Kroniek van Maastricht deel 5, 1707-1708

Het jaar 1707 bleek achteraf een redelijk rustig jaar voor de stad te zijn geworden. Het bleef een komen en gaan van regimenten, escadrons, en militaire toppers zoals de Engelse Lords Petersborough en Stairs. In november deed de Pruisische infanterie de stad aan op hun tocht naar de winterkwartieren in de Duitse grensstreek. Op de 28ste  november arriveerde generaal Top uit Den Haag om zijn logement in het Gouvernementsgebouw te betrekken als gouverneur-titulair van Maastricht. In het jaar 1708 werd een nieuwe pikeurbaan ( straat waar men de paarden van het garnizoen africhtte) gemaakt op de Jekerstraat. De oude inmiddels afgedankte baan werd vervolgens in gebruik genomen als varkensmarkt.

Enkele Maastrichtse waaghalzen trokken op 29 mei naar het Belgische dorp Scharen. Ze hadden pech, want  de durfals die het oorlogsgeweld tartten werden onderweg opgepakt door Franse soldaten en opgesloten. Toen de Maastrichtse overheid hiervan weet van kreeg, stuurden ze een 100 man sterk commando begeleid door 50 ruiters erop uit om haar burgers uit handen van de vijand te bevrijden. Ook zij kenden geen geluk. Ze keerden een dag later onverrichterzake en gefrustreerd naar de stad  terug. De oorlogsdreiging deed zich spoedig weer gevoelen, met als gevolg dat op de eerste juni een deel van het garnizoen zijn kampement op de wallen opsloeg om onmiddellijk alarm te kunnen slaan bij dreigend gevaar. Dik twee weken later bracht een 250 man sterk legertje begeleid door 15 ruiters 94 gevangen genomen Franse soldaten en 4 officieren triomfantelijk naar Maastricht. De soldaten werden samen met twee van de vier officieren gevangen gezet in de St.Pieterspoort.

Toen op 4 juli Prins Eugenius van Savoye in de stad arriveerde, had hij duidelijk geen zin in de gebruikelijke plichtplegingen en andere poespas. Hij had een express-bode vooruit gestuurd die het Maastrichtse bestuur liet weten dat er geen saluutschoten hoefden te worden gelost en dat Zijne Hoogheid ook zonder enig ceremonieel een dag later weer wilde vertrekken. Eugenius Frans Prins van Savoye was een van oorsprong Franse generaal met Italiaanse voorouders die als militair in dienst was van de Habsburgse keizers en dus in het geallieerde kamp tegen de Fransen vocht. Onze Eugène was een echte levensgenieter. Zo bezocht hij in 1720 het deftige hoerenetablissment van Madame Traese op de Prinsengracht in Amsterdam. Drie dagen later trokken de erfprins van Hessen-Kassel, Prins Alexander van Wurtemberg en de graaf van Nassau Weilburg met hun troepen door Maastricht om via de stad Tongeren naar Brabant te gaan. In totaal zouden meer dan 31.500 soldaten in iets meer dan een week door de stad “wandelen”, hetgeen natuurlijk een enorme drukte met zich mee gebracht heeft.

Een groot deel van het Franse leger werd ondertussen op de 11e juli door de geallieerde troepen bij Oudenaerden verslagen.  Een paar maanden later werd de Franse graaf de Lamotte met zijn leger bij Diksmuiden in de pan gehakt. Op 14 oktober vertrokken een aantal officieren uit het Maastrichtse garnizoen naar Luik om daar krijgsraad te houden over luitenant-kolonel Velden uit het Maastrichtse garnizoen. De man was in opspraak geraakt omdat hij een zwager was van de beruchte Franse partizaan Macquinay. De geallieerden trokken steeds meer naar het zuiden, want op 25 oktober verlieten de Fransen met gebogen hoofd hun hoofdkwartier op het kasteel te Rijssel.

Een sterk leger commando uit Maastricht slaagde er op 2 december 1708 in om de eerder vermelde Franse partizaan in de buurt van Valkenburg gevangen te nemen. De meesten van zijn soldaten werden bij dit hevige gevecht gedood. Macquinay werd in de St.Pieterspoort opgesloten. Al spoedig bereikte de Maastrichtse overheid het bericht dat deze Fransman goed in de gaten gehouden moest worden.Hij werd daarom in handen van de provoost gegeven, hetgeen inhield dat hij in een militaire gevangenis gevangen gezet werd.

Tien dagen later arriveerde de Spaanse ambassadeur in Maastricht. Hij was vanuit Brabant afgereisd met als bestemming de stad Aken. Helaas was generaal-majoor  Volkershoven bij de strijd te Rijssel zodanig gewond geraakt dat hij een paar dagen later overleed. Het stoffelijk overschot werd naar Maastricht vervoerd en met grote eer in de protestantse St.Janskerk begraven.

prins euegenius van savoye geboorteplek Soisson

Het optrekje waar Eugenius in het Italiaanse Savoye geboren werd.

Maastrichtse prostituees verleidden garnizoenssoldaten in de 18e eeuw

Werk aan de winkel

Maastricht heeft een paar eeuwen lang een groot stadsgarnizoen gekend dat veelal uit buitenlandse soldaten bestond die dit werk meestal als huurling verrichtten. Niets was deze mannen vreemd, hetgeen inhield dat de vleselijke lusten ook  bevredigd moesten worden. Tengevolge van deze situatie was er altijd al een groot aanbod van vrouwen die de soldaten van dienst waren en daarmee hun levensonderhoud bekostigden of het werk er zo maar bij deden. Soms waren deze vrouwen nog met andere gevaarlijker zaken bezig, dan alleen het verkopen van hun lichaam. Zo liep er in de stad een zekere Marie Bollaard rond, die er door de schout van beschuldigd werd soldaten uit het garnizoen tot desertie te hebben aangezet. Marie was geen onbekende in justitiekringen. In februari 1723 was ze vanwege overspel, toen een echt misdrijf, gedurende drie jaar uit de stad verbannen. Marie was voor geen kleintje vervaard. Ze hield zich niet aan de strenge regels van de overheid en was in april 1725 al weer terug op haar plek. Marie, een veelzijdige tante, werd spoedig opgepakt voor diefstal van allerlei stoffen bij winkeliers in de stad. De dame werd in eerste instantie opgesloten een cel in het oude stadhuis. Tijdens de rechtszaak werd duidelijk dat ze bij haar criminele praktijken was geholpen door haar zus Cathrijn. Marie kreeg nu de toorn van de overheid over zich heen, werd aan een strenge geseling onderworpen, en voor eeuwig verbannen uit de stad. Die zou niet meer terug komen.

Gevaarlijke bezigheden

Zestig jaar later werd een zekere Maria Kerswiller in Maastricht na een bevel van de stadscommandant gearresteerd. Dat een en ander niet pluis was, bleek uit het feit dat ze ondervraagd werd door de krijgsraad en daarna uitgeleverd werd aan het Brabants gerecht.  Deze dame had allerlei contacten met gedeserteerde soldaten die uit vrees voor strenge straffen van de Maastrichtse overheid naar het noordelijker gelegen Smeermaas waren gevlucht. Maria fungeerde als een soort boodschapper voor de uitgewekenen die via haar met briefjes probeerden andere in Maastricht aanwezige soldaten over te halen om ook te deserteren. Maria zorgde voor touwen en andere spullen waarmee de soldaten uit hun kazerne konden ontsnappen, en wees hun de plekken aan waar ze ongestoord over de grens konden gaan. In oktober 1785 werd ze voor al deze activiteiten door het gerecht veroordeeld om op het schavot “strengelijk door de scherprechter te worden gegeseld en daarna voor “altoos uyt deze stad te worden verbannen”. Ze had groot geluk gehad. Ook haar vriendin stond terecht voor het aanzetten tot desertie en voor haar “soldatehoere spelen”. Zij werd voor zes jaar uit de stad verbannen. De hier vermelde deserteurs uit Staatse dienst hadden in Smeermaas een relatief veilig onderkomen. Het dorp hoorde tot de zelfstandige jurisdictie van de Heerlijkheid Pietersheim. De overheid van de stad Maastricht had daar niets te vertellen. De mannen werden vooral geworven door Pruisische ronselaars uit Aken die zich in de omgeving van de stad ophielden. Zij hadden de honing, lees het geld, bij zich waarmee ze de bijen probeerden te lokken. Twee van deze ronselaars waren al veel eerder, in het jaar 1733, in een hinderlaag gelokt, opgepakt en opgesloten in herberg “In de Helm”, het latere hotel “Du Casque” aan het Vrijthof. Ze werden korte tijd later, op 21 januari 1733, doodgeschoten. Een derde man werd over de grens richting Aken uitgezet.

vgz-rek-lantink-75-e873

Prachtige litho van de firma Schürmann uit Aken

Kroniek van Maastricht in 1705-1706 deel 4

Wachtwoord was probleem!

Op de avond van 6 juli 1705 rezen er meningsverschillen tussen enige hoge heren van de Raad van Staat tot Maastricht over de keuze van het  te hanteren wachtwoord aan de stadspoorten. Men kwam er niet direct uit en hield een en ander in beraad. De Fransen moesten op hun beurt het door hun op 11 juni in Hoei ingenomen kasteel verlaten. Men vernam dit heuglijke bericht in Maastricht op de 12e juli. Vijf dagen later al kwam het daar door de geallieerde troepen gevangen genomen Frans garnizoen in Maastricht aan. Een maand later werden deze soldaten onder gewapend escorte naar Zutphen en Schoonhoven gebracht. Op de  23ste juli konden de burgers van de stad opnieuw gevangen genomen Fransen in de Maastrichtse straten “bewonderen”. Het ging hierbij om het hogere legerkader van de eerder vermelde troepen, waaronder waren 60 officieren, de markies van d’Alègre en de graaf van Horn die eerder zijn diensten aan de Fransen aangeboden had. Zij waren allen bij het innemen van de Franse linies opgepakt, samen met 845 “gemene troepen”( lees gewone soldaten)! Maastricht aarzelde niet lang en liet hun allemaal op de zelfde dag naar Roermond brengen. Men wilde er van af, omdat opsluiting allerlei problemen met zich mee bracht.

Deense koningin geeft voorkeur aan Maastrichtse militairen

Het ruilen van soldaten was toen overigens een zeer veel voorkomende zaak. Zo werden de op de 1ste september de bij de gevechten te Hoei en Hochstet  gevangen genomen en in Maastricht gevangen zittende Fransen uitgewisseld tegen geallieerde troepen in de plaats Landen in Vlaams-Brabant. Eind augustus 1705 moesten 100 ruiters uit het Maastrichtse garnizoen hand- en spandiensten verrichten voor de Deense koningin. Ze hadden opdracht gekregen om de “hoge vrouw” veilig naar Roermond te begeleiden. Een treurige gebeurtenis vond plaats op 29 januari 1706. De enige zoon van veldmaarschalk Tilly overleed op deze dag in Munsterbilsen aan de kinderpokken. Tilly zou een paar jaar later gouverneur van de stad Maastricht worden. De oorlogstoestand zou maanden lang zeer onzeker blijven, en Maastricht kende een komen en gaan van hoge militairen die met de Maastrichtse legertop de situatie kwamen bespreken. Kennelijk was er nog ruimte in de stad, want in juni werden welgeteld 3000 gevangenen en gewonden uit het Franse leger van de slag bij Ramilly de stad binnen gebracht. De 108 opgepakte garde-officieren werden elders geïnterneerd.

Fransen op retour

Begin juni trokken de Fransen zich terug uit de steden Mechelen, Lier en Gent. Drie dagen later begon de grote “afvoer”. Maastrichtse soldaten brachten in totaal 1550 gevangen genomen Fransen naar onder meer Breda, Bergen op Zoom, Utrecht, Groningen en Friesland, plekken waar ze weinig kwaad konden doen. Op de 9e juni kwam de stad Antwerpen met alle in de regio liggende forten in handen van de geallieerden. Het was reden om feest te vieren. Overeenkomstig een besluit van de Hoge Heren in Den Haag moesten op de 23ste om half acht in de avond de klokken een uur lang luiden, en moesten 50 rondom de stad staande kanonnen elk drie salvo’s afvoeren. Dat zal een hoop lawaai geweest zijn!! In de avonduren vond er een bal plaats op het stadhuis. Maar wel alleen voor de “bekende Maastrichtenaren”! Een “incrowd” feestje dus!!

Steeds meer Belgische steden in bezit van de Fransen gaven zich over. Oostende, Menen en Dendermonde. In de laatst genoemde plaats werd het Franse garnizoen al snel vrijgelaten. Een uitzondering werd gemaakt voor de in Franse dienst strijdende Spanjaarden. Kennelijk had men met hun nog een appeltje te schillen, want zij werden in verzekerde bewaring gehouden.  De algemene toestand bleef echter hommeles. Zo kreeg Maastricht op 14 november 1706 assistentie van negen bataljons Pruisische troepen die  “gezellig gingen kamperen in Heugem en Gronsveld”. De oorlog was nog lang niet voorbij.

SONY DSC

De Hof van Tilly, een Rijksmonument aan de Grote Gracht

Friedrich Freiherr von der Trenck, beroepsavonturier, bezocht Maastricht in 1774

Geboren voor weelde

Friedrich werd in het jaar 1726 te Königsberg in het Duitse Rijk geboren. Hij viel door zijn kwaliteiten al vroeg op bij Koning Frederik II en leek voorbestemd om aan een grootse militaire loopbaan te beginnen. In het jaar 1744 trad hij in dienst van het koninklijke leger en werd direct tot “Ordonnanzoffizier” van de koning benoemd. Hij was al vlug een bekendheid in de garnizoensplaats Potsdam, waar hij als blitse cavalerist onmiddellijk opviel. Hij leerde er een “belangrijke dame” kennen waarvoor hij spoedig in vuur en vlam stond. Deze “filantrope” gaf hem grote geldbedragen, zodat Friedrich in grote weelde kon leven. Het viel velen op en hij had dan ook vele vijanden.Hij was nog geen twintig jaar oud, maar de jalouzie van anderen zou hem uiteindelijk de das om doen. Nog geen jaar later was zijn sprookjesleven ineens voorbij. Von der Trenck werd in de vesting Glatz gearresteerd en er ook geïnterneerd. Als officiële reden werd opgegeven dat zijn briefwisseling met zijn neef Franz von der Trenck de reden hiervoor was. Franz was als pandoer in dienst van het leger van de Oostenrijkers. Dat maakte Friedrich verdacht, want de Pruisen waren in oorlog met de Oostenrijkers.Von der Trenck had het echter niet slecht tijdens zijn gevangenschap. Hij mocht brieven schrijven en wandelingen maken  binnen de vesting Glatz. Hij vermoedde trouwens dat er een hele andere reden bestond voor zijn arrestatie. De koning had mogelijk in de gaten gekregen dat Friedrich wilde nachtelijke avonturen beleefde met zijn zus prinses Amalie. Dat was een stap te veel voor de jonge soldaat. Hij had zijn hand overspeeld. De koning stopte de prinses in 1751 dan ook resoluut in een klooster, zodat ze geen kans meer had om met von Trenck in contact te komen en aan een loopbaan als non kon beginnen.

Ontsnapt uit de gevangenis

Von der Trenck slaagde er wonderwel in om in 1746 uit de gevangenis te ontsnappen, en bood onmiddellijk zijn diensten aan de Oostenrijkse keizerin Maria Theresia aan. Zijn wraak leek zoet te worden, maar hij had ook in Wenen met geduchte tegenstanders te maken. Toen zijn moeder in 1754 in Pruisen stierf, wilde von der Trenck persé bij haar begrafenis aanwezig zijn. Dat was een gewaagde onderneming en kon zeer gevaarlijk worden. De Pruisische overheid hield hem immers in de gaten en vermoedde door verkregen inlichtingen wat hij van plan was. Nadat hij Pruisisch grondgebied betreden had, werd hij al vlug gearresteerd en in de stad Maagdenburg opgesloten. Zijn vijanden te Wenen hadden hem aan de Pruisen verraden. Deze keer wachtte hem een uiterst onaangename gevangenschap. Hij werd uit voorzorg vastgeketend en streng bewaakt. De Oostenrijkse keizerin wist zijn invrijheidsstelling pas in het jaar 1763 te bewerkstelligen. Na zijn vrijlating trok Friedrich rusteloos door Europa en bood zijn diensten en ervaring aan de hoogstbiedenden aan. We vinden hem twee jaar later terug als gast in de bij de toenmalige politieke elites bekende kuuroorden Spa en Aken. Von der Trenck volgde er een wellness kuur en genoot van de heilzame baden. Hij trad nog in hetzelfde jaar in het huwelijk met de dochter van een Akens oud-burgemeester. Bij haar verwekte de viriele avonturier elf kinderen, tot grote schade van zijn vrouw. Friedrich bleek een ondernemende geest te bezitten. Vanuit de stad Aken begon hij een handel in Hongaarse wijnen, die hij op grote schaal naar Engeland, Frankrijk en Holland exporteerde. Hij had nog een andere grote passie, en dat was de jacht in bossen en velden. In het Gulikse gebied en op de terreinen van zijn vriend de graaf de Merode kon hij dan ook naar hartelust zijn toen populaire “hobby” uitoefenen. Hij ontving regelmatig vrienden en bekenden uit Engeland die dan een tijdje op zijn landgoed verbleven. Op zijn beurt bracht hij ook veel tijd door op de landgoederen van zijn kennissen in Engeland en Ierland.

Friedrich sart de clerus

Hij bleef een niet onbesproken figuur en kwam vaak in conflict met de Akense overheid. Zijn boek, “De Macedonische Held”, werd door de plaatselijke clerus in de ban gedaan. In een liberaal weekblad schreef hij uit wraak in 1772 ingezonden stukken waarin hij de geestelijkheid belachelijk maakte en hun onverbeterlijke geldzucht aan de kaak stelde. Hij maakte hiermee veel vijanden. In het bijzonder de jezuït Zünder zweepte de lokale bevolking op om zijn te Aken gelegen woning te plunderen. Ze werden echter opgewacht door von der Trenck en een paar vrienden die met veel wapengekletter erin slaagden de mob te verdrijven. Von Trenck was zich steeds bewust van het gevaar dat hem dreigde. Zo werd hij op weg naar Maastricht in een holle weg beschoten, en korte tijd later pleegden drie gewapende monniken een overval op hem. Het ging ook niet zo goed meer met zijn wijnhandel. Vanwege wanbetalingen van zijn Londense klanten kwam hij in acute geldnood, en vervolgens ging zijn handel stap voor stap teloor. Von Trenck was verschillende keren in Maastricht. Zo bezocht hij met Prins Karel, de broer van de Zweedse koning, de onderaardse gangen in de St.Pietersberg. Toch leek hij het gevaar nog steeds op te zoeken. In 1791 dook hij ineens in Parijs op, waar een bloedige revolutie in volle gang was. Vanwege zijn deelname aan politieke intriges raakte hij in conflict met een van de revolutionaire leiders Robespierre. Het kostte hem zijn kop. Op 14 juli 1794 werd hij met tientallen anderen naar de guillotine vervoerd.

Friedrich-Freiherr-von-der-Trenck

Kroniek van Maastricht deel 3, de jaren 1705-1706

Op 11 februari 1705 trok in het holst van de nacht een troep soldaten van het Maastrichtse garnizoen de stad uit met een opdracht. Hun doel was het dicht bij Luik gelegen dorp Cheratte. Ze wilden een eind maken aan de tol die daar door de Heer van Cheratte, Graaf van Zintzendorff, geheven werd zonder medeweten van de Staten van Holland. Ze keerden de volgende dag in de namiddag terug met medeneming van de plaatselijke belastingontvanger Olyslager, die in het aangename gezelschap verkeerde van zes van zijn bedienden die op zijn belastingkantoor werkten. Ongeveer twee weken later kreeg de stadscommandant kennis van geruchten die suggereerden dat “quade geintentioneerden” van plan waren om de voorraadmagazijnen van het garnizoen in brand te steken. De commandant aarzelde niet en liet een plakkaat ophangen waarin hij een premie van tweehonderd pistolen ( oude buitenlandse munt, Frans of Spaans) uitloofde als iemand met bruikbare aanwijzingen kon komen. Zelfs medeplichtigen zouden van strafvervolging worden uitgesloten en een bedrag van 400 pistolen ontvangen als ze hun broeders in het kwaad zouden aangeven.

Op het einde van april was een 3000 man sterke  Franse troepenmacht van plan om de wijk St.Marguerite in Luik in brand te steken. De Maastrichtse overheid had hier lucht van gekregen en zond direct een groot aantal ruiters met 300 infanteristen naar Luik. De Fransen hadden hun plan echter al opgegeven. Ze hadden via via vernomen dat een Maastrichtse eenheid in aantocht was. Het begon te spannen. De Fransen begonnen zich steeds meer te roeren. De commandant gaf daarom op 10 mei 1705 opdracht aan  6 regimenten cavaleristen en 8 regimenten infanterie op alvast op de St.Pietersberg stellingen in te nemen. Dat was geen luxe, want op 28 mei werd begonnen met de belegering van de plaats Hoei. Het stadje zou op 11 juni capituleren. Een dag later sloeg het geallieerde leger zijn kampement op bij Caestert, nadat het eerder in het gehucht Loon aan de voet van de St.Pietersberg onder de gemeente Nivelle sur Meuse gelegerd was geweest.

Het Franse leger o.l.v. de keurvorst van Beieren begon op 29 juni met de voorbereidingen voor het beleg van de stad Luik. Toen vernomen werd dat de graaf van Marlborough met een 5000 man sterke troepenmacht een paar dagen eerder bij Visé aangekomen was, staakten ze hun activiteiten.

Église_sainte-marguerite_de_Liège.jpg

De Kerk van St.Marguerite in de 18e eeuw

Wordt vervolgd door deel 4

“Limburg door vreemde oogen”, door Antoine Jacobs en Harrie Leenders

limburg-door-vreemde-oogen_1478770662

Vandaag, zondag 9 juli, vond in Museum Land van Valkenburg op stijlvolle wijze de presentatie plaats van het Boek “Limburg door vreemde oogen”!
Het meer dan 500 blz. tellende boek geeft op indrukwekkende wijze in authentieke verslagen de persoonlijke indrukken weer van reizigers die onze huidige provincie in de 19e eeuw aandeden.

Limburg door vreemde oogen


Groeiende welvaart en de uitvinding van de trein vormen in de 19de eeuw de opmaat voor het  moderne massatoerisme. Een dagje uit is voor velen bereikbaar geworden. De toerist bleef echter het liefst in eigen land, maar hij wilde wel iets beleven. Dat kon in Limburg: de meest exotische van alle landsdelen. ‘Bergen’, grotten en snelvlietende beekjes, kloosters, kruisen en kapellen oefenden een grote aantrekkingskracht uit. In Valkenburg sprak de romantische ruïne tot de verbeelding. Qua geschiedenis, zeden en vooral de taal week Limburg af van de rest van Nederland. Limburg is een vreemd zusje, concludeert Samuel Kalff anno 1900.
Maar ook: Limburg kennen is Limburg beminnen!

Uitgeverij Leon van Dorp info@leonvandorp.nl

Het boek is een absolute aanrader voor iedereen die geboeid wordt door vroegere reisverhalen en interesse toont in de Limburgse geschiedenis en cultuur.

Jo Vromen, Maastricht

logo Leon van Dorp

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 11

Joannes Speessen

Johan Speessen was een boer uit Houthem, in 1741 geboren en in 1768 getrouwd met de even oude Agnes Weusten. Waarschijnlijk is hun huwelijk een “ versnelde affaire”  geweest, want al snel na hun trouwdag kregen ze een zoon, eveneens Johan geheten. Twee jaar later zouden ze zoon Dionysius krijgen en in 1772 zag dochter Anna Catharina Speessen het levenslicht. Speessen was op 12 oktober 1773 gearresteerd na door de ook uit Houthem afkomstige Christiaen Vlecken en nog twee andere mannen beschuldigd te zijn van lidmaatschap van de bende. Zeer waarschijnlijk heeft Vlecken zijn naam onder grote druk, lees onder hevige pijnen, aan het gerecht verteld. De mannen kenden elkaar en Vlecken heeft hem zelfs gewaarschuwd en geadviseerd om naar veiliger oorden te vertrekken. Speessen was eigenwijs en bleef waar hij was. Eens te meer bleek dat vele binnen het Landshuis te Valkenburg genomen beslissingen naar buiten werden gebracht. De dorpsbewoner die hem had ingelicht had enigszins geruststellend verteld dat hij pas gevaar zou lopen als welgeteld zeven gedetineerden hem zouden aanklagen. Dat was natuurlijk een verzinsel van een sukkel.

Speessen werd een maand later door de rechtbank geconfronteerd met Vlecken, maar de laatstgenoemde trok zijn eerder uitgebrachte beschuldiging tegen hem in. Nu kwam de echtgenote van Speessen in het geweer. De dappere vrouw liet in mei 1774 een verzoekschrift opstellen om haar man vrij te krijgen. Ze beweerde dat twee bekenden van haar echtgenoot hem hadden beschuldigd uit wraak. De vrouw ging zorgvuldig te werk en liet alle verklaringen van getuigen omtrent de valse aanklacht in een document vastleggen. De Valkenburgse rechtbank was niet erg gecharmeerd van deze “ praktijken”. Dit soort initiatieven waarbij getuigen en alibi’s op de proppen kwamen, werkten tegen de door de overheid gevoerde harde beleidslijn inzake het strafrecht.

Het wonder gebeurde echter toch nog. Speessen kwam al op de 16e mei vrij op borgtocht. Dit voorbehoud werd gemaakt in verband met de nog te betalen kosten aan het gerecht. Ook al was gebleken dat je onschuldig was, betalen moest je altijd aan de Hollanders. Nadat er 41 gulden en 10 stuivers naar het Landshuis waren gebracht, was Johan Speeessen definitief een vrij man. En nu maar hopen dat de rechtbank niet op haar beslissing terug zou komen!!

 

 

 

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 10

Matthijs Schröders ( 1736-1774)

Schröders die ook wel Thijsken Muijters genoemd werd, woonde in Houthem en was in 1768 gehuwd met de een jaar oudere Joanna ( Jenne) Boosten. Schröders werd gearresteerd op 29 juli 1773, drie dagen nadat de op het Landshuis in Valkenburg gevangen zittende Dirk Herseler het gerecht het een en ander vertelt over mensen die lid zouden zijn van de bende: “Als wanneer verders heeft bekend dat de meede complicen sijn en aen verscheyde Diefstallen en Huysbraken schuldig staen de volgende personen:

Dirk dist welgeteld 36 personen op. Op het overzicht van de rechtbank staat op nr.15: “Muitken Thijs wonende te Neerbeek, de neus wat opgetrokken”. Herseler vergistte zich, want de man die hij beschuldigde kwam uit Houthem. Leden van de bende kenden elkaar vanuit allerlei vluchtige situaties en waren zeer zeker niet altijd op de hoogte van de ware naam en toenaam en woonplaats. De meesten was er alles aan gelegen dat anderen zo weinig mogelijk over hun aan de weet kwamen.  “Thijske” wordt op de 13e augustus aan een zeer pijnlijk verhoor onderworpen. De beul martelt hem met behulp van de vele werktuigen die hij tot zijn beschikking heeft.

Letterlijk dood gemarteld

De bij het “verhoor”opgelopen verwondingen zijn zo ernstig dat Schröders er op de 11e september aan overlijdt. Op 13 september spreekt de rechtbank te Valkenburg onder voorzitterschap van schout Farjon het vonnis uit tegen “het lijk van de overleden man”. De rechtbank beroept zich er op dat ze na gedegen onderzoek en na de bekentenis van Matthijs zelf tot de conclusie zijn gekomen dat de man tot de bende van de beruchte gauwdieven behoort. Zo is duidelijk geworden dat hij medeplichtig was aan diefstallen aan de Maasband en in de buurt van Heerlen. Dat vele gevangen zittende aangeklaagden maar wat zeiden om van de pijnen tijdens de tortuur verlost te worden, deerde deze “wijze Hollandse elite”niet.

Schröders zou ook nog bekend hebben een varken gestolen te hebben bij Pieter Gelders in het naburige gehucht de Heek. Dat alles kunnen de schepenen van Valkenburg in naam van de Hoge Heren in Den Haag onmogelijk tolereren, zodat ze de inmiddels overleden Schröders alsnog vonnissen. De beul of zijn assistenten krijgen opdracht zijn stoffelijk overschot op een kar te laden en naar Houthem te vervoeren, en wel naar de plek waar daar de galg staat. Hij zal daar voor “anderen ten Exempel en afschrick aen een Galge met een ijseren ketten gehangen te worden en aldaar te blijven hangen.”

Zijn bezittingen werden in beslag genomen om er de kosten van de rechtszaak uit te kunnen betalen, dit alles “tot taxatie en moderatie van justitie”! De walgelijke vertoning werd  een dag later met heel veel poespas voltrokken. De elite was tevreden, weer een Limburgse arme sloeber minder.

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 9

Joannes Pirongs ( 1725-1775)

Geboren in Houthem, huwde hij in 1750 aldaar Maria Catharina Lenaerts, die helaas al in 1766 zou overlijden. Ze kregen een zoon, de in 1752 geboren Matthijs, die in 1784 de uit Leeuwarden afkomstige Geyske Folkerts zou trouwen. Joannes trouwde al heel snel na het overlijden van zijn eerste vrouw met Anna Catharina Weusten, een huwelijk waaruit in 1767 het meisje Wilhelmina geboren zou worden. Pirongs was de zoon van bakker Pirongs en droeg daarom de bijnaam “Bekkers Hans”! Historicus Anton Blok vermeldt overigens dat hij in 1764 voor de tweede maal gehuwd zou zijn, en dat uit die verbintenis twee kinderen zouden zijn geboren. Om aan de kost te komen werkte Joannes als strodekker en op afroep als dagloner. Hij was zoals de meesten ongeletterd. Pirongs werd op 9 maart 1775 opgepakt, nadat reeds vastzittende verdachten hem beschuldigd hadden. Pas meer dan twee maanden later zal de rechtbank in Valkenburg besluiten om hem aan een “scherp verhoor”( lees-marteling) te onderwerpen. Dat gebeurde op de 19e mei. Op vrijdag 21 juli 1775 zal Geertruid Bosch hem in de namiddagzitting van de rechtbank beschuldigen van lidmaatschap van de bende van de nachtdieven. Het maakte niet meer uit. Joannes Pirongs was al op de 22ste juni opgehangen. Zijn bezittingen werden door het gerecht verkocht. Zijn meubelen brachten iets meer dan 17 gulden op en zijn vaste goederen deden 40 gulden.

Hendrik Ruijters ( 1744-1775)

Hendrik droeg de merkwaardige bijnaam “de Konijnen Dirk”! Of dat kwam omdat hij misschien in konijnen handelde of dat hij er jacht op maakte, is niet duidelijk. Hendrik was oorspronkelijk geboortig uit Heerlen, maar werkte sinds 1774 op de Ravenhof in Ambij, een plaats die deel uitmaakte van de Bank Meerssen. Hij had het Heerlense gebied vaarwel gezegd, omdat de grond hem daar te heet onder de voeten aan het worden was. Er werden links en rechts personen gearresteerd. Hendrik wist hoe laat het was, want zijn blazoen was zeker niet zuiver. Zo had hij in april 1772 meegedaan aan een overval  op het Panhuys in Wijnandsraede.  Als verzamelpunt hadden de mannen toen de Prikkenisserheggen tussen ten Esschen en Voerendaal uitgekozen. Toen ze in Wijnandsraede aangkomen waren, hadden ze als eerste houtjes in de sleutelgaten van de kerkdeuren gestopt, zodat dat niemand de kerk binnen kon gaan om de klokken als teken van alarm te luiden. De deelname aan deze overval zou hem de kop gaan kosten.

De Ravenhof, ook wel de Scheversteinhof genoemd, lag in Ambij-Zuid. Het was een “riddermatig” goed, op grond waarvan Jan Rave van Ambij in het jaar 1570 tot de ridderschap van het Land van Valkenburg werd toegelaten. Je bezit en titel moesten aan bepaalde voorwaarden voldoen, anders kwam je niet door te toenmalige ballotagecommissie. Vanaf het jaar 1703 kwam de Hof in het bezit van de familie Mewen, die later ook nog kasteel de Vliek in Ulestraten in hun bezit gehad hebben.

Hendrik was sinds de feestdag van de H.Remigius (Remijs) in 1774, een heilige van Gallo-Romeinse afkomst uit de 6e eeuw, in dienst op de Ravenhof. Hij was ongehuwd. Op 14 augustus 1775 haalde zijn verleden hem in, en werd hij gearresteerd. De ons bekende gerechtsarts Corriaux had heel wat zalfjes en aroma’s nodig om Hendrik na de martelverhoren door de beul terug te brengen in het rijk der levenden. De jongeman werd op 5 oktober 1775 opgehangen. Uit de overzichten van de bezittingen van bendeleden blijkt dat hij niets bezat. De rechtbank leunde echter niet achterover en besloot daarom maar om “Als uijtdienende voor knegt sijn te goed hebbende Loon”.

Men legde gewoon beslag op zijn loon dat hij nog te goed had van de heer van de Ravenhof. Niets was de Hollandse aasgierenoverheid vreemd. Zelf maakten ze er toen al vaak een potje van, maar de arme burger moest zoals steeds het gelag betalen.

ravenhof amby circa 1840

De Ravenhof in Ambij circa 1840

Meerssen en zijn Bokkenrijders deel 8

Joannes Offermans ( 1731-1776)

Joannes brengt zichzelf in moeilijkheden

Joannes trouwde in 1765 met de vier jaar oudere Helena Penders. Joannes had Meerssenaar Lambert Canna, een bekende uit het milieu der nachtdieven, als buurman. De twee mannen kenden elkaar al van kindsbeen af. Offermans was zoals algemeen gebruikelijk in die dagen ongeletterd en oefende het beroep van metselaar uit. Hij had daarnaast nog een paar “hobbies” zoals vissen en jagen. Op zich was dat al strafbaar, want alle vrije ruimte waarin dit gebeurde was eigendom van de heer van de streek, van kloosters of van kerken. De in 1731 geboren Offermans werd op 17 januari 1776 gearresteerd. Offermans komt voor in het door de familie van Herman Corstjens uit Meerssen gedane gratieverzoek. Volgens de overheid had Offermans verteld dat Corstjens niet alleen op wacht had gestaan, maar dat hij ook daadwerkelijk had meegedaan aan overvallen en inbraken.

Joannes wordt op 23 en 25 januari aan een pijnlijk verhoor onderworpen, en heeft ten  gevolge van deze behandeling door de beul een week lang, van de 24ste tot en met de 31ste, de hulp nodig van gerechtsdokter Corriaux om er weer een beetje bovenop te komen. De balsems, aroma’s en verbanden moeten ervoor zorgen dat de man zodanig opknapt, dat hij opnieuw in handen van de beul gegeven kan worden. Joannes was door een aantal van zijn “criminele bekenden” beschuldigd lid van de bende te zijn. Dat vertelden tenminste Joannes Pirong uit Houthem en Willem Haegman uit zijn woonplaats aan hun verhoorders. Joannes zou zich zelf in moeilijkheden gaan brengen. Hij vertrok op de 16e januari te voet naar Valkenburg om daar bij schout Vignon een jachtvergunning voor zijn “jacht hobby” aan te vragen. Vignon weigerde hem deze om de een of andere reden, waarop Offermans enorm boos werd en de schout begon uit te schelden. Deze functionaris liet het er niet bij zitten en diende bij de Valkenburgse rechtbank een aanklacht in tegen de brutale Meerssenaar.

Een wraaklustige overheidsdienaar

En passant maakte hij de schepenen duidelijk, hij zal wel meer geweten hebben over Offermans, dat deze man lid van de bende moest zijn. Zoals gezegd werd Offermans de volgende dag in Meerssen opgehaald en opgesloten. De man werd extreem hard aangepakt. Het was evident dat de schout op wraak uit was. Hij moest zijn eigendommen in handen van justitie geven en werd ondanks al zijn ontkenningen aan de tortuur onderworpen. De pijnbank deed hem geen goed, want hij bekende al vrij vlug daadwerkelijk lid van de bende te zijn. Zo gaf hij toe mede boer Theunis Heynens in het Meerssense gehucht Raar  te hebben overvallen. Offermans moet een fenomenaal geheugen gehad hebben, want hij lepelde tijdens de recollectie van zijn verhoren achter elkaar 54 namen op van bendeleden die aan een overval van 24 jaar eerder zouden hebben deelgenomen. Dat moet niet goed gevallen zijn in Meerssen, want van die 54 kwamen er 17 uit het dorp zelf.

De rest kwam uit Weerth, Houthem, Haasdal en Arensgenhout. Volgens Joannes hielden de leden van de bende bij hem thuis niet alleen vergaderingen, maar had hij in eigen persoon mannen als lid aangeworven. Hij verschafte het gerecht zelfs een inkijkje in de “ideologie” van de bende: “om met ter tijd de Rijken alles af te nemen en dat elk zijn best moest doen om in de Bende aan te werven ende te recruteren”!! Corstjens en Hendrik Heynen waren de leiders van de Meerssense tak der bende, en zij beraamden de overval op de boer te Raar in een woning aan de Cruysstraat, de straat die nu nog naar de Raarberg leidt. Offermans werd er als schildwacht geposteerd. Hij dacht al heel snel dat er mensen aankwamen en sloeg alarm, waarschuwde snel zijn maten die er als hazen vandoor gingen. Het bleek loos alarm te zijn, want er was geen ziel te bekennen. Er werd een tweede poging ondernomen om de boer te overvallen door een kleinere groep, hetgeen lukte. Op de Raarheide werd de buit vervolgens broederlijk verdeeld. Offermans kwam niet meer vrij. De nota van de gerechtsarts bedroeg ongeveer 16 gulden en die van de beul voor het pijnigen en ophangen 55 gulden. Het vonnis luidde “ophangen aan de galg” en dat gebeurde op 9 mei 1776. De krant meldde het volgende: “ MAASTRICHT, den 14. Mey. Gepasseerde Donderdag den 9 dezer zyn te Valkenburg wederom 3 Boosdoenders, van meergemelde godlooze bende, op de ordinaire gerichtsplaats opgehangen.”