Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 8

Joannes Offermans ( 1731-1776)

Joannes brengt zichzelf in moeilijkheden

Joannes trouwde in 1765 met de vier jaar oudere Helena Penders. Joannes had Meerssenaar Lambert Canna, een bekende uit het milieu der nachtdieven, als buurman. De twee mannen kenden elkaar al van kindsbeen af. Offermans was zoals algemeen gebruikelijk in die dagen ongeletterd en oefende het beroep van metselaar uit. Hij had daarnaast nog een paar “hobbies” zoals vissen en jagen. Op zich was dat al strafbaar, want alle vrije ruimte waarin dit gebeurde was eigendom van de heer van de streek, van kloosters of van kerken. De in 1731 geboren Offermans werd op 17 januari 1776 gearresteerd. Offermans komt voor in het door de familie van Herman Corstjens uit Meerssen gedane gratieverzoek. Volgens de overheid had Offermans verteld dat Corstjens niet alleen op wacht had gestaan, maar dat hij ook daadwerkelijk had meegedaan aan overvallen en inbraken.

Joannes wordt op 23 en 25 januari aan een pijnlijk verhoor onderworpen, en heeft ten  gevolge van deze behandeling door de beul een week lang, van de 24ste tot en met de 31ste, de hulp nodig van gerechtsdokter Corriaux om er weer een beetje bovenop te komen. De balsems, aroma’s en verbanden moeten ervoor zorgen dat de man zodanig opknapt, dat hij opnieuw in handen van de beul gegeven kan worden. Joannes was door een aantal van zijn “criminele bekenden” beschuldigd lid van de bende te zijn. Dat vertelden tenminste Joannes Pirong uit Houthem en Willem Haegman uit zijn woonplaats aan hun verhoorders. Joannes zou zich zelf in moeilijkheden gaan brengen. Hij vertrok op de 16e januari te voet naar Valkenburg om daar bij schout Vignon een jachtvergunning voor zijn “jacht hobby” aan te vragen. Vignon weigerde hem deze om de een of andere reden, waarop Offermans enorm boos werd en de schout begon uit te schelden. Deze functionaris liet het er niet bij zitten en diende bij de Valkenburgse rechtbank een aanklacht in tegen de brutale Meerssenaar.

Een wraaklustige overheidsdienaar

En passant maakte hij de schepenen duidelijk, hij zal wel meer geweten hebben over Offermans, dat deze man lid van de bende moest zijn. Zoals gezegd werd Offermans de volgende dag in Meerssen opgehaald en opgesloten. De man werd extreem hard aangepakt. Het was evident dat de schout op wraak uit was. Hij moest zijn eigendommen in handen van justitie geven en werd ondanks al zijn ontkenningen aan de tortuur onderworpen. De pijnbank deed hem geen goed, want hij bekende al vrij vlug daadwerkelijk lid van de bende te zijn. Zo gaf hij toe mede boer Theunis Heynens in het Meerssense gehucht Raar  te hebben overvallen. Offermans moet een fenomenaal geheugen gehad hebben, want hij lepelde tijdens de recollectie van zijn verhoren achter elkaar 54 namen op van bendeleden die aan een overval van 24 jaar eerder zouden hebben deelgenomen. Dat moet niet goed gevallen zijn in Meerssen, want van die 54 kwamen er 17 uit het dorp zelf.

De rest kwam uit Weerth, Houthem, Haasdal en Arensgenhout. Volgens Joannes hielden de leden van de bende bij hem thuis niet alleen vergaderingen, maar had hij in eigen persoon mannen als lid aangeworven. Hij verschafte het gerecht zelfs een inkijkje in de “ideologie” van de bende: “om met ter tijd de Rijken alles af te nemen en dat elk zijn best moest doen om in de Bende aan te werven ende te recruteren”!! Corstjens en Hendrik Heynen waren de leiders van de Meerssense tak der bende, en zij beraamden de overval op de boer te Raar in een woning aan de Cruysstraat, de straat die nu nog naar de Raarberg leidt. Offermans werd er als schildwacht geposteerd. Hij dacht al heel snel dat er mensen aankwamen en sloeg alarm, waarschuwde snel zijn maten die er als hazen vandoor gingen. Het bleek loos alarm te zijn, want er was geen ziel te bekennen. Er werd een tweede poging ondernomen om de boer te overvallen door een kleinere groep, hetgeen lukte. Op de Raarheide werd de buit vervolgens broederlijk verdeeld. Offermans kwam niet meer vrij. De nota van de gerechtsarts bedroeg ongeveer 16 gulden en die van de beul voor het pijnigen en ophangen 55 gulden. Het vonnis luidde “ophangen aan de galg” en dat gebeurde op 9 mei 1776. De krant meldde het volgende: “ MAASTRICHT, den 14. Mey. Gepasseerde Donderdag den 9 dezer zyn te Valkenburg wederom 3 Boosdoenders, van meergemelde godlooze bende, op de ordinaire gerichtsplaats opgehangen.”

 

 

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 7

Herman Meeuwissen ( 1742-1776)

Tot de Bank Meerssen behoorde in die tijd ook het gehucht Broekhem, waar Herman als boer (akkerman) de kost verdiende. Hij was in 1766 getrouwd met de even oude Catrijn Jongen uit Oud-Valkenburg. Het echtpaar kreeg twee kinderen, Johan Casper in 1768 en Herman in 1773. De jongste zou in 1795 trouwen met Gertrude Mac Kaye, een dochter van een voormalige Engelse huurling. Herman bezat een aantal stukken landbouwgrond ter waarde van 1000 gulden, niet weinig in die tijd. Hij was een zwager van rotmeester Anthoon Emands van de wacht in de Heek, die in november 1774 tijdens een verhoor op de pijnbank de rechtbank in Valkenburg alles vertelde over de dertien jaar eerder gepleegde overval op de kluis op de Schaelsberg tussen Schin op Geul en Valkenburg. Een tijdje later bereikten allerlei geruchten over Meeuwissen de Valkenburgse schout, hetgeen aanleiding was om de man op 11 januari 1775 op te pakken. Meeuwissen werd flink aangepakt. Hij werd drie keer op de pijnbank gelegd: op 16 en 22 februari en op 7 maart. Gerechtschirurgijn Corriaux moest ook hem met allerlei middeltjes bijstaan om hem na de zware mishandelingen van de beul in het rijk der levenden te houden. Dit alles in de hoop dat Herman nog meer zou opbiechten of nog andere namen zou noemen!” Den 16 fibriwari getorturt hermanus meuwesen en den 9 meij
den selven gehangen — —  — —  55.” Deze nota van de beul maakte duidelijk wat zijn  werk was en wat hij ervoor telde. Herman werd schuldig bevonden en op 9 mei 1776 opgehangen. Zijn bezit werd in opdracht van de rechtbank aan de hoogste bieder verkocht. De meubelen brac hten 128 gulden op, en de granen 6 gulden en 17 stuivers. Uit het overzicht van de administratie van de rentmeester van Overmaze blijkt dat zijn vaste goederen d.d. 7 december 1776 nog verkocht moesten worden. De rentmeester had hiertoe “nog te vercopen”genoteerd.

Steven Meeuwissen ( 1729-1775)

Broer drie, Steven was woonachtig in Strabeek en in 1764 gehuwd met Beatrijs Lambrighs. Ze kregen een jaar later een jongen, Herman, en in 1768 een meisje Anna Elisabeth. Steven werd na beschuldigingen door gevangen zittende personen opgepakt en op 21 en 22 maart 1775 aan een pijnlijk verhoor onderworpen. Hij werd op zulke schandalige wijze mishandeld dat hij een dag later in zijn cel zou overlijden. Op dezelfde dag werd hij door de ons bekende herbergsdochter Geertruid Bosch uit de Heek genoemd als een van de deelnemers aan de overvallen bij broer Frissen in Aerensgenhout en de kluis bij Walem, meer dan dertien jaar geleden. Bosch had ook haar broers Gosewijn en Steven als lid van de bende nachtdieven betiteld. Er viel niets te halen bij Steven. De rechtbank ving bot. De opbrengst van zijn bezittingen was nihil. Hij had er namelijk geen. Voor een enkele hand-en spandienst was hij letterlijk in opdracht van justitie dood gemarteld. Om te laten zien welk een slecht mens hij volgens justitie was, werd hij op 22 juni 1775 demonstratief onder de galg begraven.

Wouter Meeuwissen ( 1738-?)

Broer Wouter woonde eveneens als Herman in Broekhem. Zijn zus was gehuwd met Matthijs Emands, een zoon van de bij Herman Meeuwissen genoemde Anthoon Emands uit de Heek. Wouter heeft waarschijnlijk via het geruchtencircuit vernomen dat hij beticht werd van kwade streken. Zo vertelde Geertruid Bosch het volgende over zijn aandeel in de overval op de kluis: “Verders verklaerde dese dat nog geassisteert Wouter Mevissen, denwelke thans bij Theunissen te chapel voor knegt woont, gekleed in een blauwen keel en gewapent met eenen flindte”. Wouter die bij een boer genaamd Theunissen in Aken ( chapel) werkte en woonde, ging er tussen uit.

Hij werd bij verstek veroordeeld tot verbanning. De gedwongen verkoop van zijn beesten bracht 69 gulden en 5 stuivers op. Dat dekte allemaal de geweldige kosten van de massale vervolgingen in het Zuid-Limburgse land op geen enkele wijze, maar vertelt meer over een overheid die aan een extreme vorm van tunnelvisie leed.

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 6

Gosewijn Meeuwissen ( circa. 1740-1775)

Gosewijn (Goswin) was een van de vier broers Meeuwissen die met de Valkenburgse justitie in aanraking zou komen. Hij werd omstreeks het jaar 1740 in Strabeek bij Houthem geboren, was niet gehuwd en werkte als dagloner. Een “beroep”, waarbij je maar moest afwachten of je ergens voor een of een paar dagen aan de bak kon. Hij was zoals de meeste niet tot de elite behorende burgers ongeletterd en leefde van de hand in de tand! Gosewijn werd op 9 maart 1775 door de Valkenburgse gerechtsbode met behulp van een paar schutten thuis opgehaald en naar het Landshuis gebracht, om er in een donkere en vochtige door ongedierte vergeven cel te verdwijnen. Hij wordt al op 16 en 17 maart aan een scherp examen (tortuur door de beul) onderworpen.

Het is donderdag een juni 1775 als Geertruid Bosch tijdens een verhoorsessie in de namiddag de rechters nog een aantal personen noemt die “Complicen der Bende sijn”! Een van deze mannen is volgens haar “Goossen Mewissen uit de Banke Houtem”. Ze noemt dan ook nog zijn broers Steven uit Strabeek en Wouter uit Broekhem. Een ondervraging met resultaat, want Gosewijn wordt op 8 juli en op 14 en 15 september opnieuw met de assistentie van de beul aan een onmenselijk verhoor onderworpen. Bosch had hem ervan beticht deelgenomen te hebben aan de vele jaren eerder gepleegde overval op de boerderij van Frissen in Aerensgenhout.

De rekening van de “dokter”

De bij de verhoren aanwezige chirurgijn die er op moest letten dat de aangeklaagde tijdens de “verhoren”niet zou bezwijken”diende voor zijn “eervolle” karwei allerlei nota’s in. De nota die Gosewijn betreft geef ons een inkijkje in wat er nou exact gedeclareerd werd. Uit de rekening blijkt dat deze dokter er bijna vier weken voor nodig had om Gosewijn enigszins te laten herstellen van het misdadige justitiebeleid. Chirurgijn Thomas Corriaux bezocht hem daartoe in de periode vanaf 8 juli tot 4 augustus  twee maal per dag, om “denselven te laten  cureren van de gevolgen van de tortuur”! De totale kosten bedroegen 27 gulden en 30 stuivers, een bedrag dat uitgegeven werd aan linnen dat als verband diende, balsem en reukmiddelen ( foment aroma) om een door de beul mishandeld persoon weer uit zijn toestand van bewusteloosheid terug te halen.

Aan de galg

Gosewijn bezat vrijwel niets. Hoe kon het ook anders. Gewone burgers bezaten in de regel vrijwel niets. Alleen zijn voorraad graan leverde iets op. De verkoop ervan genereerde iets meer dan 16 gulden voor justitie. Gosewijn werd op 5 oktober 1775 opgehangen.

 

Lodewijk de 14e bezoekt Maastricht in juni 1675

Haarie tegen Bèr: Les francais sont ici!!

Maastricht werd op de dertigste juni 1673 door de Fransen ingenomen, hetgeen een periode van zware lasten voor de stad zou inluiden. Er waren nog geen aparte soldatenonderkomens, barakken of kazernes voorhanden, zodat de soldaten van het Franse garnizoen bij burgers ondergebracht moesten worden. Dat zou tot spanningen en overlast leiden en was voor de meeste gewone burgers onbetaalbaar. Zoals gebruikelijk hadden notabelen geen last van inkwartiering en drukte deze last op de schouders van de zwakkeren. Het Maastrichtse stadsbestuur had zich al vanaf het begin van de bezetting bij de Fransen sterk gemaakt voor aparte soldatenonderkomens, maar deze hadden daar geen oren naar. Er zou zich echter een gelegenheid gaan voordoen waarbij het bestuur haar denkbeelden aan de allerhoogste baas van De Fransen zou kunnen voorleggen. Toen twee jaar later het Franse leger in de buurt van Lanaye ( Ternaaien) vertoefde, en Lodewijk die plaats tot zijn hoofdkwartier had gemaakt, besloot het stadsbestuur het ijzer te smeden toen het heet was. Een Franse gezant liet het stadsbestuur weten dat de koning voornemens was om op de 14e juni de stadswallen aan een inspectie te onderwerpen. Dat klonk als muziek in de oren van de Maastrichtse regenten.

De er toe doende Maastrichtse bestuurders trokken allen in de ochtend van de 14e juni in schitterende ambtskledij de St.Pieterspoort uit om er de “goddelijke” Fransoos op te vangen. Lodewijk bleek een vroege vogel te zijn, want hij arriveerde al om negen uur bij de stadspoort, waarna alle Maastrichtse VIP’s zich als door de bliksem getroffen op de knieën wierpen om “de buitenaardse godheid” te eren. Hoogschout de Montagne was uitgekozen om de koning aan te spreken. Hij begon zijn toespraak met een compliment! Nog nooit, aldus de man, was de hemel zo helder geweest als vandaag in de nabijheid van “Votre Majesté”. Na deze stroopsmeerderij bracht hij het verzoek naar voren om de kazernes te laten bouwen voor de soldaten van het garnizoen om zo het leven van de burgers te verlichten.

Louis Quatorze doet wat hij wil

De koning antwoordde dat hij reeds door zijn vertrouweling graaf d’Estrades op de hoogte was gebracht over dit heikele punt, maar dat hem er primair alles aan gelegen was om eerst de veiligheid van de stad in een “état de sureté” te brengen. Voorwaar een wijs inzicht! De Hoogschout riposteerde dat het bestuur Zijne Koninklijke Majesteit smeekte om toch aandacht te hebben voor de bouw van de kazernes. Alle burgers zouden voor zo een goede koning immers onder alle omstandigheden hun lijf, goederen, bloed en leven opofferen.

De koning, wellicht getroffen door deze loffelijke woorden en gesterkt in zijn koninklijk machtsgevoel, gaf hierna zij paard de sporen en reed langs de wallen naar de Tongersepoort. De leden van het gemeentebestuur riepen hem nog snel een enthousiast “Vive le Roi” achterna, waarop Zijne Hoogheid zijn hoed afnam en ermee zwaaide. De Fransen zouden daarna wel  verschillende nieuwe buitenwerken maken, maar over kazernes hoorde niemand voorlopig iets. “Rien est changé”!

Die zouden er pas later komen. In 1685 zou Lodewijk via een verordening bepalen dat zijn soldaten in aparte kazernes ondergebracht moesten worden, maar toen waren er geen Franse soldaten meer in Maastricht

David Moses vond op tien mei 1712 zijn aards einde te Maastricht

Jongelui plannen walgelijke moord

David Moyses was 25 jaar oud, en zijn vriendin Helena Meyer was pas 22, toen ze door de Maastrichtse justitie terechtgesteld werden op 10 mei 1712. Moyses was oorspronkelijk afkomstig uit Berlijn en in het landelijke Beek verzeild geraakt. Daar had hij Helena leren kennen. Ze werden ervan beschuldigd daar een zekere mevrouw Bamphi op vreselijke wijze vermoord te hebben. Deze dame was een kennis van het stel. Moses stelde op een gegeven ogenblik aan zijn vriendin voor om de vrouw te vermoorden om zo aan haar geld en juwelen te kunnen komen. Het tweetal wist al langer dat de vrouw nogal wat geld en sieraden bezat. David opperde het plan om na de daad de buit onder elkaar te verdelen. Zijn vriendin maakte ernstige bezwaren tegen dit voornemen uit vrees dat hun misdaad aan het daglicht zou komen. Maar David wist haar uiteindelijk met zijn argumenten te overtuigen. De vrouw, zo zei hij, was altijd alleen thuis en niemand zou iets van hun daad kunnen merken. Helena beloofde hem tenslotte te helpen bij het uitvoeren van hun misdadige plan. Ze overlegden nog enkele malen met elkaar over alle details, alvorens met de uitvoering te beginnen. Het tweetal besloot om de moord op tien mei om negen uur in de avond te plegen. Alvorens naar het huis van het beoogde slachtoffer te gaan, zouden ze elkaar in Beek in de St.Catharinagang ontmoeten.

David was echter nog steeds niet helemaal overtuigd van de medewerking van zijn vriendin. Om vier uur in de namiddag van de tiende mei zocht hij haar nogmaals op om er zeker van te zijn dat ze ook zou komen. Hij liet haar toen een groot slagersmes zien waarmee hij de euvele daad  wilde voltrekken. Helena zou volgens afspraak mevrouw Bamphi nog een keer bezoeken om haar wijs te maken dat ze samen met David naar Antwerpen wilde vertrekken. Moses zou korte tijd later naar haar woning komen, en mevrouw naar een horloge vragen dat ze hem een paar dagen eerder te koop had aangeboden. Als het plan zou slagen, zouden ze de postkoets naar Amsterdam nemen. Het verhaal over Antwerpen was een door hen een geplande en bewuste misleiding. Het tweetal had afgesproken dat ze alleen de meest kostbare bezittingen van de vrouw zouden meenemen. Toen Moses korte tijd later bij het huis aankwam, liet Helena hem direct binnen. De vrouw des huizes zat op haar gemak in een achterkamertje een bordje met amandelen en rozijnen te eten, en had Moses niet eens horen binnen komen.

Snoodaard valt vrouw in de rug aan

Moses informeerde bij binnenkomst direct naar het horloge. De vrouw vroeg ogenschijnlijk te veel geld, want ze konden het niet eens worden over de prijs, en lieten het verder daarbij. Vervolgens vroeg de snoodaard haar of ze thee van hem wilde kopen. De vrouw antwoordde gevat dat ze zelf kwalitatief betere thee in huis had. Moses liet haar weten dat hij die wel eens wilde zien. De oude dame ging daarna naar de keuken om de thee te halen. Dat was het ogenblik waarop de Jood haar van achter beet pakte en met zijn mes in haar keel sneed. De vrouw verzette zich hevig en schreeuwde het uit. Ze was er ondanks de brute aanval in geslaagd om tijdens de worsteling een “knijp” oftewel een soort dolkmes te pakken, waarmee ze Moses nog enkele steken kon toebrengen. Moses slaagde er niet in om zijn daad alleen uit  te voeren en riep uit nood de hulp van zijn vriendin in. Zij kreeg te horen dat ze de mond van de vrouw moest dichthouden, zodat hij kon toesteken. Opeens hoorde Moses een hoop lawaai en geschreeuw van de buren. Hadden die ontdekt waarmee ze bezig waren? Hij raakte in paniek en stelde voor om zelfmoord te plegen. Beiden vluchtten naar de kelder waar Moses de keel van Helena doorsneed. De twee werden even later in de kelder opgepakt door de door de buren gealarmeerde schutten en aan het gerecht overgeleverd. Moses werd na zijn verhoor levend geradbraakt en zou geen genadeslag ontvangen. Dat betekende een vreselijke en langzame dood. Als eerste werd zijn rechterhand afgekapt. Deze hand werd samen met het door hem gebruikte mes boven zijn hoofd ten toon gesteld. Helena werd niet geradbraakt maar “alleen” onthoofd.  Moses gaf geen kik toen hij geradbraakt werd. Hij riep alleen een paar keer “Abraham”. Om een uur in de middag werd hem op het schavot nog een glas wijn aangereikt. Korte tijd later werd hij van het schavot afgehaald en op het rad gelegd voor de gerechtelijke finale! De gerechtskosten zouden volgens het vonnis uit hun bezittingen betaald moeten worden!!

De terechtstelling maakte zo een indruk op het Maastrichtse volk dat een muzikaal aangelegd iemand zich geroepen voelde een lied te componeren over het vreselijke drama!

  • Bron: Kroniek Maastricht

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 5

Jacob Herrewig ( circa.1710-1775)

Herrewig was afkomstig uit het tegenwoordig Duitse gebied en was gehuwd met Elisabeth Scheers. Op het ogenblijk van zijn arrestatie was hij 65 jaar oud, en al 28 jaar woonachtig in de Houthemerberg te Houthem. Hij kwam aan zijn geld door als linnenwever en bedelaar uit te gaan werken. Ogenschijnlijk deed hij nog meer om de kost te verdienen, want de dochter van de roverhoofdman Bosch uit de Heek bij Klimmen beschuldigde hem in haar verhoren ervan lid te zijn van de bende van nachtdieven en plunderaars. Zo noemde Gertruijd Bosch op 21 juli 1775 een grote hoeveelheid namen van mensen die volgens haar tot de bende behoorden en vaker over de vloer kwamen in de herberg van haar vader om daar nieuwe overvallen te bespreken. Daaronder bevond zich volgens haar ook een zekere “Jacob Hereweg woont meede op den Houtemerberg, eenen Hoogduitser gaet beedelen”!

Zo beweerde ze dat Jacob had meegedaan aan de overval op de kluizenaars in Walem en aan de brute inbraak met veel geweld op boer Frissen en zijn gezin in Aerensgenhout. Deze informatie was voor de rechtbank meer dan voldoende bewijs op Herrewig op te pakken, hetgeen op 11 augustus 1775 dan ook gebeurde. Hij werd vervolgens op 21,22 augustus en vijf september aan de tortuur onderworpen om hem een bekentenis te ontlokken. De Valkenburgse “huischirurgijn” Corriaux had er bijna een maand voor nodig om de arme Herrewig een klein beetje op te lappen. Het resultaat van het ongemeen harde justitieoptreden. Corriaux rekende 16 gulden en 37 stuivers voor zijn werk.Wat de man bekend heeft is niet meer bewaard gebleven. Herrewig is overigens op 29 november 1775 aan de gevolgen van zijn mishandelingen in zijn gevangeniscel overleden, maar daarna alsnog als blijk van zijn schandelijk leven aan de galg gehangen. Veel bezit had hij niet. Er kwam iets meer dan 31 gulden binnen bij de rechtbank, een bedrag dat gehaald werd uit de opbrengst van de verkoop van zijn meubelen en beesten. Onroerend goed bezat hij niet. Het opgehaalde geld dekte niet eens de nota van de beul, die voor zijn “werk” het fikse bedrag van 55 gulden declareerde!!

Johan Louis ( “de Wilde”)

Wilde Jan was rond 1713 geboren in Maastricht, maar woonde in Rothem waar hij het beroep van wolspinner uitoefende. Hij kon noch lezen noch schrijven, maar viel daarmee niet op. Wie kon dat wel in die tijd? Die kwalificaties waren enkel van toepassing op de geestelijke, politieke en bestuurlijke elite. Jan was gehuwd met Maria Dampen en werd op 17 januari 1775 gearresteerd. Uit het overzicht van “scherpe examens” blijkt dat hij pas meer dan een jaar later, op 30 januari 1776 door de scherprechter onder handen werd genomen. Waarschijnlijk heeft men hem langer vastgehouden in de hoop meer beschuldigingen te krijgen van andere gedetineerden.  Voor zijn werk op 30 januari vroeg de beul overigens het standaardbedrag van 55 gulden. Uiteindelijk besloot de rechtbank Jan te geselen, waarna hij verbannen werd uit het Land van Valkenburg en omgeving. Dat gebeurde op 10 mei 1776. Jan kon zijn plunjezak pakken en oprotten naar een andere regio. Aan vast goed bezat hij niets. De verkoop van zijn meubilair leverde de rechtbank een bedrag van 35 gulden op. Genoeg om de schout en de schepenen een kan brandewijn met een lekkere maaltijd te bezorgen.

meerssener-bende-bokkerijders-in-het-land-v-valkenburg

  • Wordt vervolgd door deel 6

Kroniek van Maastricht, deel 2 de 18e eeuw, 1702-1704

Fort Navagne verwoest

Op 11 januari 1702 werden vier andere bij de poging om de stad in handen te spelen van de Fransen betrokken mannen op dezelfde wijze als de eerste twee door justitie terechtgesteld. De Staten Van Holland verklaarden op 15 mei aan de Franse stokbroodeters de oorlog. Het Maastrichtse garnizoen kwam onmiddellijk in actie. Tijdens een verrassingsactie slaagde een commando er in om het onder Eijsden gelegen Fort Navagne in te nemen, en de bevelvoerende officier met zijn soldaten gevangen te nemen. Van het fort bleef niet meer veel over. De soldaten uit Maastricht vernielden het op deskundige wijze en namen de palisaden en alles dat ze konden gebruiken als oorlogsbuit mee terug naar huis. Toen de Fransen een aantal dagen later in Tongeren hun “Tongerse chéries” een afscheidskus hadden gegeven, waren de Maastrichtenaren er als de kippen bij om ook daar alle palisaden mee te voeren naar hun stad aan de Maas.

In het begin van de maand juli dook plotseling in het ten oosten van Limburg gelegen land van Gulik een 700 man sterk contingent Franse ruiters op. Ze gaven zich over aan plunderingen, verstoorden de processie van Gulik naar Aldenhoven, en ontblootten 25 vrouwen en meisjes tot op hun onderhemd. Na deze acties plunderden ze nog eens het stadje Aldenhoven. Niemand werd gespaard, of hij nou arm of rijk was. Geen wonder dat vele inwoners uit deze streek naar Maastricht vluchtten om daar een tijdelijk onderkomen te verkrijgen. In het midden van de maand september sloegen de troepen van de Engels-Duitse alliantie hun kampementen op in de buurt van Zoetendaal en Lanaken. Een geallieerde troepenmacht veroverde niet alleen het fort van Stevensweert op de Fransen, maar ook de citadel te Luik.

Een vergeefse aanval

De Fransen waagden op 14 mei 1703 vanuit Tongeren een aanval op Maastricht. Ze trokken zich echter snel terug toen bleek dat de verdediging van de stad op orde was. Het zou in de maanden hierna een komen en gaan blijven van militaire en politieke hot shots, hetgeen alles te maken had met de strategische ligging van Maastricht. Op elf september werd de natuurlijke dochter van de hertog van Monbazon in Maastricht opgehangen omdat ze verdacht werd van verraad aan de Fransen. Een maand later vertrokken een aantal regimenten uit het stedelijk garnizoen naar Holland om vandaar uit naar Portugal te varen om er de Fransen te bestrijden.

Op 25 november kwam een commando van 100 man in de stad terug met 68 Franse krijgsgevangenen die ze in Hasselt gevangen genomen hadden. Deze mannen hadden een aantal dagen eerder geprobeerd om de paarden van het in Smeermaas liggende garnizoen te stelen. De overige Fransen waren ofwel gedood of gewond tijdens de ze raid. Een dag later trok het hele garnizoen samen met in de buurt van de stad liggende troepen naar de buurt van Hannuit om er de Fransen aan te vallen. De garnizoenssoldaten keerden op de 30ste november in de stad terug met een hoop gijzelaars die volgens de kroniekschrijver wel 30.000 gulden aan losgeld konden opbrengen. De soldaten die in de omgeving van de stad de Fransen moesten tegen houden, hadden ook afleiding nodig. Het was niet elke dag oorlog. Zo vonden er in een schuur in Wolder opera en theateropvoeringen plaats door Engelse artiestengezelschappen. Geen wonder, de Engelsen maakten deel uit van de alliantie tegen Frankrijk. Voor de gewone burgers was deze tijd niet zo leuk. Als er gevaar of militaire acties dreigden, zochten de inwoners van Wolder met have en goed hun toevlucht in de stad of in de grotten van de Cannerberg.

In de voormiddag van de eerste april 1704 trokken een aantal regimenten uit de stad de St.Pietersberg op om er hun kampementen op te slaan. Vier dagen later zouden ze hun missie afbreken en terugkeren naar de stad. In augustus werden de kanonnen die gebruikt waren om de Fransen in Namen te beschieten weer terug gebracht naar de stad. Op de 21ste vernam men het bericht dat de Engelsen onder leiding van generaal Marlborough in Beieren maarschalk Tallard en zijn leger verslagen hadden. Er waren maar liefst 12 generaals, 26 bataillons, en 4 regimenten dragonders krijgsgevangen gemaakt, alsmede veel kanonnen en legerspullen in beslag genomen. Het was een harde klap voor de Fransen. Op de 13e september werd er een dank- en bededag gehouden in alle kerken van Nederland ter ere van deze victorie. In Maastricht schoot men om zeven uur in de avond kanonnen af vanaf de stadsmuren, en werd er een vuurwerk voor het volk georganiseerd en een deftig bal voor de elite!

In november trok het leger nog een keer naar de St.Pietersberg om de Fransen de tonen dat ze present waren.

Palisaden: palen of staken die dienden als verdedigingsmiddel en omheining

Kroniek van Maastricht 1700-1762, deel 1

In deze kroniek worden de vele oorlogsgerelateerde en andere bijzondere de stad betreffende gebeurtenissen beschreven, beginnende met de toestanden rondom de Spaanse erfopvolging en aansluitende Spaanse Successie Oorlog ( 1701-1713).

Spaanse successie oorlog zorgt voor veel trammelant

Op 19 november van het jaar 1700 hoorde de overheid in Maastricht dat de koning van Spanje op de eerste dag van die maand overleden was. Conform het opgemaakte testament werd de hertog van Anjou, de tweede zoon van de Dauphin ( kroonprins) van Frankrijk, tot troonopvolger benoemd. Het was reden genoeg voor de Maastrichtenaren om weer de zenuwen te krijgen. Zou het weer tot oorlog gaan leiden? Ja, op 7 februari 1701 hoorde men in de stad dat Franse troepen alle steden van de Franse Nederlanden waren binnen gevallen waarin zich een Hollands garnizoen bevond. Maastricht was dus weer omsingeld. Het duurde niet lang voor dat de Hollandse overheid zoals gewoonlijk boog voor de tegenstander. Op de 21ste erkenden zij de hertog van Anjou als de nieuwe koning van Spanje, in de hoop dat de Franse koning zijn soldaten uit de Spaanse Nederlanden zou terug roepen en de door hem gevangen genomen Hollandse soldaten zou vrij laten. In feite heerste koning Lodewijk nu namens zijn kleinzoon over het hele Spaanse rijk, hetgeen hem een gevoel van grootheidswaanzin gaf.

Maastricht zat niet stil en “timmerde” in de zomer van 1701 het Fort op de St.Pietersberg, dit tot zeer groot ongenoegen van de Prins-Bisschop van Luik, op wiens grondgebied dit verdedigingswerk was opgetrokken. De Luikse machthebber en halve eigenaar van Maastricht  was hiervan niet op de hoogte gesteld en protesteerde hiertoe aangezet door Frankrijk hevig tegen deze in zijn ogen illegale daad. In september werd er een alliantie gesloten door de Pruisen, Engeland en de Staten van Holland. Het werd zeer onrustig in Maastricht. Op 26 november ontdekte de overheid een samenzwering van 250 garnizoenssoldaten en andere lieden die de stad aan de Fransen wilden uitleveren. Tot hun plannen behoorden o.a. het vermoorden van de wacht aan de Tongersepoort, het dichtspijkeren van kanonnen en het in brand steken van de woning van de stadscommandant.

Fransen logeren in de buurt

De Fransen hadden ondertussen in de buurt van Luik hun winterkwartier gemaakt om zo Maastricht in de gaten te kunnen houden. Ze maakten zich al snel meester van de Citadel en andere strategische posities in de stad Luik. Begin december slaagden enkele kanunniken er in om Luik te ontvluchten. Ze waren de repressie beu en wilden naar Keulen gaan om zich daar te beklagen over de behandeling van hun deken, baron de Mean, die door de Fransen was weggevoerd naar Namen.

Op de 7e december werden twee gearresteerde deelnemers aan  het complot geradbraakt en levend gevierendeeld. Hun hoofden werden buiten de Wijckerpoort op staken gespietst. Tja, de overheid trad streng op.

Fort_Sint_Pieter_1904

Fort St.Pieter ongeveer 200 jaar later

Rampspoed over Maastricht deel 8

Pest te Marseilles

De informatie van de kroniekschrijver wordt plotseling internationaal. Zo weet onze man te vertellen dat de pest te Marseille “een groote ravagie” heeft aangericht met 80.000 doden in de stad alleen al!! Het wordt nog interessanter, want volgens de zelfde persoon zou op 26 april 1721 de stad Tauris in Perzië door een aardbeving verwoest zijn. In december 1726 was er weer eens “groot waeter “in Maastricht. Dertien jaar later zou de winter zeer vroeg invallen en zou ook zeer koud worden. De wintergerst en het winterzaad bevroren en gingen kapot, en het vee had gebrek aan stro. Vele schapen, koeien en ossen haalden het einde van de winter niet. Het vlees werd zeer schaars en duur. Als voorbeeld geldt de prijs van een kalf. Voorheen had men het dier voor zes à zeven stuivers kunnen kopen, nu moest men zeven gulden op tafel leggen. Het hoge water van december 1740 maakte de situatie er niet beter op.

Op 18 december 1755 vond er een grote aardbeving plaats die de stad en de verre omgeving trof. De muren van vele huizen scheurden uit elkaar en schoorstenen vielen naar beneden. Het bleef maar rommelen in de ondergrond van de Limburgse regio, want in juli 1762 was er weer een sterke aardbeving die de mensen de straat op joeg. Twee jaar later vielen er in juni hagelstenen ter grootte van hoendereieren en werden alle gewassen op het land plat geslagen. In 1776 lag de Maas van 7 januari tot 5 februari dicht met ijs. Het omhoog gestuwde ijs brak als eerste bij de brug en beschadigde deze op meerdere plaatsen. Een dag later brak het ijs in de rivier zelf. Een ernstige ziekte brak uit in augustus van het jaar 1781. Het was “den rooden loop” die 1600 slachtoffers zou maken.

Limmel en Borgharen overspoeld

Deze besmettelijke ziekte zou pas in de maand november aan haar terugtocht beginnen. Eind december 1783 was de Maas weer vol met ijs. Op 2 januari begon het echter te dooien, en brak het ijs tussen Luik en de stad Maastricht. Het ijs had zich voor de stad tegen de brug omhoog gestuwd, omdat een groot schip door een ongeluk dwars tegen de brug was komen te liggen. Het ijswater liep ten gevolge hiervan door de dorpen Limmel en Borgharen, om pas bij het dorp Itteren weer de loop van de rivier te gaan volgen. Twee weken later werd iedereen verrast door een nieuwe zeer strenge vorstaanval, waardoor niemand meer gebruik kon maken van de doorgaande wegen.

Brandstof was niet meer te krijgen en als men wel wat kon bemachtigen was het extreem duur. De overheid hield de poorten van de stad dicht tot de 21ste januari. Twee dagen later werd de Jeker zo hoog door het vele smeltwater dat dit de St.Pieterspoort binnen liep tot aan de Fransche Kerk. De burgers in de stad hadden nog een meevaller bij alle ellende. De St.Pietersstraat was tot een grote “viskom”geworden waarin zich een menigte heerlijke vissen bevonden. De volgende week stond er dus steevast vis op het schrale menu. Door het hoge water werd de Maasbrug aan vijf pilaren beschadigd. De kosten werden beraamd op 8000 tot 10.00 gulden. Wie zou dat gaan betalen??

Rampspoed over Maastricht, de 17e en 18e eeuw deel 2

Londen in last

In Maastricht wist men klaarblijkelijk van Engelse soldaten, reizigers of van Hollanders die er geweest waren, dat in het jaar 1665 een pestepidemie in Londen onvoorstelbaar veel slachtoffers had gemaakt. In een week tijd zouden in Londen 12.000 mensen hieraan gestorven zijn. In de weken daarna wisselden de aantallen tussen de 1000 en 8000 per week.  De pest hield geen halt in Engeland, maar werd via mensen en ongedierte op schepen meegenomen naar het Europese continent. Zo brak ze ook in Keulen uit, waar eveneens vele slachtoffers vielen. De lokale Keulse elite, die kon het zich permitteren, vluchtte de stad uit naar het platteland in de hoop daar veilig te zijn voor deze duivelse ziekte. Wellicht ging de verspreiding ervan zo weer verder!!

Op 19 mei 1665 werd Maastricht omtrent  negen uur weer eens getroffen door een aardbeving. Het jaar 1670 zou zeer koud worden. Op drie februari lag de sneeuw tot op kniehoogte in de stad. In 1673 werden we bezet door Frankrijk. Dat kostte wat. Het werd een zeer dure tijd, zeker voor de aanschaf van de meest basale levensbehoeften. Tussen 1686 en 1696 zou de Maas weer drie maal buiten haar oevers treden. De buiten de stad aanwezige wintergerst werd compleet weggespoeld. Het gevolg laat zich raden. Dat gebeurde ook weer in 1693. Het zou een zeer duur jaar worden met een enorme voedselschaarste. Juli 1698 bleek een rampmaand te worden. Op de 19e regende het zo verschrikkelijk hard, en wel uren aan een stuk, dat alle veldvruchten vernietigd werden, en de op het veld levende hazen en patrijzen de dood vonden. De kroniekschrijver vermeldt overigens dat “de haesen en patrijsen doen ter tijt goeden coop waren”. Wat een ramp al niet kan veroorzaken!!

Ravage in Turkse rijk

Helaas, er zouden maar weinig veldvruchten overblijven, zodat ze niet te betalen waren. De meeste boeren moesten hun dieren verkopen omdat er geen voer meer voor ze was. Er was nauwelijks nog stro of hooi te krijgen. Vlees voor de burgers was er ook niet meer. Als er nog iets uit het vleeshuis te krijgen viel, was dit van slechte kwaliteit en duur. Op Driekoningen 1709 begon het te vriezen, en wel zo hard dat alle gewassen op het veld bevroren. Zelfs de eikenbomen barstten in twee stukken door de grote koude en ook de notenbomen gingen kapot. Het zou een dure en miserabele tijd worden.

Op 28 mei 1714 ging de ondergrond weer rammelen. Iedereen dacht dat zijn laatste uur geslagen had. Vijf jaar later, leek de lucht door een vreselijk noodweer uit vuur te bestaan, hetgeen voor heel wat consternatie zorgde. In Maastricht had men zelfs gehoord dat er in Constantinopel een “schrickelijke aertbevinge was geweest” waardoor vele moskeeën en paleizen en huizen vernield waren geworden. Er waren zelfs 27 torens ( van moskeeën?) “omverre gedreven”!!!