anders. Zijn huwelijk met Catharina was zeer nabij, en veel tijd was er niet meer te verdoen. Het huwelijk werd een groot feest. Het koppel zou pas goed losgaan na de huwelijksplechtigheid. Reynart I maakte zijn reputatie van feestvierder meer dan waar. Het kersverse paar reed direct na afloop met vier knechten en vier paarden naar Maastricht om daar veertien dagen lang de bloemetjes buiten te zetten (4). Uit de rentmeestersrekeningen blijkt dat ze daar niet al te zuinig deden. Het gezelschap ging regelmatig uit eten, en had daarnaast een bijzondere voorliefde voor “gasteryen” of herbergen waar flink gefeest kon worden. Helaas zou deze vrolijke flierefluiter geen lang leven beschoren zijn. Reynart overleed al op zeer jonge leeftijd in het jaar 1507 of 1508. Dit onvoorziene drama leverde grote problemen op, waardoor de familie gedwongen werd om snel orde op zaken te stellen. Zijn zoon Renart II of Reiner was op het ogenblik van het overlijden van zijn vader nog te jong om zelf zijn zaken te kunnen behartigen. Er werd dan ook wijselijk door de Brusselse overheid een voogd aangesteld in de persoon van Adam Daems. Deze was in het dagelijkse leven een ervaren en gezworen klerk te Maastricht. Hij kreeg namens de familie de opdracht om het bestuur van de heerlijkheid ter hand te nemen (5). Zoon Reiner II Scheiffart van Merode werd op vijftien januari 1508 met de heerlijkheid Borgharen beleend (6). Uit de betreffende akte blijkt ook dat schout Gerard van Merode, de buitenechtelijke zoon van de grootvader van Renart, een plechtige eed zwoor op keizer Maximiliaan om mede namens de achtergebleven familie een oogje in het zeil te houden in de heerlijkheid.

Noten:

3 Vermeldingen van aankopen van degens in de rentmeestersrekeningen van Borgharen. RAL, inv.nr.124, 1503,”myn jonckers pluym 3 gld. 8 st., myn jonckers degen 1 hornsche gl., myn jonckers helmett zu mache; nr.139-1518, “eynen silveren degen 35 gld.; inv.nr.145, 1524, nieuw sabel.
4 Habets, De voormalige heerlijkheid Borgharen, pg. 52.
5 Archief Kasteel Borgahren, nr.4389. Akte waarbij de Raad van Brabant te Brussel de heerlijkheid Borgharen in leen geeft aan Adam Daems, gezworen klerk van Maastricht als gevolmachtigde van de minderjarige Reiner van Merode, na overlijden van diens vader, Reyner Scheyffart van Merode, 1507 juli 11, afschrift van notaris Eynatten 1 stuk NB. In dorso genummerd 51, Zie archief huis Borgharen, inv.nr. 338”.
6 Archief Kasteel Borgharen: “Anno 1508, den 19 dach Januario heeft Andries Daems, onse geswoeren klercke der stadt Maastricht, in naeme en tot behoeff van Reynere van Merode, minder van jaeren , by doode wylen Reyners Scheifarts van Merode syns vaeders, ontfangen die voirs. heerlicheyt van Haren. Ende Gheert van Merode schouthet derselver heerlicheyt, naturelicke soen wylen Gheerits van Merode heeft in naeme des voirs. Reyners onder synh mondige jaeren, den behoerlicken eedt gedaen van Maximiliaen keyser, nae inhalt siegel ende brieff”.

Wordt vervolgd

Een tijdslijn voor de 16e eeuw

1520: Karel V bezoekt Maastricht 1525: Maastricht telt 15.000 inwoners 1530: Karel V lijft Maastricht in 1539: Trichter Oploop, verzet tegen Karel V 1549: Tweeherigheid stad wordt hersteld 1550: Inhuldiging Philips II in Sint-Servaas 1566: Beeldenstorm Maastricht 1567: Eerste bedrijf Tachtigjarige Oorlog, Maastricht krijgt Spaans garnizoen 1568: Prins van Oranje tracht Maastricht in te nemen 1576: Spanjaarden vallen Maastricht binnen en verdwijnen na de Pacificatie van Gent 1579: Parma neemt Maastricht in met veel slachtoffers ten gevolg 1579: Unie van Atrecht (Arras) en Unie van Utrecht 1580: Oranje probeert stad opnieuw te veroveren 1592: Mislukte aanval door prins Maurits op vesting Maastricht 1600: Maastricht telt 11.000 inwoners


Reynart I Scheiffart van Merode

Reynart I had al in 1499 nog voordat hij met Borgharen beleend zou worden, een bezoek aan de heerlijkheid van zijn vader Gerard gebracht (1). Ook Reynart I zou na zijn definitieve aantreden slechts af en toe op kasteel Borgharen verblijven. Reynart I trouwde in 1500 met de tien jaar jongere juffrouw Catharina van Vlodrop tot Leuth. Hun huwelijksgeluk was niet van erg lange duur, maar er werden wel nog drie kinderen geboren. Ulrich, Reiner II, en Willem Scheiffart van Merode. Toen Reynart in het jaar 1499 ter gelegenheid van het “groot vastenavond” feest vanuit Bornheim naar Borgharen was afgereisd, ging hij samen met zijn metgezellen,zijn neef Frans van Hompesch en de schout van Mirvenich bij de in Borgharen dienst doende schout Mulleners een hapje eten (2). Wat er op tafel kwam moet voor die dagen van goede kwaliteit geweest zijn. Dat kunnen we concluderen uit het in de rekeningen opgevoerde bedrag. Het blijkt namelijk dat ze “soe aen maeltyt, aen wyn inde aen wafelkens” het aanzienlijke bedrag van vier gulden en zes stuivers kwijt waren. Uit de vermelding van dit bedrag blijkt dat de schout de kosten van de door zijn vrouw bereide maaltijd bij zijn heer kon declareren. Het woord “wafelkens”duidt erop dat het bakken van wafels tijdens de vastenavondperiode al eeuwen geleden een bij velen geliefd Limburgs gebruik was. Of Reynart een feestneus of wildebras genoemd kon worden weten we niet echt zeker. Dat hij zoals het gezegde luidt meermaals “de vogel afschoot”, of anders gezegd een neiging tot het frivole bezat wordt uit zijn gedragingen wel duidelijk. Reynart moet zich ondanks de zeldzame keren dat hij in zijn territorium verbleef snel aangepast hebben aan de lokale gebruiken. Zijn verblijf in 1499 viel samen de toenmalige kermis.


Feest in Borgharen

Onderdeel van deze kermis was het plaatselijke schuttersfeest. Reynart schroomde niet om mee te doen en schoot als een zeer geoefend schutter meteen de vogel af. Wat hij niet verwacht moet hebben gebeurde. Hij steeg in adellijk aanzien. Voor de dorpelingen was hij niet de van ver gekomen jonkheer, maar voor hun was hij vanaf dat moment de koning van de plaatselijke schutterij. Deze kers op de adellijke taart kende wel nog een naspel. De jonge heer moest diep in zijn rijk gevulde geldbuidel tasten om de schutters en hun vrienden tot tevredenheid te stemmen. Het bezit van de eervolle titel vereiste namelijk dat hij hun twee tonnen bier moest schenken, die naar goed gebruik ter plekke genuttigd werden. Reynart ontwikkelde zich steeds meer tot een wel erg levenslustig individu, en bleek het tegendeel te zijn van een honkvast iemand. Al snel na de festiviteiten “ontvluchtte” hij het landelijke Haren en reisde spoorslags af naar de bij de Merodes geliefde stad Aken. Daar wachtten hem weer andere verlokkingen van het leven. Misschien heeft hij toen wel de bij zijn familie populaire herberg de “Lantscrone” bezocht. Tijdens het najaar van 1499 zien we dat hij opeens in Valkenburg opduikt. Wat hem naar Valkenburg had gebracht is niet duidelijk. Misschien dat hij voor zaken op het kasteel moest zijn? Wel zien we dat hij overduidelijk een rondje maakte langs de lokale herbergen. Samen met een aantal vrienden bezocht hij volgens de historicus Jos.Habets o.a. “het Herts, het Sweirt, en een Weynhous”. Of de alcohol een rol speelde weet ik niet, maar bekend is dat hij vijf albus weggaf aan een aantal rondtrekkende studenten die hij per toeval had ontmoet. Een jaar later zou hij in het huwelijk treden met Catharina van Vlodrop tot Leuth. Dit betekende niet dat hij zijn vrijbuiters leventje zomaar zou opgeven. Daarvoor was hij iemand die te veel van de verleidingen van het leven genoot.

Noten.
1 Archief Kasteel Borgharen 14e eeuw -19e eeuw: Regestenlijst nr.21, 1500 avril 30.
2 Groot Vastenavond: De dag voor Aswoensdag.

Maastricht-Bellomonte 16 e eeuw

Maastricht 16e eeuw door Bellomonte. Op de voorgrond hetr stadsdeel Wijck, ( nog zonder terrasjes op de stoep).

Boek De heerlijkhijd Borgharen: Hfd.9, de Merodes deel 4

De van Gymnichs

Het geslacht van de von Gymnichs behoorde tot de oudste adellijke geslachten in het Rijnland (6). De naam von Gymnich heeft te maken met de plaats van herkomst. Suggesties die wel eens gedaan werden als zou de naam verwezen hebben naar de naam van het Romeinse legioen “Legio XIV Gemina”, dat eens aan de Rijn gelegerd zou zijn geweest, kunnen niet bevestigd worden (7). Gerard werd na het jaar 1483 enkele malen in documenten als heer van Wijlre genoemd. Met name in een door rentmeester Jacob Passart opgestelde rekening en verantwoording van inkomsten en uitgaven van deze heerlijkheid over de jaren 1484-1485. Dit zeldzame en belangrijke archiefstuk verschaft een goed inzicht in de maatschappelijke positie van de heer, alsmede over de inkomsten die hij op grond van zijn rechten aan zijn bezit ontleende. Lezing van dit stuk maakt de conclusie aanvaardbaar dat het bezit van een heerlijkheid in veel gevallen niet zonder meer een lucratieve aangelegenheid was. Nergens blijkt echter dat Gerard Scheiffart van Merode in geldnood heeft verkeerd. Feit is wel dat hij niet lang in het bezit van de heerlijkheid Wijlre is gebleven. In het jaar 1489 verkocht hij ze aan zijn neef Hendrik van Nesselrode. Met deze verkoop kwam er een einde aan het ongeveer honderdjarig bewind van het geslacht Scheiffart van Merode over de heerlijkheid Wijlre. Dit zeer oude en aanzienlijke geslacht leeft nu nog voort in België en vormt daar een uitgebreide familie waaraan zelfs prinselijke titels aan zijn verleend. Als stamslot van de prinsen van Merode geldt behalve het oude kasteel Merode bij Düren, het prachtige slot van Westerloo. Gerard was evenals zijn vader Frederik Pfandherr zu Erpath & Nörvenich, en moet ergens tussen zesentwintig augustus 1499 en dertig april 1500 overleden zijn.

Een naderend einde

Het was op een gegeven moment duidelijk dat het niet goed ging met de heer. Daarom maakte een zekere Herman van Geleysch in augustus 1499 samen met twee schepenen van het hooggerecht van Keulen aan alle hoogwaardigheidsbekleders van de bank Meerssen en de Landen van Valkenburg, Brabant en Luik en verder “aan iedereen die het maar wilde weten” bekend, dat Gerard Scheiffart van Merode vanwege zijn zwakke gezondheid zijn ambt als heer niet meer kon waarnemen. Zijn lichamelijke toestand was zelfs zo ernstig dat hij niet meer kon paardrijden of zelfs in staat was om een eindje te voet te gaan. Uit voorzorg had hij daarom zijn enige zoon Renart tot luitenant of “momber” van de heerlijkheid Borgharen benoemd. Renart kon verder beschikken over alle goederen die zijn vader van zijn moederskant verworven had. Uit hoofde daarvan was hij gerechtigd Borgharen te besturen “avec droit de commandement et défense” (8). Gerard van Merode heeft Borgharen maar ongeveer anderhalf decennium lang in bezit gehad. Zijn zoon Renart werd op dertig april 1500, de dag na Pasen, door de Raad van Brabant beleend met het dorp en de heerlijkheid Borgharen (9). Zijn weduwe Elisabeth bleef na zijn dood op slot Bornheim wonen. Geregeld echter bezocht ze vanuit Aken haar familie in het Belgische Elderen (10). Ze stierf in 1520 en overleefde zo haar twee kinderen Renart en Regina. Het is mij niet bekend wanneer haar dochter Maria is overleden.

Noten:
7 Johann Friedrich Schannat: Eiflia Illustrata oder Geographische und historische Beschreibung der Eifel. Band 2. J. U. Mayer, Aachen/Leipzig 1829.
8 RAL Archief Kasteel Borgharen 14e-19e eeuw:16.0512, nr.19, auugustus 20.
9 RAL Archief Kasteel Borgharen 14e-19e eeuw: 16.0512, nr.20. dertig april (na Pasen).
10 Jos.Habets: De voormalige heerlijkheid Borgharen, pg. 51.

Gymnich-St-Wappen

Wapen van het geslacht von Gymnich

Gymnich Schloss_Gymnich

Stamslot van de von Gymnichs