De Bokkenrijders volgens ds.Bachiene

W.A.Bachiene

Willem Albert Bachiene werd op 24 november 1712 in Leerdam geboren. Na de Hervormde Gemeente van Kuilenburg ruim twintig jaar gediend te hebben, vertrok Ds. Bachiene op 3 juni 1759 naar Maastricht, waar hij op 10 juni zijn intree deed in de Hervormde Kerk in Maastricht. In Maastricht trouwde hij op 28 december 1761 met Cornelia Duvergée, dochter van een kolonel van de infanterie. Ondanks de vele beslommeringen die het werk in een nieuwe gemeente nu eenmaal met zich mee bracht, werd de studie niet verwaarloosd. Bovendien kreeg hij er een nieuwe taak bij. Op 6 november 1764 aanvaardde hij het ambt van Ordinair Professor in de Astronomie en Geographie aan de Gereformeerde Illustre-School, die te Maastricht was gevestigd. Het docentencorps van de Ilustre-School werd voornamelijk gerecruteerd uit de plaatselijke predikanten, die daarvoor min of meer waren geselecteerd. Ds. Bachiene was hier geheel op zijn plaats. Hij was een buitengewoon belezen man. Door zijn grote belezenheid was hij goed thuis in de geografische wetenschap van zijn tijd. Vanaf zijn prille jeugd had hij zich voor aardrijkskunde geïnteresseerd. “Hij las er veel over en daardoor had hij reeds een tamelijke kennis van de ligging en grootte der Landen, van de Rivieren en Steeden verkreegen. Hij heeft vele publicaties op zijn naam heeft staan, waaronder  een “Beschrijving der Vereenigde Nederlanden in vijf delen”.

“Inboorlingen”als boosdoeners

Toen stadhouder Willem V in juni 1771 Maastricht bezocht, viel Ds. Bachiene de eer te beurt Zijne Doorluchtige Hoogheid namens de afgevaardigden der Classis van Maastricht en Landen van Over Maze toe te mogen spreken. In het hierboven vermelde reuzenwerk schonk hij vanuit het toenmalige historische, sociaal-maatschappelijke en bestuurlijke perspectief aandacht aan het bendewezen dat veel later in de 19e eeuw onder de sterk geromantiseerde benaming “Bokkenrijders” voor eeuwig deel uit zou gaan maken van het Limburgse geschiedkundige erfgoed. Volgens hem was het niet bijzonder vreemd dat in sommige gevallen hier verblijvende vreemdelingen zich verenigden in bendes van gauwdieven, die reizigers overvielen, huisbraken en moorden pleegden , maar dat er een bende ontstaan was die vrijwel volledig uit “inboorlingen“ uit de eigen landstreek bestond, was volgens deze man toch als zeer bijzonder aan te merken . De dominee was van mening dat er onder deze gauwdieven zelfs mensen waren die “zeer wel gegoed” waren, en die in geen geval door armoede gedwongen tot deze euveldaden hoefden te vervallen. Veel begrip spreekt er niet uit deze benadering, maar dat was gezien de tijdsgeest waarin een gereformeerde elite veelal de dienst uitmaakte ook niet mogelijk. Bachiene zal de informatie die hij ontving dan ook vooral uit zijn eigen “upper class” netwerk hebben verkregen, mensen die geen notie hadden van de zeer harde realiteit des levens van de “have-nots”!

Zijn schildering van de dertig jaar daarvoor plaatsgevonden hebbende eerdere problemen op dit terrein, zoals diefstallen, inbraken en overvallen in het oostelijker gelegen toenmalige Oostenrijks-Valkenburgs Limburgse gebied, spreken dan ook boekdelen.  Volgens hem was de problematiek toen niet zo erg als in de jaren zeventig van de 18e eeuw, de tijd dus waarin hij dit opschreef, “zeker nadat verscheiden deezer boosdoenders in Hoensbroek, Scheit (Schaesberg) en andere plaatzen hunnen verdienden loon ontvangen hadden, scheenen zy genoegzaam uitgeroojd”!!  De nieuwe ellende was volgens hem in het jaar 1760 begonnen in het Kwartier van ’s-Hertogenrade, dat deels op Oostenrijks gebied lag. De initiatiefnemer hiervan was, zo oreerde hij, een zekere Joseph Kerkhofs, een zeer “ervaren en beroemde chirurgijn” die uit het stadje met dezelfde naam afkomstig was en daar in mei 1772 op de Beckenberg opgehangen was. Ten tijde van de executie van Kerkhofs werden volgens hem 74 bendeleden ter dood gebracht in de plaatsen Merkstein, Ubach, Kerkraad, Simpelveld, Remburg (Rimburg) , maar ook in Amstenrade, gelegen in het Oostenrijks-Valkenburgs gebied.

Een volk van boosdoenders

Op dat ogenblik wist volgens Bachiene niemand nog echt goed dat ook het Staats gebied besmet was met de bende bacterie. Er waren volgens hem reeds vele geweldige huisbraken door “dit volk” gepleegd, meestal buiten het Staatse territorium zoals in de Maasband, Wurm, Heungen, Havert, Hunshoven en Immendorf, oorden die allen in het “Gulicherland” gelegen waren, zonder dat justitie een van deze “boosdoenders” in de boeien had kunnen slaan. Pas toen gevangen genomen lieden uit het ’s-Hertogenraadse land personen uit het Land van Valkenburg van medeplichtigheid gingen betichten zou de vervolging op gang zijn gekomen. Bachiene beweerde dat Kerkhofs in alle dorpen van het Land van Valkenburg over wervers beschikte die niet nalieten om de een na de ander over te halen lid te worden van de bende zodat deze op een zeker moment enkele honderden personen sterk zou zijn geworden.

Al deze mannen waren verplicht in de “St. Leonards Kapelle” “met veel plechtigheden hun eigen Roomse godsdienst af te zweren en zich aan de duivel te binden om allen kwaad te doen”!  Zij moesten een eed afleggen waarbij ze zworen dat ze in het geval van gevangenneming niemand van de bende zouden verraden, en mochten ze door het geweld van de tortuur niet anders kunnen dan een bekentenis af te leggen, dan waren ze conform hun eed verplicht deze op de plaats van executie te herroepen! Bachiene stelde dat deze eed er de oorzaak van was dat vele medeplichtigen niet op de vlucht geslagen waren, maar dat ze bleven vertrouwen op de eenmaal door de meeste complicen afgelegde eed.  Ze verbleven “gerustelyk binnen hunne huizen” en trokken niet naar het buitenland waar ze zeker voorlopig veilig waren geweest. Als ze opgepakt werden kon justitie in vele gevallen alleen met gebruikmaking van de aller zwaarste mishandelingen bekentenissen afdwingen, mishandelingen zo erg dat sommigen er het leven bij verloren.

Een samenzwering!?

Bachiene geloofde wel degelijk in een samenzwering, want zo stelde hij, “dit vloekgespan wilde zodra zij tot een genoegzaam aantal uitgegroeid waren het hele land aflopen en alles wat voor hun voeten kwam vermoorden, de kerken en kloosters plunderen etc”.  Hij was er zeer tevreden over dat de overheid  “die zaak tijdig ontdekt had en in haar voortgang had gestuit voordat zij tot het uiterste was doorgegaan”. Hij vermeldde dat sinds de in 1773 begonnen executies in de Banken van Valkenburg en de onderhorige Heerlijkheden reeds tussen de 170 en 180 personen van dit gespuis, behalve degenen die vanwege andere euveldaden geradbraakt waren, opgehangen zouden zijn. Volgens hem was het einde nog niet in zicht, en bezorgde deze ongehoorde zaak het Land van Valkenburg wel een erg slecht imago, en was er reden te over om te twijfelen aan de geaardheid van de “ingezetenen en op-gezetenen”. Hij wantrouwde het Limburgse  volk dat in Hollandse ogen niet alleen “heidens” was, maar ook een verzameling exoten vormde wier koeterwaals men niet kon verstaan. Bachiene weigerde hiermee zich te verdiepen in de ongelooflijk moeilijke omstandigheden waarin de gewone burgers zich moesten zien te handhaven in een eeuw die algemeen te boek stond als de eeuw van de armoede. Dat dit niet gold voor de elite waartoe hij zelf uit hoofde van zijn functie en relaties ook behoorde, laat hij gevoeglijk achterwege. Als de door en door arme dagloner  ’s-ochtends niet wist wat hij zijn kinderen in de avonduren te eten kon geven, liet de baron of graaf op zijn kasteel met tientallen kamers lekker verse vis en wijn aanrukken voor zijn familie.

De hardvochtigheid droop er af bij Bachiene: veelen hunner hebben zich laaten vervoeren tot zodanig een Godvergeeten eed , dat ze zich onder verdenking brengen alle menschelijkheid te hebben uitgeschud”. Bachiene vergeet hierbij dat menselijkheid en sociale bewogenheid in die dagen vooral bij de politieke en bestuurlijke elite opvallend afwezig was. Zij konden en wilden zich op grond van hun relatieve rijkdom geen voorstelling maken van wat het betekende een arm burger te zijn die in een krot woonde die geen bescherming bood tegen weer en wind en die het ontbrak aan  de meest basale eerst levensbehoeften. Ook het gewone volk op het platteland kreeg een zeer ongenuanceerde sneer uit de pot van zijn protestantse verhevenheid. Volgens hem zijn ze kreegel en twistzuchtig, eigenschappen die uitmonden in veelvuldige vechterijen, die veelal doodslagen ten gevolge hebben. Zy vallen elkander aan met een wapen ’t welk zy overal met zich dragen, bestaande in lange dikke stokken, ’t zy met knotzen voorzien, ’t zy met yzer beslagen, of met yzere pinnen daaraan vastgemaakt, welker slagen op het hoofd genoegzaam ontwyfelbaar doodelyk zijn.”

Een heidens feest

De Hoogmogende Heren in Den Haag hadden dan ook uiteindelijk als gevolg van een “heilzame” resolutie uit mei 1777 het dragen van zulke stokken aan alle lieden van het platteland op straffe van zware geldboeten ten strengste verboden. Hetzelfde gold voor het dragen van “alle ander moordgeweer” ( alle andere mogelijke slagwapens)! De regel was dat plattelanders die zich bij het naar buiten gaan bedienden van een stok, erop moesten achten dat deze de dikte van een gewone rietstok niet te boven mocht gaan, en dat de stok aan beide kanten even dik zou zijn. Volgens Bachiene hadden vele doodslagen hun oorsprong in de veelvuldige kermissen die men het hele jaar door, dan hier en dan daar, pleegde te houden. De hier vermelde resolutie hield in dat alle kermissen in de regio in alle dorpen op hetzelfde tijdstip gehouden moesten worden. De overheid had hiervoor de eerste zondag na de elfde november uitgekozen en bepaalde tevens dat de kermis niet langer dan drie dagen mocht duren. Op deze wijze hoopte de overheid dat men de vele moordpartijen waarvoor het Land van Overmaaze al sinds lange tijd berucht was kon terugdringen, zo niet helemaal kon uitroeien. Van het bendewezen was Bachiene plotseling bij de kermissen beland, die in zijn ogen ook tot de heidense taferelen van zijn roomse tegenvoeters behoorden, en waarvan hij hoopte dat ze net zoals de bendes snel “een kopje kleiner gemaakt zouden worden”.

Bachiene  beëindigde zijn beschouwing over het bendewezen, en na het kermistoetje zou hij zich gaan wijden aan de staat van het wegenstelsel in Overmaze. Een complete koerswijziging!!

Jo Vromen

Bronnen:

   1 W.A. Bachiene: “Aanhangzel tot Staats-Brabant” , vierde deel.

2 W.A. Bachiene, Vaderlandsche Geografie of nieuwe Tegenwoordige Staat en Hedendaagse Historie der Nederlanden, V, Amsterdam 1791, (eerste druk Utrecht 1779).

 

3 Historische Vereniging Leerdam, jaargang 10.

 

PS: Bachiene schreef in zijn “voorreden tot den bescheiden leezer” dat dit deel gezien kon worden als onderdeel van het boek “De nieuwe Geographie” van de heer Anthony Frederik Busching, dan wel als afzonderlijk werk beschouwd kon worden. Hij achtte een beschrijving van de Generaliteitslanden noodzakelijk omdat al het tot dan toe aanwezige materiaal over hetgeen wij tegenwoordig Limburg noemen schraal en incompleet was geweest ( d.d. 4 dec.1778).

 

 

 

Advertenties

Huize ten Esschen deel 14, de pachters

Heyntgen Ubachs ca.1535

 Heyntgen wordt in het cijnsregister van Puth als leenman van Vrouweheide genoemd. Op een maart 1575 hebben Heyntgen en zijn vrouw Gertrudis(Gyrthe), met wie hij in 1566 voor de kerk trouwde, het erfdeel dat aan hun toekwam na de dood van zijn zuster Barbara (Berbken), aan zijn broer Godfridus (Gortgen) en zijn vrouw Meycken ovegedragen. Uit hun huwelijk wordt omstreeks 1575 een zoon geboren, Godefridus, die na 24 februari 1607 te Voerendaal overlijdt. Daarna komt de ca. 1539 geboren broer van Heyntgen, Godefridus in beeld. Hij Maria (Meycken), achternaam onbekend. Uit hun huwelijk wordt rond 1585 Henri Ubachs geboren. Deze Henri had niets meer van doen met ten Esschen. In 1625 kocht hij samen met Lambert Mees gronden van Geurt Cortenbach, gelegen op het ”Keverberg leen”te Ubachsberg.

Godefridus Ubachs, geboren ca. 1539

Hij wordt genoemd als leenman van leengoed ten Esschen in 1575. Godefridus, ( Gortgen, Goutgen, Godfroid ), is een broer van de hierboven vermelde Heyntgen, en een van de vier kinderen van de rond 1490 geboren Gort Ubachs. Godefridus trouwde op 14 jarige leeftijd op 22 augustus 1553 met de dan ongeveer dertienjarige Maria (Meijcken N.N.). Ze was omstreeks 1540 te Voerendaal geboren. Op 20 augustus 1553 komen de al eerder vermelde Lysken, Wilhelm van den Esschen, Merten van den Esschen, Gort Ubachs, en Thysken Schyltz allen voor in transacties bij de Mankamer. (LvO 6405-6408) Op twee september 1553 worden Drurge van den Nesschen en Beelken van den Nesschen ( then Nesschen) ook nog genoemd.

Johan Hone (zoder forde)

 Johan wordt op acht juni 1559 vermeld met “lehen zen Nesschen”. In mei 1560 wordt Johan Hone ook genoemd met de aanduiding “bastart”. Dit verwijst naar een status als buitenechtelijke zoon. In maart 1561 wordt een zekere Dyrch Hoene vermeld, Johan s., “splyss zen Nesschen, Meijken s. huesfr.”. Waarschijnlijk gaat het hier om bezit van gronden, die opgedeeld worden.

Johan van der Hallen, 29 september 1556

In de indexen van Peter Peusquens staat onder LvO Inv.Nr. 6405-6408 pag.155, fol.78 re, enkel vermeld, “zen Nesschen”. Het is niet duidelijk of het hierbij gaat om een wijziging of aanvulling op het leen. In 1544 wordt Johan al als man van de Keurkeulse Mankamer genoemd. Op de achtste dag van de oogstmaand van 1562 draagt hij aan “seynen neffen” Dyrch van Raede als notarieel gemachtigde van zijn moeder Barbara van der Hallen “veyr erff mudde veronderpendt opt lehen then Nesschen” over. Dyrch van Raede zoe Worn, wordt hierbij een burger v.Maestricht genoemd. Het laatste zou betekenen dat Dyrch daar ook effectief woonde. In deze akte wordt ook weer Barbe van der Hallen vermeld, “Johan.s moder”, de moeder van Johan, komt in 1570 voor met “lehen then Nesschen”. Op acht augustus 1562, wordt Johan nog eens genoemd in relatie tot ten Nesschen. Op dezelfde datum wordt hier ook weer Dyrch van Rade genoemd. Johan blijkt een neef van Dyrch te zijn. Zijn moeder Barbara van der Hallen, had rond deze tijd in het Heerlense land  heel wat akkerland in bezit. Zij behoorde tot een aangeziene Heerlense familie die onder andere lokale schouten hebben voortgebracht.

Kryne van den Nesschen, 20 augustus 1564

 Op deze datum zien we dat Kryne samen met zijn neef Lynns Ubachs genoemd wordt. Bij dezelfde transactie zien we ook dat de nu reeds overleden vader van Kryne (Kryns), Wylhelm van den Nesschen, vermeld wordt. Bij de handeling van 20 augustus is ook Gort Ubachs, de vader van Lynss, betrokken. In januari 1563, en even later in hetzelfde jaar, wordt ook Lynns van den Esschen genoemd. Hij wordt omschreven als “stathelder des Hern v.Collen”. Dat betekende dat hij de zaken voor de Heer van Keulen ( de bisschop) waarnam.

Tilman Gulpen

( Johannes Theobaldus van Gulpen), 18 maart 1670

Tilman Zenden, 1670 (***), (LvO, inv.nummer 6409 ( 1550-1750).

Op 18 maart 1670 wordt Theobaldus van Gulpen beleend met ten Nesschen. Van Gulpen is op dat ogenblik ook vrijheer van Bernau, (Berneau oftewel Dalhem gelegen achter Eijsden). Berneau was een van de banken van het St.Servaas kapittel te Maastricht, die ten oosten van de Maas gelegen was. Ten gevolge van het Partagetractaat uit 1661 kwam het dorp in het bezit van de Republiek ( de Staten van Holland). Dat bleef overigens een omstreden zaak, met een heftig protesterend Servaas kapittel als gevolg.In hetzelfde jaar wordt Tilman Zenden, genoemd als leendrager v.ten Nesschen. (…) De index van P.Peusquens in LvO 6409 verwijst bij zijn naam naar van Gulpen!

Ook in dit zelfde jaar, n.l.in LvO 2.0.27.9 inv.nr 6454, “Jurisdictie ook in appelzaken”: vinden we een minuut van een brief van 12 juni 1670, uitgegaan van de Mankamer aan het leenhof van het Land van Valkenburg, waarbij zij protesteren tegen het doen proclameren van goederen behorende tot de lenen Ter Wijer en ten Esschen.

wordt vervolgd

 

Huize ten Esschen deel 13

Gort ( Goert, Godfried) Ubachs, geboren rond 1490, en overleden tussen 29-08-1557 en 01-08-1559 (***)

Volgens het Nederlands Patriciaat wordt Heyntgen Ubachs, de vader van Gort, in 1550 genoemd in het cijnsregister van Voerendaal als bezitter van goederen te Ubachsberg. Op de “Gantzaligenhoff zo Vroenhaijven op die Ubachsberg”, rustten renten, pachten en cijnzen te behoeve van het St.Mathias altaar in de parochiekerk. In het Gedenkboek van Voerendaal uit 1949 wordt gesteld dat Catrijn, de echtgenote van Jan Ubachs, en de kinderen van Heyntgen, Goert, Lemmen “op den bergh”, ( Ubachsberg), en Lijsken daarvan vijf mud rogge aan cijnzen moesten betalen . Heyntgen was een zoon van Johann von Uebachsberg, geboren ca.1420 te Ubachsberg, en  Catharina Retersbeck, geboren te Aken omstreeks 1425.

Heyntgen had ook nog een zus Anna, die bekend stond als “Juffrouw van Ubachsberg”. In haar eerste huwelijk trouwde ze met jonker Grijn, zoals vermeld in de Publications van 1932 op blz.167. Hij bezat ook land te Welten, gelegen naast dat van Marten in de Lirp. De daar gelegen hoeve de Lirp, was een Keurkeuls leengoed. In de 17e en 18e eeuw zijn er veel processen gevoerd over het eigendomsrecht van deze hoeve. Na Heyntgen kreeg zijn zoon Goert Ubachs het goed “zen Nessche”. Heyntgen trouwde rond 1485 met Elisabeth (Lysken)

In dit verband worden ook nog Johan van den Nesschen en zijn vrouw Fycken genoemd, alsmede Wylhelm van den Nesschen en zijn tweede vrouw N.Kyne. Hij gebruikt op drie januari 1554 zijn aankoop als onderpand bij een volgende transactie. De hoeve “Puthoefken” wordt hierbij vermeld als aankoop waarvoor het onderpand diende. Korte tijd van tevoren hadden Gort en Lysken een erfenis van vijf sijllen akkerland en een leengoed ontvangen. In de indexen van LvO, wordt dit op vijf januari 1554 omschreven als, “Gorth splyss uys den Lehen zen Nesschen”. Waarschijnlijk begint hier de opsplitsing van het leengoed. Dat verklaart waarom in een zelfde tijdsbestek meerdere personen met “lehen zen Nesschen” betiteld worden. In de oogstmaand van 1558, op 15 augustus, verkoopt Gort ten overstaan van de leenmannen, aan zijn broer Johan en zijn vrouw Metthen een stuk akkerland “lehen kleyn kaldenborn, lehen op Ubachsberch”. Het woord leenman stamt overigens af van het Latijnse woord “laetus”, hetgeen horige betekent. Op 29 augustus van het jaar 1557 wordt Gort in het archief van LvO 6405-6408, ook nog genoemd als “lehen, zen Nesschen”. Na de dood van Gort erven zijn kinderen in de oogstmaand van 1559 het leen ten Esschen met de daartoe behorende akkers en weiden. De vrouw van Gort, Lysken van den Esschen (geboren ca.1501), overleed rond 1558 in Voerendaal. Hun kinderen waren: Heyntgen Ubachs, geboren ca. 1535 te Voerendaal. Barbara Ubachs, geboren ca.1537, Godefridus, geboren ca.1539, en Laurentius, geboren ca. 1541. In de stamboom Ubachs wordt vermeld dat Laurent(ius) in Nuth geboren zou zijn.

**Item van deysen untfanghen lande haet thysken vurscreven overdraegen geerft und gegoyt overmytz vurscreven understathalder un lehen Mannen hoeven geschreven gorthen Ubachs sijnre huessfrouwe lijssken und honner beyderrechte arfgenaemen vonff sijllenacker lanss in zweij stucken drije sijllen gelijegen benijffen wijlhelm van den Esschen driye ander sijnde reijnt gorthen selffs swijssen up Wijlhelms koe weijdde dat ander hoefft reijnt den wech und dije ander zweij sijllen sijnt geleijgen beneijffen merten vandenesschen und mijt der anderersijden beneijffen palm hagens erff stoijssen up dat oijlijks hentgen dat ander hoefft reijnt op gorthen vurscreven umdat van rechten erffhouff deder zijll verkocht foer vouffontzwenzijckjochem daeller wijlche pennongen thijsken vurscreven in unsseren bije weijssen untfangen haet sonder argelijs beheltelijcken doch alles hogedachte unsserem hezem ubbemelt sijner churfurstlichen hogen hocheijtthen deme stock sijner gerechtijckeijt und fort ederman sijns ghodem rechts. (L.V.O. 6410)*

J.Vromen

 

Het Land van ‘s-Hertogenrade rond 1780

Het Land van ’s-Hertogenrade volgens ds.Bachiene rond 1780

Dan weer Hollands, dan weer Spaans……

Dit tot de Landen van Overmaze behorende gebied was in die tijd qua oppervlakte kleiner dan het Land van Vallenburg.

limburg landen ovrmaas

Het land was in het verre verleden eigendom geweest van de Hertogen van Limburg. Daar kwam in 1288 verandering in, toen Hertog Jan1 van Brabant zich na de Slag bij Woerden het hertogdom Limburg en de Heerlijkheid ’s-Hertogenrade toe eigende. Het gebied zou daarna lange tijd in Brabants bezit blijven. We moeten echter voor de jaren 1544-1609 een uitzondering maken. In die tijd bezat de hertog van Gulik  het Land van ’s-Hertogenrade. Maar toen in 1609 de laatste hertog uit dit Huis overleed, kwam het weer bij Brabant en de facto dus onder de heerschappij van de Koning van Spanje. Toen in het jaar 1661 de gehele landstreek in twee delen werd opgesplitst, ging een part naar de Staten en een ander deel naar Spanje. Toen Bachiene zijn visie op deze streek opschreef, was het Land van ’s-Hertogenrade weer in Oostenrijkse handen beland. Na de vrede van Munster in 1648 was het gebied eerst in Staatse handen gekomen, maar vanaf 1661 werd het samen met de dorpen Merkstein, Kerkrade, Simpelveld en Ubach, op grond van het Paratage Tractaat weer Spaans territorium. Het Staats deel werd rond 1780 door de Vrije Rijksgraafschap Wittem gescheiden van het Oostenrijkse Land van ’s-Hertogenrade. In het Staatse deel kende men ook de “Landstenden of de Staten”, met aan het hoofd een hoog-drossaard. Dit college kwam meestal in Gulpen voor hun zittingen bij elkaar. Rond de tijd van Bachiene werd deze functie vervuld door Heer Karel Grave van Bentinck, die daarnaast nog een aantal andere belangrijke posities bekleedde, zoals het Hoogdrossaardschap in het Land van Daalhem. Veelkunner en veelvreter dus! Iemand die zijn benoeming te danken had aan zijn adellijke status.

Deze man die dezelfde status had als zijn evenknie in het Land van Valkenburg, liet zich echter ook vervangen door een luitenant-drossaard. Overigens was in ’s-Hertogenrade maar een “riddermatig” edelman toegelaten tot de Staten, in dit geval de Heer van Gulpen en Margraten. Het Land van ’s-Hertogenrade bezat drie hoofdbanken, Gulpen, Margraten en de Verenigde Banken van Vaals, Holset en Vijlen. Elk van deze drie banken kende een hoofdschout die geassisteerd werd door zeven schepenen en een secretaris, waarvan de schepenen en de secretaris aangesteld werden door de Hoogschout. Het Land kende ook een Leenhof waarin de hoogschout of zijn “substituut’ het voorzitterschap bekleedde, en de overige leden gevormd werden door zeven leenmannen en een griffier. Dit instituut hield zich enkel bezig met zaken die de lenen betrof.

De Hoogheerlijkheid Gulpen-Margraten

De banken Gulpen en Margraten bezaten zowel in civiele als in criminele zaken een eigen jurisdictie waarbij een schout namens de Heer van het gebied “presideerde”. Volgens Bachiene zou koning Filips IV deze Hoogheerlijkheid met de haar toebehorende onderhorige buurtschappen op 16 augustus 1630 voor 9.800 gulden Brabants verkocht hebben, waarna het gebied meerdere malen van eigenaar was gewisseld. Het werd eens bezeten door het adellijk geslacht Einatten (van der Nat) die uit de oostelijke regio van het hertogdom Limbourg stamden, en ook nog de Heerlijkheid Nuth in hun bezit hadden. Uiteindelijk verkocht Johan Filips van Einatten in het jaar 1717 het gebied aan de protestants-lutherse familie van Clermont uit Aken. Zij waren door hun in de lakenhandel verdiend kapitaal daartoe zonder meer in staat. Uiteindelijk werd het na nog enkele andere eigenaren gekend te hebben in 1770 door de Heer N. van Clermont verkocht aan de roomse baron Johan Francois de Hems.

De zich op een hoogte bevindende kerk van Gulpen die aan de laatste bisschop van Maastricht St.Hubertus was toegewijd, werd in de 80 jarige oorlog geheel verwoest en kon pas rond 1614 weer worden opgebouwd door Francois van Einatten, die toen Heer van Gulpen en Margraten was. Van Einatten en zijn vrouw werden beiden in deze kerk begraven, hetgeen blijkt een een grafsteen waarop ze aangeduid worden als, “ Heer en Vrouwe van Neuwerburgh, Etsweiler(1) , Gulpen en Margraten”. In de tijd van Bachiene werd deze kerk door beide religies gebruikt en werd de pastoor door de plaatselijke Heer benoemd. Het dorp Gulpen zou volgens hem al in de 13e eeuw genoemd worden in het kader van de twisten tussen Jan de Eerste van Brabant en Graaf Reinoud van Gelder. Beide mannen hadden twee keer op het punt gestaan, in 1282 en 1285, een veldslag tegen elkaar te beginnen, maar konden daar door “eenige scheidslieden” vanaf gehouden worden. Niet voor lang echter(2). “Margeraaten”, dat volgens Bachiene eigenlijk S.Mariengrad zou heten, had een predikant die er eens in de twee weken kwam prediken in de aan “S.Margriet” toegewijde kerk. De Heerlijkheid kende vele met overdadig geboomte omringde buurtschappen zoals, Peseken, Rimmerstok, Landstraat, Immer, Termaaren, Groot en Klein Welzen etc., (let op schrijfwijze). Bachiene beschreef het kasteel Kaarsfeld nabij Peseken als “aanmerkelijk”, en vertelde dat het een van de aanzienlijkste en riddermatige hofsteden was die toegang gaven tot de Banksvergadering van Gulpen. Het behoorde eens aan het adellijke geslacht van den Hove dat in de mannelijke lijn al uitgestorven was. De enig overgebleven dochter die de vermetelheid had gehad om in het huwelijk te treden met een man die vele schulden bezat ( niet ongebruikelijk bij de toenmalige adel), zorgde ervoor dat het goed door de Graaf van Loo, de Heer van Mheer, aan de Proosdij van Maastricht verkocht werd. Klaarblijkelijk wilde dit kapittel er ook snel vanaf, waarna een burger uit Maastricht, Willem Seberbach, eigenaar werd. Nadat deze rond 1750 overleed, ging het goed naar de huidige eigenaar, zijn zoon Hendrik Seberbach. Een andere ten noord-oosten van Gulpen gelegen Vrije Rijksheerlijkheid,  Cartiels, die niets met de Staten van Holland te maken had, was niet groter dan het kasteel en de daaraan verbonden boerenwoning. Dit kasteel had in het verleden wel eens voor problemen gezorgd, omdat z.g. “Heidens”die van stelen hun beroep gemaakt hadden, er een goede schuilplaats gekregen hadden. De slimmerds die ervan op de hoogte waren dat ze daar niet opgepakt konden worden, organiseerden van daaruit nachtelijke strooptochten in de tot Staats, Oostenrijks, of Rijks gebied behorende dorpen.

De Bank Holset-Vaals-Vylen

Deze uit drie dorpen bestaande Bank, werd door de Heerlijkheid Wittem van de Banken van Gulpen en Margraten gescheiden. In een ver verleden toen de Spanjaarden in deze streek de victorie kraaiden, 1626, werden de eerste twee dorpen verpand aan Adolf Bettholt voor het mooie bedrag van 3.700 gulden. Toen een paar decennia later de rollen omgekeerd waren en de Hollanders met opgeheven hoofd ronddoolden door het Limburgse land, losten deze zo snel mogelijk de pandsom af en kwamen de dorpen in Hollands bezit. De hoge justitie wordt namens Hunne Hooge Heeren in Den Haag waargenomen door de drossaard van ’s-Hertogenrade die ook in civiele zaken voorzitter was van het bestuur van deze Bank. Rond 1780 werd Vaals, waar ook het raadhuis stond, beschouwd als het voornaamste dorp in het gebied.

Het op een hoogte gelegen Vylen of Vielen, dat zich volgens Bachiene “allernaast by Gulpen” bevond, had een aan S.Maarten toegewijde kerk die als een van de oudste in de regio gold. De huizen lagen toen zeer verspreid in een vallei en het akkerbouwland dat in handen was van de abdis van Burscheid, zij kreeg hiervan de tienden, bevond zich ook grotendeels op de lager gelegen gronden. De abdis die op grond van haar inkomsten gehouden was de kerk te onderhouden, stelde ook een voogd en schepenen aan die tot taak hadden om al hetgeen de huizen en de daarbij horende landerijen aanging scherp in de gaten te houden. Eventuele conflicten in deze konden voor de Hoofdbank van Vaals gebracht worden en daar ook worden afgedaan. Tot grote spijt van Bachiene kon er maar een keer per jaar in Vylen door een predikant gepreekt worden. Debet hieraan waren de afgelegen ligging en de noodzaak om er over “vreemde bodem” te geraken. In Vylen was rond die tijd niemand van gereformeerde huize, of het moest de daar wonende schoolmeester zijn, die echter in Gulpen werkzaam was. Holzet dat ten oosten van Vylen lag, had eveneens een kerk die in roomse handen was. Het dorp Vaals vormde de grens tussen Staats en Akens Rijksgebied. Volgens Bachiene hadden de  Staten bewust Vaals tot hun territorium gemaakt om de gereformeerde gelovigen uit Aken de kans te geven hun religie in Vaals te belijden.

In Aken immers konden in het verleden de protestantse gelovigen die met de komst van Alva in 1567 naar de regio Aken gevlucht waren, met geen mogelijkheid hun godsdienst uitoefenen, maar dankzij de protectie van de Staatse overheid  werden ze toch nog enigermate beschermd. Na deze tijd verminderde hun aantal, maar de “lakenfabrikeurs en kooplieden in lakens, wolle, verfstoffen en al wat daartoe behoord, zyn noch heden de Ptrotestantchen Godsdienst toegedaan”, aldus Bachiene. Toen de Staten vanaf 1662 in het bezit van Vaals kwamen bouwden ze naast de bouwvallige roomse kerk een eigen nieuwe kerk die “ruim van begrip”was.  Men stelde ook onmiddellijk een predikant aan die niet alleen voor Vaals maar ook voor de Akense gemeente de “godsdienst verrichtte in de Hoogduitsche taal’. De predikant moest echter in Aken wonen omdat daar de meesten van zijn gelovigen verbleven, maar hij moest daar vooral niet pronken met zijn protestantse overtuiging. Naast deze Hoogduitse kerk kwamen er ook nog kerken voor de gereformeerden die de “Fransche godsdienst” aanhingen, voor de Lutheranen en de Doopsgezinden, waarvan de laatstgenoemden met de doopsgezinde gemeente van Maastricht verbonden waren. Vaals trok ook de Hoogduitse geloofsgenoten van Burscheid en Eupen aan, die er de Hoogduitse kerk bezochten. De “vlek Burscheid of Borchet” was in handen de abdis van het plaatselijke klooster en telde in de tijd van Bachiene 70 protestantse huisgezinnen. Omdat het de protestantse gelovigen niet toegestaan was hun geloof in Burscheid en Eupen te belijden, moesten ze uitwijken naar Vaals, hetgeen voor de mensen uit Eupen een moeilijke en kostbare onderneming was. Gelovigen die vanuit Aken naar Vaals trokken hadden in de jaren vanaf 1761 te maken met heel veel overlast en gevaar. Volgens Bachiene hadden zij te lijden onder verregaande mishandelingen van boeren uit het Akens Ryk. Deze overlast verdween gelukkig na een aantal jaren. Vaals werd in de periode daarna in de zomertijd druk bezocht door vreemdelingen die in Aken de baden en mineraalwateren gebruikten, maar omwille van hun geloof met paarden, koetsen of te voet naar het grensdorpje trokken om er hun geloof te uit te oefenen. Deze activiteiten voegden volgens Bachiene heel wat levendigheid toe en zorgden ervoor dat de vele herbergen propvol zaten. Sommige “lakenfabrikeurs” beperkten zich niet tot een regelmatig bezoek aan het dorp, maar vestigden zich in Vaals en zorgden ervoor dat heel wat inwoners een goed boterham konden verdienen. Een van de prominentste onder hun was de heer N.van Clermont die “er een voortreffelijk gebouw had neergezet met de nodige vertrekken tot die fabriek behoorende, ‘t welk aan dit dorp geen klein cieraad toebrengt”! Bachiene vermeldde ook nog het oude vervallen slot “Inrath”en de buurtschappen Wolfshagen, Limmiers en Mammelis.

J.Vromen naar W.A.Bachiene

1 Neubourg, Eschweiler

2 Butkens, Tropheés de Brabant, Livre IV.

Huize ten Esschen deel 12

Lens van den Esschen, leenman van het goed ten Esschen in 1519. (***)

 De voorheen genoemde Reyner II, de zoon van de in 1466 gestorven Lens van den Esschen, trouwde evenals zijn vader met een ons onbekende vrouw. Zij kregen in 1490 een kind dat de naam Lens kreeg (Laurentius). Wanneer zoon Lens overleed is niet duidelijk. De eerder in 1372 genoemde Reynart van den Esschen, is mogelijk de (over)grootvader van de hier vermelde Reyner #2. Zoon Lens van Esschen wordt in 1519 als leenman van het goed ten Esschen genoemd. Lens trouwde in 1515 met Mettel (Mechtildis) van Rodenbroeck. Ze werd in 1495 geboren als dochter van Gillis van Rodenbroeck (1460-ca.1518). In 1518, het waarschijnlijke jaar van overlijden van de vader van Mettel, verheft Lens als momboir (voogd) van zijn echtgenote het leen Rodenbroeck, na ‘’sterffenisse op Rodenbroich’’. Haar broer Gilles was op dat ogenblik nog minderjarig. Vrouwen konden in deze tijd nog niet zelfstandig rechtshandelingen verrichten. Als een vrouw niet gehuwd was, koos ze meestal een familielid om voor haar op te treden bij juridische aangelegenheden. De momboir trad meestal alleen op voor de rechtshandeling in kwestie. Hij was dus geen voogd in de algemene zin des woords. In de periode 1519-1537 is Lens van den Neschen schepen bij de schepenbank van Heerlen ( Lijst van schepenen Heerlen (*Rijckheit). Lens en Mettel krijgen een kind in 1530, Joannes geheten. Joannes trouwt de in 1535 geboren Catharina Putters. In 1569 krijgen zij ook een jongetje, Gisbertus. Zijn vader Joannes van Esschen overlijdt te Heerlen in 1603. Gisbertus trouwt met de eveneens in 1569 te Heerlen geboren Gertrudis Slypen. Uit hun huwelijk wordt in 1596 een dochter Catharina genaamd geboren, die op een onbekend tijdstip te Hoensbroek overlijdt. De stamboom van Felder-Hamers geeft aan dat er ca. 1570 uit hun huwelijk nog een zoon genaamd Matthias geboren zou zijn. In de stamboom Hoensbroeck-ten Esschen-van Eijs, wordt echter alleen Catharina genoemd. Deze Catharina huwt Theodorus Aelmans, zoon van de in 1556 (Kreijns) geboren Jacobus Aelmans. Daarmee houdt de mannelijke afstamming van deze familie ten Esschen op.

Heinrich (Hendrik) van ten Esschen (***)

 Op drie oktober 1550 wordt Hynrich van den Nesschen aangeduid als “lehenman”. (LvO, 6405-6408, pag.12, fol.7 r). In zijn kielzog wordt ook Lynssen van den Nesschen genoemd op 29 juli 1551, reyg.pag.36, fol. 21 re.

Lynss Haegens en Johan Haegens, 18 februari 1551

 Op deze dag worden Lynss en Johan, “broeder v.Lynss, lehenmann”, beleend met “lehen geleyen zen Nesschen”. Het is niet duidelijk of het hier om de hoeve gaat of om landerijen of weiden. De naam Haegens was er eerder al, en zal hierna nog vaker opduiken. Op 29 juli 1551 en op n.s Math. 1551 wordt Johan weer genoemd met “lehengoydt geleyen zen Nesschen en met lehen zen Nesschen”. Hierbij wordt ook zijn vrouw Anne vermeld. Anne Jongen staat te boek als “huesfr. V.Hagens Johan”. Op zestien april 1554 en drie december 1556 vinden er weer vermeldingen plaats van Johan Hagens. *Lehen zen Nesschen*. Ook Anne Jongen, zijn echtgenote, wordt hier weer genoemd. Op 11 juni 1561 vinden we een zekere Enken Hagens, die met leengoederen te ten Esschen vermeld wordt. Hij wordt samen met zijn moeder, Johenne Slyffer, in de akte vermeld. In mei 1562 en januari 1563 duikt Johan Haegens weer op als leenman. Op een februari 1563 lezen we dat Enken Haeghens “splyss ( splitst bezittingen op) then Esschen, Aelffers son upt Steyn ere zwager”. Een paar weken later, op 18 februari, doet Johan Haegens hetzelfde.

Thysken Schyltz, 20 augustus 1553

 Op 20 augustus 1553 en op twee september 1553 wordt Thysken Schyltz genoemd, met “lehen zen Nesschen”. Zijn vrouw heet Drurge, en hij wordt vermeld als een “swager van Beelken (van den Nesschen s.dort)”.

  • wordt vervolgd

Huize ten Esschen deel 11

Gort ( Goert, Godfried) Ubachs, geboren rond 1490, en overleden tussen 29-08-1557 en 01- 08-1559

Gort wordt in 1550 en 1559 genoemd als mede-cijnsplichtig (betalen belasting) voor de goederen van zijn vader. Hij koopt het Keurkeulse leengoed “ten Esschen”van Hendrik van den Esschen en gebruikt op drie januari 1554 deze hoeve als onderpand. Korte tijd daarvoor viel aan Lysken en Gort een erfenis van vijf sijllen akkerland en een erfgoed ten deel. In de oogstmaand van 1558, op 15 augustus, verkoopt Gort ten overstaan van de leenmannen, aan zijn broer Johann en zijn vrouw Metthen een stuk akkerland (Leen Clein Caldenborn). Het woord leenman stamt af van het Latijnse woord “laetus”, hetgeen horige betekent. Na de dood van Gort erven zijn kinderen in de oogstmaand van 1559 het leen ten Esschen met de daartoe behorende akkers en weiden. Gort was getrouwd met Lysken van den Esschen (geboren ca.1501), de dochter van Reyner #2 van den Esschen. Zij overleed rond 1558 in Voerendaal. Hun kinderen waren: Heyntgen Ubachs, geboren ca. 1535 te Voerendaal. Barbara Ubachs, geboren ca.1537, Godefridus, geboren ca.1539, en Laurentius, geboren ca. 1541.

Heyntgen Ubachs, ca.1535

 Heyntgen wordt in het cijnsregister van Puth als leenman van Vrouweheide genoemd. Op een maart 1575 hebben Heyntgen en zijn vrouw Gertrudis(Gyrthe), met wie hij in 1566 voor de kerk trouwde, het erfdeel dat aan hun toekwam na de dood van zijn zuster Barbara (Berbken), aan zijn broer Godfridus (Gortgen) en zijn vrouw Meycken overgedragen. Uit hun huwelijk wordt omstreeks 1575 een zoon geboren, Godefridus, die na 24 februari 1607 te Voerendaal overlijdt. Daarna komt de ca. 1539 geboren broer van Heyntgen, Godefridus in beeld. Hij huwt Maria (Meycken). Haar achternaam is onbekend. Uit hun huwelijk wordt rond 1585 Henri Ubachs geboren. Deze Henri had niets meer van doen met ten Esschen. In 1625 kocht hij samen met Lambert Mees gronden van Geurt Cortenbach, gelegen op het ”Keverberg leen”te Ubachsberg.

Heyntgen Ubachs: geboren, 1460 (1480?),*( overleden voor 1544)

 Volgens het Nederlands Patriciaat wordt Heyntgen Ubachs in 1550 genoemd in het cijnsregister van Voerendaal als bezitter van goederen te Ubachsberg. Op de “Gantzaligenhoff zo Vroenhaijven op die Ubachsberg”, rustten renten, pachten en cijnzen te behoeve van het St.Mathias altaar in de parochiekerk. In het Gedenkboek van Voerendaal wordt gesteld dat Catrijn, de echtgenote van Jan Ubachs, en de kinderen van Heyntgen, Goert Lemmen “op den bergh” en Lijsken daarvan vijf mud rogge aan cijnzen moesten betalen . Heyntgen was een zoon van Johann von Uebachsberg, geboren ca.1420 te Ubachsberg, en Catharina Retersbeck, geboren te Aken omstreeks 1420. Kreijns geeft aan dat Heyntgen met een zekere Johan Hagens, leenman was van “dem stocklehen zen Nessche”. Hij bezat ook land te Welten, gelegen naast dat van Marten in de Lirp. De daar gelegen hoeve de Lirp, was een Keurkeuls leengoed. In de 17e en 18e eeuw zijn er veel processen gevoerd over het eigendomsrecht van de hoeve. Na Heyntgen zou Goert Ubachs het goed “zen Nessche” gekregen hebben. Heyntgen trouwde rond 1485 met Elisabeth (Lysken) N.N. (Smets, Houben), geboren in 1465 te Voerendaal. Lysken bereikte een gezegende leeftijd, ze moet rond de negentig geworden zijn. In 1559 wordt Heyntgen nog vermeld in het cijnsregister van kasteel Puth, als leenman van huis en hof met akkerland Fronhoeffen ( Vrouweheide) te Ubachsberg. Dat kan niet kloppen, toen was hij al overleden. Uit het huwelijk van Heyntgen en Lysken werden drie kinderen geboren. Johan, geboren ca. 1487, en gehuwd met Metthen (overleden 1558). Gort wordt geboren rond 1490, en Lysken rond 1500, beiden te Ubachsberg. Rond 1515, Lysken moet toen vijftien geweest zijn, vond er ten overstaan van de leenmannen Heinrich van ten Esschen en Wilhelm Pysschen een “erfwessel” plaats tussen Gort en zus Lysken. Gort kreeg een derde morgen akkerland van haar, en dat gebeurde met instemming van de broers van de zijde van vader en moeder.

wordt vervolgd met deel 12

Huize ten Esschen deel 10

De in akten genoemde pachters van Hoeve ten Esschen en andere lenen te ten Esschen:

Reinhart van Esschen, Aachen, 30 juni 1372 (***)

Op deze datum beleent Aartsbisschop Friedrich III van Keulen Reinhart van Esschen met de Hof ten Esschen en de Hof te Lotbroek ( Lodbroich), alsmede met “sieben ein half Hufen ackerland im Kirschspiel Heerlen”. Zowel de hof als het akkerland wordt aangeduid als “Valkenburger lehen”. In Aquis in recessu domini ridelicet crastino Petri et Pauli Archiv. ( nr.409 Regesten der Erzbischöfe von Köln im Mittelalter, deel vier, 1366-1380). Dit is de eerste keer dat in een officiële akte de naam van den Esschen aan de hoeve gekoppeld wordt. De toevoeging Aachen, achter de naam van Reinhard betekent waarschijnlijk dat de belening vanuit Aken is geschied. Op dat ogenblik zal de Mankamer te Heerlen naar alle waarschijnlijkheid nog niet volledig gefunctioneerd hebben. In “Die Regesten der Erzbischöfe von Köln im Mittelalter”, 12er Band, 2e Hälfte, 1370-1414 staat op pagina 105: “Esschen im Land Valkenburg im Kerspel Heerlen, Hof VIII 620, IX 126, 854. Reinard v.(den) VIII 620,678”. Uit een vermelding van vijf september 1370, blijkt dat Reinard dus al eerder beleend werd met de Hof te Lotbroek, ( wird belehnt mit Lodbroich, s.v. Bachem. Roger).

Reinhard moet op zijn minst een aangezien iemand geweest zijn. Op 24 juli 1372 was hij als getuige aanwezig bij het sluiten van de huwelijksovereenkomst van Johann v. Schaesberg (Schayfsberg), met Drude v.Steinberg. Drude was de dochter van de dan al overleden Rutger v.Steinberg. Benadrukt werd nog dat Drude de “eheliche Tochter” was van v.Steinberg. Dat was belangrijk in een tijd dat er ook nogal wat buitenechtelijke nakomelingen waren. De jongedame kreeg een mooi bedrag aan bruidsschat mee van haar familie. “Als Heiratsgeld hat sie 1300 gute schwere Guldgulden bar gegeben”. Daar kon je een eindje mee vooruit!

Tilman van dem Bocke, 14 juli 1381 (***)

Tilman wordt op deze datum als burger van Aken beleend met de Hof ten Esschen in het kerspel Heerlen, alsmede met de Hof Koningsbeemd, een leenhof in het Land van Valkenburg. Zijn getuigen bij deze belening zijn, Ridder Reinhard v. Morken, Johann v.Pon en Joh. Struver v. Uersfeld (Orsfelt) . De Koningsbeemd, was overigens de eerste benaming van de Hoeve de Wijngaardshof, gelegen onder Heerlen. De naam v.Morken komt al in de elfde eeuw voor in het nabij gelegen Hertogdom Jülich, (Gulik). Van dem Bocke was naar alle waarschijnlijkheid een voornaam burger, met “riddermatige” contacten. In een bundel stukken over Schalun te Valkenburg, komt in 1406 een Johan Struver van Hulsberg tot Schalun voor als, “Ritter, Baillu tuschen Maes en Rhijn van Hertog Anton van Braband”. Het zal bijna zeker om dezelfde persoon gaan. Hij zal als getuige zijn opgetreden omdat Koningsbeemd een Valkenburgs leen was. Hij stond in de leenregisters van de leenhof van het Land van Valkenburg geregistreerd als Johan Struver de Bunde, Johan Struver de Hulsberghe, of Johan van Hulsberg. In 1407 werd “Johan Struver van Hoelsberch” tot voogd van het Land van Valkenburg benoemd. Op zestien oktober 1384 wordt Tilman nogmaals beleend. Er staat niet aangegeven waar het precies over gaat. Onder de vermelding “wie oben 9, 126”, zijn er ook weer dezelfde getuigen aanwezig. (Band 9, Reg.Nr. 854) De man moet geld en invloed gehad hebben.

Peter (vanden) (vandem) (von dem) Buck (Bock)

 In het boek van Wim Nolten, “Keurkeulse Mankamer Heerlen”, 1419-1482 wordt ook een zekere Peter vanden Buck (o.a als leenman) genoemd en wel op de bladzijden 2b,2,2b/3a, 11b. Hij haalde de informatie uit de “Akten van verheffing en lijst van leenmannen 1489- 1482”, 6403-6404, genummerd 41 en 45. Aangezien de naam van Peter over een groot deel van de eeuw wordt vermeld, moet ik er van uitgaan dat het om een vader/zoon vermelding gaat.

In 1419 wordt hij vermeld  op pagina 2 onder 3: “Item het Johan Hoen van Vorendael ontfinck den hoeff zu Spalbeeck inden jaer du men screiff 25-1-1419, X1X des XVen dages inden hardmoent overmitz mich Goeswijn van Cortenbach als richter mijns gened. Heeren van Collen (Keulen) en sijne man mit namen heer Stas Segroede en her (heer) Peter vanden Buck als sceffen (schepen) zu Aichen. Hier wordt hij dus als leenman van Keulen vermeld en als schepen te Aken.In 1482 wordt Peter vanden Buck vermeld als man van Hoeve ten Esschen. “Item Peter von dem Buck ist man von dem hove zu Esschen, und ist ein burger zu Aichen

Huize ten Esschen deel 9


De eerste vermeldingen van de naam ten Esschen Godefridus de Esgen, ca.1275-1297

In een copieboek van Siegfried van Westerburg van 1275-1297 staat Godefridus vermeld als leenman van de aartsbisschop van Keulen in de omgeving van Heerlen, (Maasgouw 1893, blz 91). (“Stukken betrekking hebbende op Limburg in het Rijksarchief der stad Keulen”). Het is niet duidelijk of er bij zijn leenmanschap ook al sprake was van een hof in de regio Heerlen. Peusquens vermeldt het als volgt: *Neubelehnung in Herle, u.a. Godefridus de Esgen*.

Jutta van den Eyschen ( geboren 1345)

Jutta trouwde in 1369 met Johan II Hoen (ca.1338-1423), ook bekend als Johan van Voerendaal. Johan was een zoon van ridder Nicolaas Hoen, die in 1370 schout van Maastricht werd. Ook was hij heer van Eys, en de eerst genoemde bewoner van het Hoenshuis te Voerendaal. Het enige kind van Jutta en Johan werd in 1370 geboren. In de ‘‘Nakomelingen van Jutta van den Eyschen’’ wordt hij vermeld als Johann Hoensbroeck ten Esschen van Eijs. Jutta was een dochter van Dirk Mulrepas, de heer van Eys, een adellijke tak uit het hertogdom Limburg. In het boek “Adel aan Maas, Roer en Geul” uit 2009 , stelt Emile Ramakers in “De Schaesbergse erfenis”, dat Dirk de Oude van Caldenborn, zijn zoon Willem I en zijn schoonzoon Johan Berwijn, een erfpacht aan Jutta van den Esschen, die non te St.Gerlach is, verkopen. In het parenteel Generatie III van Johan Hoen staat eveneens een Jutta van den Esschen, nu echter als vrouw van Johan II Hoen vermeld. Zou het om dezelfde vrouw kunnen gaan? En is de naam ten Esschen wellicht afkomstig van van den Eyschen? Zouden zij door naamsverbastering de naamgevers van ten Esschen zijn?

Merten van den Neijsschen, wordt in een overzicht van de Keulse lenen (kastelen en hoeven) in het Land van Herle van uit 1961 vermeld onder nr. XXIX, als leenman van Ten Nesschen. Het artikel, “Overkastelen in het historisch Heeelener land”, voegt een kaart bij met als datum 1381. Het is mij niet duidelijk of het leen van Merten gekoppeld is aan deze datum! De kaart draagt als titel: “De leenrechtelijke toestand van Heerlen in het jaar 1381”.

Johann Hoensbroeck ten Esschen van Eijs (geboren 1370)

Zou deze Johann op grond van bovenstaande vermelding al iets met ten Esschen te maken hebben gehad? De toevoeging staat er mijns inziens niet voor niets.  Hij trouwde met een ons onbekende partner. Het kind dat ze kregen, is de hierna genoemde Reyner (1). Helaas overleed Reyner I al vroeg in het jaar 1408.

Reyner (I) van  den Esschen (geboren 1390-1408 overleden)

Reyner trouwde al op zeer jeugdige leeftijd, hetgeen toen niet ongewoon was, gezien de levensverwachting. We weten echter niet wie zijn partner was. Zij kregen een kind in 1404, dat overleed in 1438. Reyner is dus al op zeer jonge leeftijd vader geworden. Het kind waarvan we eveneens de naam niet kennen, was van het mannelijke geslacht. Deze van naam onbekende jonge man huwde ook weer een ons onbekende vrouw. De naam van hun zoon is wel bekend. Het was Lens van den Esschen. Lens moet dan naar alle waarschijnlijkheid geboren zijn in het jaar 1438. Dat was het jaar waarin zijn van naam onbekende vader ( N.N. van den Esschen) stierf.

Lens van den Esschen (1438-1466)

Lens trouwde eveneens met een niet met name genoemde vrouw. Zij kregen in 1460 een kind, en dat was Reyner (Reynier 2) Reyner trouwde ook weer met een onbekende partner. Zij kregen weer een kind met de naam Lens in 1490. Wanneer hij overleed is niet duidelijk. In de 14e eeuw wordt een zekere Reyner van den Esschen als leenman van het goed genoemd. Mogelijk is hij de (over)grootvader van de hier vermelde Reyner. Zoon Lens van Esschen wordt in 1519 als leenman van het goed ten Esschen genoemd. Lens trouwde in 1515 met Mettel (Mechtildis) van Rodenbroeck (geboren 1495). In 1518 verheft Lens als momboir van zijn echtgenote het leen Rodenbroeck. Zij krijgen een kind in 1530, Joannes geheten. Hij trouwt de in 1535 geboren Catharina Putters. In 1569 krijgen ze een kind, Gisbertus. Zijn vader Joannes overlijdt te Heerlen in 1603. Uit het huwelijk van Gisbertus en Gertrudis Slypen wordt een dochter Catharina geboren, die in 1596 te Hoensbroek overlijdt. De stamboom van Felder-Hamers geeft aan dat er ca. 1570 nog een zoon genaamd Matthias geboren zou zijn. Of zij en haar ouders nog iets met Huize ten Esschen te maken hadden is een vraagteken.

Huize ten Esschen deel 8

De Franse tijd

 Toen de Fransen hier in 1794 de baas werden, werden er snel allerlei plannen beraamd om een einde te maken aan de bestaande regels en privileges. Zo wilden ze een einde maken aan de voorrechten van heerlijkheden, kerken enz. om de pacht in natura te ontvangen. Het doel van de Fransen was natuurlijk om snel aan geld te komen. Daarvoor was een belasting op onroerend goed uitermate geschikt. De bezetter moest daartoe inzage hebben in het kadaster der Lenen. Eind oktober 1795 eiste de centrale administratie te Maastricht dit kadaster van de Mankamer op, en wel via de Heerlense Municipaliteit. Dit stuitte alom op weerstand en er werden allerlei uitwegen gezocht. Op vier januari 1797 antwoordde men dat het niet mogelijk was op een dergelijke korte termijn de waardeschatting van alle eigendommen ten behoeve van de grondbelasting in kaart te brengen. Die brief werd ondertekend door de Heerlense commissarissen repartiteurs en dhr.Hennen, agent municipale.

Op 22 februari 1797 gaf de maire-adjoint van Heerlen, L.Pluymakers, de heren de opdracht om met grote haast de instructies van de Fransen uit te voeren.  Op 16 mei 1797 nam het departement Nedermaas het besluit dat in elk kanton een commissaris zou worden benoemd, die de taak kreeg om de benodigde leggerboeken samen te stellen. In Heerlen viel die eer ten deel aan burger Sternbach, oftewel kolonel baron de Sternbach, uit Vaals. Onder zijn leiding werd er al binnen acht dagen gestart. Heerlen werd verdeeld in vier stukken, en de dorpen Voerendaal en Nieuwenhagen werden toegevoegd. Geheel in stijl met de revolutionaire idealen werden de betrokken secties de namen “Liberté, Fraternité, Égalité en Republique” gegeven. Ten Esschen had samen met Voerendaal het voorrecht om tot de sectie Égalité te behoren. De afhandeling van een en ander had heel wat voeten in de aarde, en naar het schijnt was het kadaster in 1807 nog niet gereed. Ook de revolutionaire politiek had het klaarblijkelijk zwaar om hun zaken voor elkaar te krijgen. Het was wel een verbetering, daar alle eigendommen nu eindelijk met vermelding van eigenaar(en), en grootte opgenomen waren.

De gebouwelijke situatie

J.F. van Agt beschrijft Huize ten Esschen in zijn in 1962 Staatsdrukkerij-en Uitgeverijbedrijf te Den Haag verschenen boek, “De Nederlandse monumenten van kunst, Zuid-Limburg, uitgezonderd Maastricht”, als volgt:

Ten Esschen

Wijngaardsweg 104. Hoeve om gesloten binnenplaats, schilderachtig gelegen op het kruispunt van de Eschenderweg. Aan de straat baksteen met speklagen, XVII met herstellingen in mergel en baksteen, gewit. Aan de achterzijde vakwerk, XVII met latere baksteenvullingen. Een puntgevel met speklagen, XVII, en twee van mergel, XVIIId. Beneden eenvoudige segmentboogvensters en segmentboogingang; voorts segmentboogvensters in hardsteen, type Ia; de bovenvensters ten dele in hardsteen; alles XVIIId. De ingang met het restant van een Lodewijk XVI-bovenlicht.

Ten_Esschen10

Ten Esschen op de Franse Tranchot kaart uit 1806

Borgharen in vervlogen eeuwen deel 2

Een oude oorkonde uit de tijd dat Margaretha de heerlijkheid Borgharen bestierde

“Op de 31ste maart 1474 komen we in een oude op Borgharen betrekking hebbende oorkonde de volgende tekst tegen: “1474 den 31 maart.Dirck Vaerssen, scholtis ende schepenen der heerlijkheid Borgharen, bekennen dat Willem van den Bossche, burger der stad Maastricht, gekocht heeft van Jacob Hardevues te Borgharen, anderhalf bunder land gelegen te Borgharen tusschen den hof van den tempel en Wijngaartshof. Zegel van Borgharen”.

Een gewone vermelding in een register uit die tijd, een tijd waarin ook al alles vastgelegd werd. Maar hoe was nu de politieke en bestuurlijke situatie in deze periode buiten de kleine heerlijkheid Borgharen? In de 14e eeuw waren de hertogen van Brabant de baas in het hertogdom Limburg en de landen van Overmaas. Aan het einde van deze eeuw ontwikkelden de Bourgondiërs hier een machtsbasis die er toe leidde dat Filips de Goede in het jaar 1430 als hertog van Brabant werd benoemd, hetgeen inhield dat hij dus ook regeerde over Limburg en Overmaas. Mede debet aan deze ontwikkeling was de door hun gevoerde “slimme” huwelijkspolitiek die zorgde voor een zeer gestage machtsuitbreiding. De Habsburgse prins Maximiliaan I die gehuwd was met Maria van Bourgondië, de enige dochter en erfgename van Karel de Stoute, maakte een einde aan de expansie van de Bourgondiërs die in feite leenheren van de Franse koning waren, maar zich in de praktijk gedroegen als ware vorsten.

De 15e eeuw zou een belangrijk jaar worden in de historie van het kasteel en de heerlijkheid. Het oude geslacht der van Haerens zou plaats gaan maken voor nieuwe adellijke heren. Hoe een en ander plaats gevonden heeft, blijft op vele punten met raadsels omgeven. We weten dat de omstreeks 1380 (1385?) geboren Arnold van Hamal in het begin van de 15e eeuw na zijn huwelijk met de jongedame N.van Haeren, de erfdochter van de heerlijkheid Borgharen, het goed in handen kreeg. Arnold was in zijn jonge jaren in dienst geweest als schildknaap en tafelschenker bij zijn Bourgondische heer Filips de Stoute.

Een huwelijk met de erfdochter van Borgharen

Door het huwelijk met de Erfdochter van Haeren ging het gehele goed over naar het geslacht Hamal van Elderen. Helaas zou de erfdochter al vlug overlijden( datum ?), waarna Arnold, heer van Genouls-Elderen, Warfuse, Borgharen etc. op 20 juli van het jaar 1414 in het huwelijksbootje zou treden, de Maas was immers vlakbij, met de eveneens rond 1380 geboren Anna van Trazegnies, Barones van Trazegnies en Silly, Vrouwe van Heppenies etc. Daar het huwelijk met erfdochter N. geen nakomelingen had voort gebracht, kwam het geslacht van Haeren per saldo buiten spel kwam te staan. Arnolds samenwerking met de lieftallige Anna zou zes spruiten voortbrengen, vier jongens en twee meiden. De jongens zouden allen goed terecht komen binnen de toenmalige maatschappelijke ( lees adellijke) verhoudingen. Zij werden resp. Heer van Genouls-Elderen, Heer van Trazegnies, geestelijke  en baron van Vierves. Kijk je de genealogie sites er op na, dan kan ik me moeilijk voorstellen dat het jongste kind, Walter van Hamal, (Vierves) in 1430 geboren zou zijn. Moeder Anna zou dan al de leeftijd van de bijbelse Sarah bereikt hebben, en dat moet in die tijd al echt oud geweest zijn.

Hun vijfde kind, Margaretha, zou als erfdochter een belangrijke rol gaan spelen binnen deze adellijke familie.

In een document uit 1402 lezen we het volgende: “Il est seigneur de Haren (Borcharen) fief*  du Brabant, au nord de Maestricht (Akte waarbij Philips, hertog van Bourgondië, op verzoek van Arnold van Elderen aan zijn seneschalken* en ontvangers-generaal van de Landen van Overmaas beveelt, genoemde van Elderen niet te dwingen de heerlijkheid Borgharen op het kasteel van Valkenburg te verheffen, aangezien het een Brabants leen was”. (Datering: 1402, met notarieel afschrift)

Er bestaat ook een z.g “Kasteel Borgharen Akte”, waarbij Jan, hertog van Brabant, een transumpt* geeft van een eerdere overeenkomst tussen Jan III, hertog van Brabant en Adam van Haren. Deze dateerde uit het jaar 1330 en op verzoek van Arnold van Hamel, heer van Elderen, bekrachtigt Jan deze nogmaals. (1424 ” Regionaal Historisch Centrum Limburg”)

( 4380. Akte waarbij Jan III, hertog van Brabant, verklaart, dat hij en Adam van Haren “tegader” twee gerechten hadden te Borg (haren) en te Itteren, waaromtrent zij zijn overeengekomen, dat hertog Jan voortaan de hoge- middelbare- en lage jurisdictie van Itteren zal hebben en Adam van Haren die over Borgharen, dit laatste als Brabants leen en waarbij hij de grenzen vaststelt tussen deze twee jurisdicties, (1330 1 charter).

Jo Vromen, ( evt. reacties of aanvullingen zijn welkom)

Borgharen_kaartRAL114

borgharen landmeterskaart omstreeks 1500 rhcl

Borgharen op een oude landmeterskaart van omstreeks 1500, die verondersteld wordt de situatie van toen weer te geven.