De heren van Borgharen en hun heerlijke rechten deel twee

5 Tolgelden: Aan de grenzen van heel wat heerlijkheden mocht tol worden geheven, hetzij als een soort wegentol, maar ook als belasting op de doorvoer van specifieke grondstoffen zoals zout, en de passage van personen.6 Banrechten: Ingezetenen waren verplicht gebruik te maken van bepaalde voorzieningen die bij de uitbating van de heerlijkheid hoorden. Een typisch voorbeeld daarvan was een banmolen. De landbouwers waren gehouden bij deze water- of windmolen hun graan aan te bieden om het er te laten malen. Dat gebeurde uiteraard tegen een bepaalde vergoeding voor de heer of degene die in zijn naam de molen gepacht had. De molenaar mocht als beloning een hoeveelheid meel , het z.g. “scheploon”, inhouden voor hemzelf. 7 Het recht op herendiensten: Heren konden hun ingezetenen in principe aan het werk zetten. Het betrof daarbij werkzaamheden die de dorpsgemeenschap betroffen, en werk dat specifiek voor de heer zelf moest worden verricht. Pachters die kar en paard bezaten, moesten de heer bij het binnenhalen van de oogst of het hooi, en het vervoer van allerlei zaken ondersteunen. Dat kon in het geval van Borgharen betekenen dat men deze diensten op het kasteel moest verrichten, maar het kon ook inhouden dat pachters goederen moesten vervoeren naar bevriende heren in de buurt, zaken in de stad Maastricht moesten ophalen of deze daar naar toe moesten brengen. Een van deze herendiensten betrof onder meer het het in de gaten houden van de waterhoogtes in de Maas, of het wachtlopen in onzekere tijden. Dat dit niet altijd van harte ging, blijkt o.a. uit het herhaalde verzet van de inwoners van Borgharen tegen het verplichte maaien van de weiden van de heer. Zo spanden b.v. Jan Schellart van Obbendorp als echtgenoot van vrijvrouwe Ursula Scheiffart van Merode in het begin van de 17e eeuw, Philibert van Isendoren à Blois in het jaar 1651, en Jean-Guillaume van der Heyden à Blisia, als “baron van Haeren”, processen aan tegen de gemene onderzaten vanwege het niet verrichten van herendiensten. Van der Heyden was over die weigering van zijn ingezetenen zo kwaad geworden dat hij uit wraak een koe van een van hun in beslag zou nemen.Herendiensten hadden echter ook een bijkomend voordeeltje. De in de regel zeer arme ingezetenen kregen bij die gelegenheid gratis eten en drinken op het kasteel.


8 Het recht van accijns op mout en bier:
De heer had al sinds mensenheugenis het recht om accijns te heffen op het malen van mout en het brouwen van bier. Deze accijns gold voor het binnen de eigen heerlijkheid gebrouwen goedje dat voor de verkoop bedoeld was, alsmede voor het bier dat van buitenaf werd ingevoerd. Ook dit recht zou tot conflicten leiden in Borgharen. Zo oordeelde de Raad van Brabant in 1664 en 1665 dat Philibert van Isendoren à Blois in het geheel geen recht had om impost of belasting te heffen op in Borgharen gebrouwen bier. 9 Het jachtrecht: Het jachtrecht was een van de meest wezenlijke van de heerlijke rechten van de heer. In het jaar 1710 verleende heer van der Heyden à Blisia aan Max Gerlinx als adjudant van de schutterij en aan twee van zijn medeschutters permissie om op verzoek van de inwoners van het dorp op wolvenjacht te gaan in de bossen rondom Borgharen. De inwoners waren verontrust door de geruchten dat er wolven in de buurt waren gezien. Het door jagers in opdracht van de heer geschoten wild moest conform de regels bij de rentmeester ingeleverd worden. Alle daartoe behorende bruikbare zaken zoals vacht of pels werden verkocht. Dat leverde in de regel wat geld op, maar niet erg veel. De jagers van de heer hielden net als de veldbode niet alleen toezicht op mogelijke stropers en loslopende honden, maar ook op vee dat stiekem in de bossen gehoed werd.

Blauwe zaal

De blauwe zaal in het kasteel

Moord en doodslag in Maastricht in 1661-1662

Op 30 maart 1661 kregen twee jonge mannen van goede huize ruzie met elkaar om een armzalige stuiver, toen evenwel iets van waarde. Ze kenden elkaar al lange tijd en hadden als koopman ook professioneel veelvuldig met elkaar te maken gehad. Het ging hierbij om Francois Dedemont en een zekere Fastre. Ze hadden ruzie gekregen in een herberg op de Clotsbaene (?), “cregen crakeel om een halven stuiver”, waarbij Fastre tot geweld overging. Hij bracht Dedemont een steek in de buikstreek toe waaraan deze overleed. Fastre sloeg op de vlucht en zocht een onderkomen te St.Pieter. Hij dacht daar veilig te zijn, omdat de magistraat van Maastricht op St.Pieter niets te zeggen had. Het was namelijk het gebied van de prins-bisschop van Luik. Een dag later, toen hij hij de St.Pieterpoort wilde uitgaan, werd hij door de Maastrichtenaren gepakt. Hij werd spoedig veroordeeld en op de markt voor het nieuwe stadhuis onthoofd. Fastre werd op de dertiende april 1661 ondanks zijn wandaad in de St.Nicolaes kerk begraven. De roomse begrafenis vond dus ondanks alles plaats.

Bijna een jaar later, op 12 februari 1662, stapte een aan lager wal geraakt Capucijner monnik uit Duitsland om drie uur in de namiddag de St.Janskerk binnen (protestants), en verkondigde er luidop voor iedereen die het wilde horen, dat hij zijn katholieke godsdienst wilde afzweren. De renegaat ofwel geloofsafvallige wilde voortaan als Geus (lees protestant) door het leven gaan, vandaar de keuze voor de St.Janskerk. Het nieuws verspreidde zich vliegensvlug, met als gevolg dat een grote groep jongeren naar de St.Jan trok om de “verloopen Capucijn”, een lesje te leren. Ze zouden hem hebben gestenigd als ze niet waren tegengehouden door een paar ruiters en voetvolk uit het stadsgarnizoen. De St.Jan beleefde een heftige namiddag. De jongeren waren er toch in geslaagd om ondanks de tegenwerking van soldaten in de kerk te geraken. Het tumult was heel groot en de kroniekschrijver noteerde dat het een wonder was dat er geen doden waren gevallen.

De ophef was nog niet ten einde, want het stadsbestuur zag zich genoodzaakt om een week later bekend te maken dat wie dan ook overlast zou bezorgen voor deze ex-Capucijn of hem letsel zou toebrengen daarvoor een fikse boete zou krijgen. Een eerste overtreding van het verbod werd beloond met een boete van honderd gulden, en een recidive met tweehonderd gulden. Te veel om op te brengen als men al niet tot de elite behoorde. Als je zo vermetel was om een derde keer iets te proberen kreeg je een lijfstraf. Een paar dagen later meende een Geusen predikant genaamd Jan van Hamelsteede, een geschrift openbaar te moeten maken dat gericht was tegen de roomse burgers van Maastricht. Het was een onnozel werkje van een leek, en de geestelijkheid te Maastricht, in het bijzonder de Predikheren en de Augustijnen, moesten er hartelijk om lachen. De predikant van Hamelsteede werd zou in het nauw gebracht dat hij waarschijnlijk gewild had dat hij zijn smaadschrift nooit het daglicht had laten zien.

Dan was er nog de Augustijner pater Paludanus die de van Hamelsteede zodanig bewerkte dat deze zelfs op bevel van de Staten, zijn eigen godsdienstige vennoten, de stad moest verlaten. De man nam zijn toevlucht in Leuven, maar werd zelfs daar bestookt door wraakzuchtige katholieken. Van Hamelsteede had het niet meer en zocht de anonimiteit op. Toch bereikten hem nog twee brieven van de afvallige Capucijn, die hij vreemd genoeg in handen speelde van een Minderbroeder in Luik, een zekere pater d’Astroy. Deze bestookte Jan zodanig dat “sijn hooft al was crauwende, daer het hem niet en jeuckde”. Anders gezegd hij had het niet meer.

Bron. Kroniek van Maastricht 17e eeuw

De heren van Borgharen, wat waren hun heerlijke rechten? Deel een.

Een overzicht van vaak voorkomende heerlijke rechten en inkomsten

Men kon binnen de toenmalige rechtspraak drie niveaus onderscheiden. De hoogste graad, de hoge jurisdictie, was het recht op het veroordelen tot en het voltrekken van de doodstraf. De middelbare jurisdictie betrof het recht op de uitvoering van de criminele en civiele rechtspraak van alledag. De lage jurisdictie tenslotte, hield de bevoegdheid in tot het uitoefenen van notariële taken, zoals het opmaken van testamenten, de verdeling van erfenissen, en het opstellen van verkoopaktes. Boetes en de bij rechtskundige handelingen horende bedragen kwamen toe aan de heer. Deze bezat ook het recht om het bezit van ter dood veroordeelden in beslag te nemen. Heerlijke rechten zoals hier volgend, konden overigens per heerlijkheid verschillen.

Aan een heerlijkheid waren allerlei economische en zakelijke rechten verbonden, ten gevolge waarvan de heer heffingen kon opleggen: 1 Onroerende belastingen: Vrijwel iedere heerlijkheid kende een cijnshof waaraan iedere cijnsplichtige, dat wil zeggen de vruchtgebruiker van een grondstuk binnen de heerlijkheid, een belasting moest afdragen die in verhouding stond tot de oppervlakte van het grondstuk. Dit cijnsgeld is te vergelijken met de hedendaagse onroerende zaakbelasting. Omdat het bedrag van de cijns niet inflatiegebonden was, werd het in de loop der tijden vrijwel verwaarloosbaar. 2 Pachtgelden: De belangrijkste inkomstenbron van een heerlijkheid was wellicht het pachtgeld over de grondstukken die als landbouwgronden deel uitmaakten van de heerlijkheid. 3 Transactietaksen: Bij de verkoop van een grondstuk binnen de heerlijkheid had de heer recht op een transactietaks in de orde van grootte van vijf procent van de verkoopsom. 4 Het recht van keurmede: De keurmede was een feodaal recht van de heer om uit een nalatenschap van zijn keurmedigen een stuk naar keuze te nemen, en het was ook een oud gebruik dat deel uitmaakte van de relatie tussen lijfeigenen of horigen en hun heer, meestal in zijn hoedanigheid als eigenaar van een laathof. Laatgoederen en cijnsgoederen stonden altijd geregistreerd op naam, hetgeen ook wel de “stam” werd genoemd. Indien de stamhouder overleed, moest er een nieuwe stamhouder worden gekozen. Bij deze gelegenheid moest vanwege het “stamgoed” in de regel niet alleen een dubbele cijns worden betaald, maar mocht de eigenaar van de laathof vaak een stuk roerend goed uitkiezen, de z.g. keurmede. Huidige woorden zoals “uitverkoren”, “voorkeur” en “willekeur”, kennen nog steeds het begrip “keur”, in de betekenis van kiezen en keuze.

Een derde vorm van dit soort overdrachts- of verervingsbelasting bestond uit de zogenaamde twaalfde penning. De nonnen van het klooster Maria Weide te Venlo bijvoorbeeld, bepaalden in 1644 dat de aan hun klooster verbonden broeders een ongeschoren “keurhamel” en een “keurlam” ontvingen van de Klerkenhof te Beesel voordat deze schapen geschoren werden. In een ander pachtcontract van hetzelfde klooster zien we ook staan: “Item alle beesten als peerden, koeijen, kalveren, verckens, schapen ende bien sullen half ende half sijn, ende als men die beesten deylen sal, soo sal den halfman die setten ende het convent daer van den keur hebben” (Swalmen, 1654). Soms had de heer ook het recht om het beste stuk uit de persoonlijke bezittingen te kiezen. Afhankelijk van de streek noemde men dit recht o.a. “beste kateil” of “beste hoofd”, het mooiste dier uit de veestapel, of “hoogstoel”, hetgeen wil zeggen dat men het mooiste meubel uit de inboedel kon kiezen. Dikwijls voorzagen de heerlijke rechten ook in een bijzondere heffing op de nalatenschap van vreemdelingen, inwijkelingen en bastaarden.

Wordt vervolgd

Blauwe kamer 2
De Blauwe Kamer in kasteel Borgharen

Borgharen – Het begrip heerlijkheid deel twee

Het systeem van laathoven gaat eigenlijk nog iets verder terug dan het leenstelsel en dateert in oorsprong uit de tijd van de Romeinen, die het op hun beurt weer aan de Grieken hadden ontleend (6). Het principe was simpel. Grond die in eigendom was van een landeigenaar (een heer, een overheid, of de kerk), werd tegen een jaarlijkse betaling of cijns in gebruik gegeven aan een landbewerker. Het begrip “laat” is afgeleid van het Latijnse woord“laetus”. Met dit woord bedoelden de Romeinen de Germanen die in het Romeinse Rijk grond bewerkten die niet hun eigendom was. De laat of cijnsplichtige woonde in een boerderij die weliswaar niet van hem was, maar waar hij ook niet zonder meer uitgezet kon worden. Dit kon in het geval van een pachter wel gebeuren. De heer die eigenaar was van de gronden die werden bewerkt en bewoond door de laten, behield uiteraard alle rechten. De heer kon verder van deze mensen eisen dat ze een deel van hun tijd voor hem op zijn niet-verpachte gronden werkten. Later werden de niet aan zijn laten uitgegeven gronden in pacht gegeven aan een pachter of half-win. Zo moest een laat zijn graan tegen betaling laten malen in de molen van de heer. Een dergelijke molen werd dan een banmolen genoemd. Tevens had de heer wetgevende en rechtsprekende macht over zijn laten. Vandaar dat een laathof meestal ook als rechtbank fungeerde. Deze was in dat geval verbonden met de lagere rechtspraak, en er werden dan ook voornamelijk financiële aangelegenheden behandeld. In de praktijk echter werd de behandeling van de meeste zaken van leenhoven en laathoven veelal door de schepenbanken overgenomen. Op een laathof werd niet alleen de hoogte van de cijns vastgesteld, maar deze werd daar ook geïnd. Een laathof bestond dus meestal uit een viertal onderdelen. Er was sprake van een centraal gebouw,een hoeveelheid land die rechtstreeks door de heer of een laat werd gebruikt, en een aantal percelen welke door laten werden bewerkt en waar zij cijns over betaalden. Meestal bevond zich het huis van de laat ook op deze gronden. Tenslotte was er als vierde onderdeel een soort rechtbank die zaken behandelde welke betrekking hadden op de laatgoederen. Dit alles betrof zoals gezegd in feite alleen de lage jurisdictie.

De nieuwe leenman moest een symbolische som geld aan zijn leenheer te betalen, “het “leenverhef”. Deze zelfde verheffingsprocedure diende ook gevolgd te worden bij de verkoop van een heerlijkheid. Indien er geen rechtstreekse afstammeling was, konden aanverwanten ”een recht van naderschap” uitoefenen, hetgeen verklaart waarom heerlijkheden eeuwenlang in een en hetzelfde geslacht verankerd konden blijven. Het bezit van een heerlijkheid is iets anders dan het bezit van grond. Het bezit van een heerlijkheid gaf de eigenaar slechts bepaalde rechten. Het kon zelfs voorkomen dat de heer geen grondbezit in zijn heerlijkheid had. Met “heerlijkheid” werd dan het gebied aangeduid waar die rechten betrekking op hadden. Binnen de heerlijkheid was de heer gerechtigd om lokale overheidsdienaren en gezagsdragers zoals een meier, baljuw of schout te benoemen. Met name het benoemen van deze ambtenaren gold als een belangrijk recht, aangezien dit inkomsten uit rechtspleging en boetes met zich meebracht. Op zich had de heer het recht zelf als meier of schout op te treden, maar veelal lieten de heren zich vertegenwoordigen door een door hun benoemde schout. Door zijn controle over het schoutambt en de lokale rechtspraak kon de heer zich in zijn heerlijkheid als een kleine potentaat gedragen. Er bestonden nochtans tal van beperkingen. In veel gevallen beschikte de heer slechts over de lagere of middelbare jurisdictie. Zware geldboetes en lijfstraffen vielen onder de hogere jurisdictie die door grafelijke of hertogelijke ambtenaren werd waargenomen, b.v. door een hoofdschout, hoofdmeier, of drossaard. Bovendien diende de heer zich steeds te gedragen naar het plaatselijke gewoonterecht.

Noten:
6 Rijckheyt: Leenhoven en laathoven.

Baron Karel Servais de Rosen en Marie Louise van Buel

Baron Karel Servais de Rosen en zijn eega.

Borgharen en zijn heerlijkheid, de betekenis van het begrip “heerlijkheid”

Een heerlijkheid,seigneurie in het Frans, was een bestuursvorm die voortkwam uit een feodale onderverdeling van het overheidsgezag in de Middeleeuwen (1). Met deze term werd het territorium of het leen van een landsheer aangeduid, die in dit gebied de volle heerlijke rechten uitoefende. In het geval van een landsheerlijkheid was de heer soeverein, dat wil zeggen dat hij aan geen hoger landsrechtelijk gezag was onderworpen. Hij was de centrale persoon binnen de heerlijkheid en was ook de eigenaar van de rechten, waarbij benamingen zoals heer, vrijheer, erfheer of vrouwe, vrijvrouwe of erfvrouwe gehanteerd werden. Het Latijnse woord voor heer, “dominus”, werd ook wel gebruikt. De heren fungeerden in de regel als leenman van een hogere heer. Deze hogere heer kon een hoge edelman zijn, die op zijn beurt zelf weer als leenman optrad namens een koning of keizer.Veel heerlijkheden waren in eerste instantie in handen van de adel. Echter ook goed in de slappe was zittende regenten, schaften zich in later tijden uit statusoverwegingen heerlijkheden aan. Zij deden vervolgens wat de adel al lang gepraktizeerd had.

Ze voegden de naam van hun meest prominente bezit als een extra dimensie aan hun oorspronkelijke naam toe. De adel had tot dan toe immers ook de namen van hun voornaamste bezittingen aan hun geslachtsnaam verbonden om daarmee een voorname afstamming te suggereren. Dorpen maakten tot aan het einde van het Ancien Régime in 1795 in sommige streken bestuurlijk deel uit van een heerlijkheid hetgeen met name ook in Borgharen het geval was (2). Heerlijkheden waren een uitvloeisel van het leenstelsel, zeker daar waar het in leen geven van de rechtsmacht door een vorst gebeurde. Deze gaf zijn bestuurlijk en juridisch recht in leen aan een leenman. Dat gebeurde vaak als de hoogste machthebber zijn militaire en politieke medestanders of zijn vertrouwelingen wilde belonen voor aan hem bewezen diensten. De heer beschikte dus meestal over het hele of over een deel van het overstijgend koninklijk gezag, bijvoorbeeld in zijn functie als graaf of hertog. Er waren echter ook zogenaamde “allodiale heerlijkheden, waarvoor door de heer geen “leenhulde” was verschuldigd aan de graaf (3). Omdat lenen ontstonden uit krijgsdienstcontracten tussen een vazal en zijn suzerein, in vele gevallen “manschap” genoemd, was een leen steeds persoonsgebonden. Met het woord suzerein werd dan de hoogste heer die zelf geen leenheer was van een hoger geplaatste heer bedoeld.

Door de opkomst van professionele legers raakte dit model van manschap in onbruik, of werd vervangen door oorlogsbelastingen. De persoonsgebondenheid van het leen bleef evenwel voortbestaan. Dit had onder andere tot gevolg dat bij het overlijden van een leenman het leen in principe terugviel aan de leenheer. De eerstgeboren erfgenaam kon de heerlijkheid echter behouden door een procedure van “leenhulde” te volbrengen aan het soevereine leenhof. Een leenhof, ook wel mankamer geheten, was een instituut waar de registratie van de contracten tussen leenmannen en leenheren werd bijgehouden. Het ritueel dat bij het ondertekenen van een dergelijk contract werd gehouden, vond eveneens op een leenhof plaats. De leenman verklaarde dan op mondelinge en schriftelijke wijze dat hij geen eigenaar maar vruchtgebruiker werd van de gronden. Hij moest de leenheer nu leenhulde brengen, het zogenaamde “homagium” (4).

Hiermee verklaarde hij onder ede de leenheer bij te staan in geval van oorlog (heergeweide), een jaarlijkse som geld te betalen (cijns), en te verschijnen op vergaderingen. De leenman legde daarna zijn handen in die van de leenheer en kuste hem op de rechterwang. De leenheer gaf hem als symbool van overdracht een vaandel of een zwaard in het geval van grote lenen. Naarmate de lenen kleiner werden, ontving de leenman een graszode, boomtakje of strohalm. Rechtszaken die betrekking hadden op lenen, werden ook door het dit leenhof in behandeling genomen. Dat gold b.v. voor vrijwel alle leengoederen in de Heerlense regio. Het Leenhof te Valkenburg was hiervoor de aangewezen plaats (5). Na de verdeling van het Land van Overmaze in 1661 in Staatse en Spaanse gebieden, werd het leenhof voor de Spaanse delen verplaatst naar Oud-Valkenburg.Vanaf het jaar 1763 verhuisde het naar Hoensbroek. In deze laatste periode werden de vergaderingen van het leenhof ook wel eens te Nuth gehouden. Alle beleningen die in de Staatse territoria plaatsvonden, werden vanaf het jaar 1661 behandeld door het Leenhof van Brabant, dat via een apart college verbonden was aan de Raad van Brabant in Den Haag. De Raad van Brabant was in de periode van 1591 tot 1795 het hoogste rechtscollege voor Noord-Brabant. De Raad zetelde in Den Haag op het Binnenhof, waar vooral zaken in hoger beroep werden behandeld.

Baron Herman Philips van Merode en zijn vrouw

Baron Herman Philips van Merode en zijn echtgenote in de 16e eeuw.

Noten
1 J.Ph. de Monté, ‘Bestaan er nog heerlijkheden en hoe te handelen met aan heerlijkheden ontleende namen?’, in: De Nederlandsche Leeuw 78 (1961), k. 394-399.
2 Het Ancien Régime betreft die administratieve en rechterlijke instellingen die na de Franse invasie van 1794-1795 en de uitroeping van de Bataafse Republiek werden opgeheven.
3 J.Vercoullie, Allodium, 1925 Gent. Een allodium was tijdens het Ancien Régime een onroerend goed dat geen leengoed was en waarover bij erven geen belasting hoefde te worden betaald. Een andere benaming is zonneleen of eigengoed.
4 Homagium: Hommage is een ceremonie uit het middeleeuwse feodale systeem, waarbij de vazal zich middels een ritueel publiekelijk als man van zijn heer presenteerde. De ceremonie bestaat uit twee delen, de immixtio manuum, het plaatsen van de handen van de vazal in die van de heer, en de eed van trouw van de vazal aan de leenheer. Door deze ceremonie werden leenman en leenheer aan elkaar gebonden in een systeem van wederzijdse verplichtingen waarbij de leenman trouw en hulp, auxilia, aan zijn leenheer beloofde, die op zijn beurt zijn vazal een leen schonk en bescherming beloofde. Deze praktijk kwam in gebruik vanaf de 11e eeuw en bleef gedurende de volledige middeleeuwen bestaan.
5 Het Spaans leenhof werd gebruikt voor grondregistratie en pachtovereenkomsten.

Boek over kasteel Borgharen en de spelling

De spelling in vroeger eeuwen

De spelling in vroeger tijden verdient in dit boek zeer zeker extra aandacht. Wie in archieven duikt of zich bezig houdt met afstamming, ziet dat namen op allerlei wijzen werden gespeld. Het Middel-Nederlands, de taal die globaal genomen tussen 1150 en 1500 gebruikt werd, kende nog geen vaste grammatica. Teksten werden in de regel geschreven in het dialect van de auteur. Aan de hand van de in manuscripten gebruikte taal, kan men vaak zien of een tekst afkomstig is uit Limburg, Brabant, Vlaanderen of Holland. Op grond hiervan is het niet vreemd te veronderstellen dat de spelling van het Middel-Nederlands veel streekgebonden varianten vertoonde.
Toch was er in zekere zin geen sprake van een onoverzichtelijke chaos. Een toenmalige schrijver bleef binnen dezelfde tekst meestal redelijk consequent. We zien echter wel het ontstaan van een aantal regionale voorkeuren in plaatsen waar daadwerkelijk veel op schrift werd gezet. Zo schreven de klerken in Amsterdam in de veertiende eeuw meestal “lant”, die in Utrecht echter, “land”(1). Het moderne systeem van het korter of juist langer maken van klanken was toen ook al bekend. Zie hiervoor b.v. de vormen tel-len en sla-pen in Karel en de Elegast. De spelling van die tijd was zuiver fonetisch. Dat wil zeggen dat de geschreven vorm in de eerste plaats werd bepaald door de klank van het woord. Woorden werden dus vaak geschreven zoals ze werden uitgesproken.

Het Nederlands werd vanaf het begin opgeschreven in het Latijnse alfabet. De Nederlandse variant hiervan kende oorspronkelijk 23 letters: a, b, c, d, e, f, g, h, i, k, l, m, n, o, p, q, r, s, t, v, x, y, z. Pas in een later stadium kwamen hier ook nog de letters j, u en w bij. Meer eenheid op dit terrein zou er pas ontstaan toen omstreeks het midden van de vijftiende eeuw de boekdrukkunst uitgevonden werd. Pas in het jaar 1550 kwam de Gentse drukker en onderwijzer Joos Lambrecht met een eerste Nederlandse spellingsverhandeling, waarin hij een op zowel uitspraak als morfologische gelijkmatigheden gebaseerde standaardspelling voorstelde. Zijn voorstellen leidden overigens niet tot een uniforme spelling voor alle bestaande varianten van het Nederlands uit die tijd. Het verband tussen spelling en uitspraak werd veel sterker aangehaald door Pontus de Huyter in het jaar 1581(2). Hij was iemand die al schrijfwijzen als mens in plaats van mensch en wil in plaats van will voorstond. Hendrik Laurensz. Spiegel formuleerde in 1584 in zijn geschrift “In Liefde Bloeiende”, een aantal spellingregels die zo uniform mogelijk moesten zijn en die tegelijkertijd zouden aansluiten bij de bestaande traditie(3) Dit hield onder meer het schrijven van een enkele klinker in open lettergrepen en het gebruiken van accenten om klankverschillen te duiden in. In het jaar 1624 publiceerde Anthonis de Hubert zijn vertaling van de “Psalmen van David”, waarin hij morfologisch consistentere schrijfwijzen als “duegd “ vanwege het meervoud met een d -, voll en veele had gehanteerd(4.) De Huberts vriend Samuel Ampzing was het in grote lijnen met hem eens, maar bepleitte tegelijkertijd een spaarzaam gebruik van schrifttekens. De Statenvertaling van de Bijbel uit het jaar 1637 die in opdracht van de Synode van Dordrecht gemaakt was, had mede tot doel om de spelling van het Nederlands te standaardiseren. Uiteindelijk is daar weinig van terecht gekomen. Waarschijnlijk was dat te wijten aan het feit dat de vertalers onderling geen echte afspraken hadden gemaakt en soms verschillende spellingen van hetzelfde woord bleven hanteren. Gelijkvormigheid speelde niet of nauwelijks een rol. Zo werd bijvoorbeeld “hant en goet” geschreven naast de verbogen vormen van deze woorden op -d.
Wie bij het doorlezen van dit boek dus op allerlei verschillende schrijfwijzen van namen van adellijke geslachten, eigennamen of aardrijkskundige namen stuit, moet er zich van bewust zijn dat deze niet verzonnen zijn door de schrijver, maar dat de gehanteerde schrijfwijzen rechtstreeks uit de daaraan verbonden akten of tekstpassages stammen. De eerste officiële regeling van de spelling in Nederland dateert pas uit het jaar 1804, de tijd van de Franse bezetting. Onder het Franse revolutionaire wind slaagde men er in het Bataafse Gemenebest in om te komen tot een spelling en een grammatica. De Leidse hoogleraar Matthijs Siegenbeek werd in 1801 gevraagd om een uniforme spelling op te stellen(5). Hij werd geassisteerd door de predikant Petrus Weiland die bij die gelegenheid verzocht werd een grammatica te schrijven(6).

Noten
1 De Nederlandse spelling door Anneke Neijt, 2007.
2 Pontus de Huyter (ook wel De Heuter; gelatiniseerd tot Pontus Heuterus) (Delft, 1535 – Sint Truiden, 9 augustus1602), was een Nederlands theoloog, historicus en humanist.
3 Spiegel was een van de belangrijkste Amsterdamse schrijvers en denkers uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Traditioneel wordt hij gezien als een wegbereider van de Gouden Eeuw van Vondel, Hooft en Huygens. Hij schreef boeken over spraakkunst, logica en retorica.
4 Anthonis de Hubert: 1624, “A. de Hubert,” Noodige waarschouwinge aan alle liefhebbers der Nederduijtze tale”.
5 Siegenbeek: Verhandeling over de Nederduitsche spelling ter bevordering van de eenparigheid in dezelve, 1804.
6 Petrus Weiland: ‘Nederduitsche Spraakkunst, door P. Weiland, uitgegeven in naam en op last van het Staatsbestuur der Bataafsche Republiek. Te Amsterdam, bij J. Allart. 1805. In gr. 8vo. Behalve het Voorberigt enz. 328 bladz.”

De Heerlijkheid Borgharen, inleiding deel drie

Ook wil ik de bredere regionale historische context binnen welke de heerlijkheid Borgharen verkeerde schilderen. Ik heb bewust veel ruimte gegeven aan heer Philibert van Isendoren à Blois, omdat deze adellijke heer er jammer genoeg op een aantal vlakken prominent uitsprong. Vooral zijn benadering en geprobeerde promotie van de gereformeerde religie, zijn welgesteldheid en zijn vurigheid op meerdere terreinen springen in het oog. Als ik in dit boek over de gereformeerde religie spreek, dan doe ik dat altijd binnen de zeventiende eeuwse historische samenhang. Gereformeerd protestantisme is een stroming binnen het protestantse christendom, die teruggaat op wat wel de “Zwitserse reformatie” wordt genoemd. Deze stroming begon in 1519 met het optreden van een zekere Huldrych Zwingli in Zürich. De breuk die tussen Zwingli en Maarten Luther ontstond aangaande de leer over het avondmaal, gaf het gereformeerd protestantisme een eigen karakter ten opzichte van het lutheranisme.

Met name Johannes Calvijn heeft vanuit Genève een belangrijk stempel op deze stroming weten te drukken. Daarom duidt men deze gehele stroming ook wel aan als calvinisme, hoewel dit begrip eigenlijk alleen slaat op de leer van Calvijn. Het gereformeerd protestantisme als stroming is echter breder dan alleen zijn denkbeelden. Vreemd was de opkomst van deze nieuwe of “vernieuwende “ denkbeelden niet. De zeer slecht economische en sociale situatie van de burgers en de vele aperte misbruiken binnen de roomse kerk bevorderden in de 16e eeuw deze ontwikkeling met grote snelheid. Aanvankelijk bedoeld als een hervorming van binnen uit, zou deze mede door het revolutionaire karakter van degenen die het geloof wilden “hervormen” tot een botsing leiden tussen de gevestigde nepotistische kerkelijke overheid en degenen die het geloof een nieuw gezicht wilden geven. De algemene malaise die alom present was onder het volk maakte de mensen gevoelig voor veranderingen. Ze waren een makkelijke prooi voor de velen nieuwlichters.

De verzameling archiefstukken die ooit op het kasteel Borgharen aanwezig was, werd voor het grootste deel op 31 december 1942 door de toenmalige eigenaar van kasteel Borgharen, baron Adalbert de Rosen de Borgharen, in bewaring gegeven aan het Rijksarchief in Limburg. Na het overlijden van deze baron, werden tijdens de afwikkeling van zijn nalatenschap in de loop van 1947 nog een honderdvijftig tal charters, losse stukken en enkele registers ontdekt. Deze zijn in januari 1948 door het Rijksarchief in Limburg in bewaring genomen, beschreven, en bij de reeds bestaande inventaris gevoegd. Bij de overname van de archieven was een klein gedeelte van de charters beschreven, en waren de losse stukken in pakken bijeen gebonden en genummerd (nrs. 1-273). De beschrijving van elk pak was op een afzonderlijk papiertje bijgevoegd. Het RAL, het toenmalige Rijks Archief Limburg te Maastricht, heeft deze bundels voor zover aanwezig bij elkaar gelaten, omdat men van mening was dat ze in vele gevallen betrekking hadden op goederen of inkomsten, waarvoor een bepaald register was aangelegd. Het was voor de medewerkers van het archief zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, uit te maken bij welk deel van het archief een bepaalde bundel hoorde. Dat had vooral te maken met het feit dat vele akten uit retroacta bestonden, waarvan moeilijk kon worden bepaald op welke goederen of renten deze betrekking hadden (8) Zij werden alleen uit elkaar genomen, wanneer duidelijk was dat de stukken betrekking hadden op verschillende onderwerpen of op goederen etc., die aan de verschillende families toebehoorden (9)

Noten:

1 Jos.Habets: De voormalige heerkijkheid Borgharen. Eene bijdrage tot de geschiedenis van het Land van Valkenburg. Roermond snelpersdruk van J.J.Romen 1872.
2 Wim Munier: Een mislukte poging tot de inplanting van de Reformatie in de heerlijkheid Borgharen door Heer Philibert van Isendoren à Blois (1647-1679). Ned.Arch.voor Kerkgeschiedenis Deel 65 afl.1 & 2, Leiden E.J.Brill 1985.
3 J.M.van de Venne: Bijdrage tot de geschiedenis van de voormalige heren van Borgharen in de Maasgouw van 1949, blz.43.
4 J.F.van Agt: De monumenten van kunst en cultuur in Zuid-Limburg 1, Zuid-LImburg uitgezonderd Maastricht, Staatsdrukkerij-en Uitgeverijbedrijf Den Haag 1962.
5 Fonds Le Fort, 17e eeuws manuscript van J. Le Fort, roy d’armes, berustend in het Rijksarchief te Luik.
6 PRIMS,F., De bedriegerijen van Butkens en de slachtoffers (De Valsche kronijken van Butkens en Antwerpen), in Antwerpsch Archievenblad, jg. 32, 1927, p. 158 (zie ook: jg. 31, 1926, p. 157): In 1626 verscheen Butkens’ Annales généalogiques de la Maison de Lynden. De Annales werden geschreven op instigatie van Ernest van Lynden, wiens baronie Rekem in 1623 tot rijksgraafschap verheven was. Het boek is dan ook aan van Lynden opgedragen.In de Annales, verdeeld in 15 “livres”, waarvan het laatste uit “preuves” bestaat, oorkondelijke bewijzen, beschrijft Butkens de geschiedenis van de adellijke familie Van Lynden. Volgens Butkens stamde deze familie af van de van Aspremonts en ging haar geschiedenis bewijsbaar terug tot de twaalfde eeuw. Naast afschriften van oorkonden zijn in de preuves ook afbeeldingen van zegels opgenomen. De andere “livres” bevatten bovendien afbeeldingen van kastelen, grafzerken en portretten. Al door tijdgenoten als Aernout van Buchel en Carel van Riedwijk, werd Butkens zwaar bekritiseerd wegens het vervalsen van oorkonden en het afbeelden van verzonnen heraldische gedenktekens zoals grafstenen en glas-in-loodramen in zijn Annales Généalogiques de la Maison de Lynden. Tegenwoordig worden alle “preuves” van voor de veertiende eeuw en een deel van de veertiende-eeuwse als vervalsingen beschouwd. Butkens’ tweede grote publicatie verscheen in 1641, “Trophées tant sacrés que prophanes de la duché de Brabant”.
7 De Navorscher: Zeven en twintigste jaargang, Nijmegen, H.C.E.Thieme 1894, pg.18.
8 Retroacta: Archiefbestanddelen oorspronkelijk opgemaakt of ontvangen in een ander verband dan waarin ze aan archiefstukken zijn toegevoegd.
9 RAL: Inventaris archief bewoners kasteel Borgharen 1.1. Verantwoording voor de organisatie.

Aquarel van Ph. G.J. van Gulpen rond 1850 door R. Quadevlieg

Aquarel Van Ph.G.J. van Gulpen rond 1850

De heerlijkheid Borgharen -Inleiding deel twee

Tegenwoordig worden alle van Butkens afkomstige “preuves” van voor de veertiende eeuw als vervalsingen beschouwd. Ook een deel van zijn in de veertiende eeuw geproduceerde stukken wordt met zeer grote argwaan bekeken. Butkens werd overigens al door tijdgenoten zoals Aernout van Buchel en Carel van Riedwijk van het vervalsen van oorkondes en van het afbeelden van verzonnen heraldische gedenktekens beschuldigd. De historici van de generatie 1970 tot heden lieten het wat Borgharen betreft, zo gezegd allen om ons onbekende redenen afweten. Was het onderwerp niet interessant genoeg? Was het bestaande archief te onvolledig, of is het puur toeval? Wellicht kan het ontbreken van een eigen heemkundevereniging te Borgharen ook een rol gespeeld hebben. In veel gevallen hebben deze verenigingen niet alleen in eigen kring, maar ook daarbuiten interesse gewekt om aandacht te besteden aan hun eigen plaatselijke historie. Toch moeten de voorhanden zijnde archiefstukken mijns inziens toereikend genoeg geweest zijn om een volledig boek aan de prachtige historie van deze heerlijkheid te kunnen wijden. Duik je dieper in vooral de externe bronnen, dan ontdek je op velerlei plekken tegengestelde informatie.

In elk geval is het niet verstandig om in goed vertrouwen de gegevens van de verschillende op internet aanwezige genealogische forums klakkeloos over te nemen. Deze spreken elkaar tegen en geven zeer vaak foutieve data. Toch is het gebruik van internet in zekere zijn ook onmisbaar. Men krijgt sneller toegang tot bronnen die normaal gesproken in fysieke zin niet makkelijk bereikbaar zouden zijn. Een bijkomend voordeel is, dat zeer gericht zoeken naar informatie vaak nieuwe aanverwante bronnen oplevert. Of de resp.heren en vrouwen van Borgharen een zegen zijn geweest voor het dorp of een kwelling is de vraag? In principe ging het bij deze families net zoals bij de huidige elites voornamelijk om vergroting en handhaving van hun macht. Ze stamden doorgaans uit rijke oudere geslachten, hadden her en der vele bezittingen,bezaten overerfde of verworven titels, en waren zeer verbonden aan de regerende machthebbers aan wie ze hun positie immers deels ontleenden. In dit scenario vervulden de inwoners van het dorp Borgharen zeer lang lange tijd een uiterst ondergeschikte rol. Over deze bewoners is jammer genoeg veel minder bekend, dan over de elkaar opvolgende adellijke personen die op grond van hun titels macht konden uitoefenen. Zij gebruikten en misbruikten hun ingezetenen waar het maar kon. De heren waren in vele gevallen geletterd, hadden bedienden, bezaten elders in de regel nog andere goederen waaruit revenuen binnen vloeiden, en spanden bij voortduring processen aan tegen degenen die in hun ogen hun belangen schaadden.

Inwoners werden op grond van overerfde heerlijke rechten gehouden herendiensten te verrichten voor hun heer, en waren onderworpen aan het betalen van belastingen. Dat de leefsituatie van zijn ingezetenen vaak abominabel was, interesseerde de heer niet al te veel, hetgeen moge blijken uit de vele processen die de opeenvolgende heren tegen inwoners voerden. Die gingen vrijwel allen over handhaving van bezit, macht en onderworpenheid. Ik heb er vrij snel voor gekozen om de bronnen zoals deze in de noten vermeld worden, zo dicht mogelijk op de tekst te laten volgen, hetgeen mijns inziens de leesbaarheid enkel zal verbeteren. Gaandeweg het onderzoek heb ik een min of meer omlijnd idee gekregen over de opzet en indeling van het boek. Naast de beschrijving van de adellijke geslachten, wilde ik ook aandacht besteden aan zaken die een meer algemene context vertegenwoordigen. Zij zijn eveneens essentieel om de de toenmalige tijdsgewrichten te kunnen begrijpen. Niet alleen de juridische situatie van de heerlijkheid, de spelling en de wijze waarop men daar mee omging, de religie en haar problematieken krijgen aandacht, ook alledaagse zaken komen voorbij. Zij immers zijn daar zeer interessant waar ze ons een inkijk geven in het normale leven van de toenmalige tijden.

Uit het boek van Jo Visser (Vromen) All copyrights reserved

Baron Charles Servais de Rosen

Baron Charles Servais de Rosen

De Heerlijkheid Borgharen deel een

Inleiding
Voorwoord en opzet van het boek

Het schrijven van een boek is voor velen ongetwijfeld een waagstuk. Het schrijven van een historisch boek is in mijn ogen echter als het slalommen langs gevaarlijke afgronden. Het risico dat je struikelt over informatie die lange tijd als correct gold, maar dat niet meer is, of dat je aanloopt tegen onvolledige data in incomplete archieven is zeer groot. Veel relevante informatie is helaas in de loop der tijden verdwenen. Vernietigd in tijden van oorlog, geroofd, of door ignorante cultuurbarbaren weggegooid. Soms loop je helemaal vast, omdat gegevens zo verwarrend zijn dat ze niet lijken te kloppen. Toch was ik vastbesloten om uit de beschikbare informatie zoals aanwezig in het archief van het kasteel Borgharen een boek te schrijven dat binnen de grenzen van het mogelijke, alle informatie kan immers nooit verwerkt worden, een nog niet vertoond beeld geeft van de geschiedenis van de heerlijkheid Borgharen, de bewoners van het kasteel, de adellijke geslachten, het tijdsbeeld, en de algemene gang van zaken tussen grofweg de dertiende en de negentiende eeuw, met een uitloop naar de huidige tijd.

Helaas is de heerlijkheid Borgharen tot nu toe een weinig beschreven onderwerp gebleken, vooral voor wat de periode die men als de moderne tijd zou kunnen betitelen betreft. Op de eerste plaats was er historicus Jos. Habets die in 1872 een omvangrijk artikel over Borgharen voltooide (1). Daarna kwam Wim Munier in 1985 met een uitmuntend essay over Philbert van Isendoren à Blois en diens pogingen om Borgharen te transformeren tot een protestants bolwerk (2)en J.M.van de Venne schreef in de Maasgouw van 1949 een inleiding tot de geschiedenis van Borgharen (3) Tenslotte was er nog J.F. van Agt die in 1962 vooral in bouwkundige zin aandacht aan Borgharen besteedde (4) De lokale historicus Jos.Habets maakte bij zijn beschrijving van de heerlijkheid bijna uitsluitend gebruik van het slotarchief van Borgharen. Hij stelde in zijn aanhef dat in zijn tijd noch het archief van de provincie, noch dat van de kerk, noch dat van de gemeente Borgharen voor hem zaken van belang hadden opgeleverd. Een voor hem bijkomend probleem was dat het archief van de arrondissements-rechtbank in Maastricht in zijn tijd niet voor het publiek toegankelijk was. Voor de genealogie van de heren van Haren raadpleegde hij de handgeschreven “geslachtstafels” van Lefort die aanwezig waren in het stadsarchief van Luik (5. Daarnaast maakte hij gebruik van de werken van Butkens, het “Annuaire de la Noblesse Belge”, alsmede andere hem ter beschikking staande boeken over dit laatstgenoemde onderwerp (6). De werken van de Antwerpse prior Butkens, 1590-1650, worden door o.a. Frans Ketner, 1974 Utrecht, F.Prims 1927 Antwerpen, en J.F. van Someren in zijn “Bijdragen tot de geschiedenis van Butkens” als “genealogische vervalschingen” aangemerkt. Hetzelfde deed de laatstgenoemde ook in het tijdschrift de “Navorscher” uit 1894 (7)

Wordt vervolgd

1710, wolvenjacht in het Haerenbos

1710, Wolvenjacht in het Haerenbos.

De Heerlijkheid Borgharen,een boek over de geschiedenis van deze heerlijkheid, de adellijke geslachten, en het kasteel door Jo Visser ( Vromen)

De inhoudsopgave:
Inleiding:
Voorwoord en opzet boek
De spelling in vroeger eeuwen

1.Het begrip “heerlijkheid” nader belicht
Algemeen
Een overzicht van vaak voorkomende heerlijke rechten en inkomsten
Gefeodaliseerde kerkelijke rechten
De adel
De “nouveaux riches”

2. De oorsprong van de naam Borgharen
Een tijdslijn voor de “seigneurs” en vrouwen van Borgharen

3. Het beleg van 1318
Een tijdslijn voor de dertiende en veertiende eeuw
Het begrip woontoren
Een strafexpeditie naar Borgharen

4. De algemene gang van zaken op een kasteel
Herman Scheiffart van Merode
Voedsel en drank
Vette varkens, mosselen en exclusieve wijnen
Aandacht voor de knechten en de dienstmeisjes
Het kasteel als uithangbord
Een kijkje binnen de muren
De mode speelt ook een rol
Boedellijsten
De indeling van een vroege burcht
Leven, wonen en werken op een kasteel
Gevaarlijke tijden
Van defensief naar recreatief

5. De eerste heren van Haren
Een tijdslijn voor de veertiende en vijftiende eeuw
De allervroegste geschiedenis van het geslacht van Haren
Adam I van Haren
Ogier I of Ogerus I van Haren
Adam II en Joannes van Haren
Ogier II van Haren
Ogier III van Haren
Adam III van Haren

6. Het land van Valkenburg
Valkenburg, deel van het Land van Overmaas
De heren van Valkenburg
Philippa van Valkenburg doet afstand van haar bezit
De positie van Borgharen
“Cleernis” over de leenrechten in de heerlijkheid Borgharen

7. De strijd om de macht in Limburg
Walram van Valkenburg
Tijgers die elkaar verscheuren
De slag bij Woeringen

8. Het geslacht van Hamal
Oude oorkondes uit Borgharen
Een oorkonde uit de tijd van Margaretha van Hamal
Processen en andere problemen
Waren de vele voorrechten wel een zegen ?
Verzet tegen het heerlijk gezag
Margaretha van Hamal “introduceert”de Merodes
Genoeg om handen
Houwdegen Raes van Rivieren
Margaretha van Hamal neemt het heft in handen
Borgharen wordt verwoest door Robrecht van Arenberg

9. Het geslacht van Merode
Gerard Scheiffart van Merode
Een tijdslijn voor de 16e eeuw
Reynart I Scheiffart van Merode
De rentmeester heeft zijn handen vol aan de nieuwe heer
Reiner II Scheiffart van Merode
Willem Scheiffart van Merode
Ulrich Scheiffart van Merode
Het verwerven van kerkelijke inkomsten
Herman Scheiffart van Merode
Herman’s wapentuig was aan een onderhoudsbeurt toe
Enkele oorkondes uit het midden van de 16e eeuw
Ursula Scheiffart van Merode verwerft Borgharen
Een tijdslijn voor de 17e eeuw
De zeventiende eeuw een eeuw van strijd en ziekten
Johan Schellart van Obbendorff
Herman Philippe van Merode
Herman Philippe krijgt postuum eerbetoon
Een onverwacht heengaan
Albert van Merode
Hoe meer rijkdom, hoe meer schulden?
Enkele bijzonderheden uit de tijd van Abert van Merode
Itteren tijdens het beleg van 1632

10. Het geslacht van Isendoren à Blois
Een historische blik
Philibert van Isendoren à Blois
Een zeer gereformeerde heer
Een neus voor conflicten
Blij met juridische zege
Oorsprong van de familie
Frederik Johan van Isendoren
Bouwheer van Isendoren
Processen en weerbarstige ingezetenen
Philibert en zijn grote kroost
Een onaangename Franse interventie
Philibert van Isendoren overlijdt
Wouter van Isendoren à Blois
Een kwestie van liefde
Willem van Isendoren verzoekt toelating tot de Ridderschap

11. Het geslacht van der Heyden à Blisia
Een tijdslijn voor de 18e eeuw
Een voortzetting van de malaise van de zeventiende eeuw
Iedereen kon het horen
Een heer van statuur en vele kwesties
Schulden en zelfoverschatting
Een koopbeluste heer
Verwikkeld in een proces met erfgenamen
De kinderen van Jean Guillaume van der Heyden à Blisia
Baron Edmond Conrard van der Heyden à Blisia
Het conflict rondom de hoogte van de door de heer verschuldigde belasting

12. Het geslacht de Rosen
Marie Louise van der Heyden à Blisia en Michel Henri de Rosen
De schutters van Borgharen
Baron Charles Servais de Rosen
De werken aan het kasteel

13. De bewoners na de Franse tijd
Baron Karel Hyacinth de Rosen
Barones Léonie de Rosen
Eusébie de Brigode de Kemlandt , Barones Jeanne Selys de Longchamps, Simone de Rosen

14. De rechtbank, de schout, de schepenen, andere ambtenaren en de gemeente
De hoge justitie
Een heerlijkheid zonder eigen schepengerecht
De gemeente
In archieven voorgekomen ingezetenen
Twee nieuwe schepenen, 1711
De aanstelling van Johan Hendrick Ghijsen tot schepen, 1717
Schepen gevraagd. maart 1718
De aanstelling tot schepen van Dionisius Hupkens, april 1720
1731, de voogden van barones van der Heyden à Blisia stellen schepenen aan
1788, schepen Johannes Boymans overlijdt
1845 De aanstelling van Jan Bruinen tot veld-en boswachter enz.
De familie Dolmans
Samenstelling bevolking 1796
Samenstelling bevolking 1806

15. Onder de vlag van de Hollanders
Een zeer dienstbare heer
Een Franse “redding”
Jan-Willem van der Heyden slaat alarm

16. De schouten van Borgharen (1474-1795)
De eerstgenoemde schout

17. De rentmeesters van Borgharen
Algemeen
Voorkomende rentmeesters in Borgharen

18. De pachters van de kasteelhoeve
Pachtovereenkomst van Dirk Haerst in 1680
Request van pachter Warnier Hounett aan de schepenbank van Borgharen, 1696
Jean Guillaume van der Heyden laat een pro-forma akte opmakenin 1693
Verpachting kasteelhof in 1716
Pachtovereenkomst Guilliam Dolmans 14 maart 1758
Pachtovereenkomst van 7 november 1766 van Jean Massart
Pachtovereenkomst van Wouter Hennens 1772
Pachtovereenkomst van André Jaspers 1781
Pachtovereenkomst van Pieter Dobbelsteijn 1793
Pacht “Pierre”Dobbelsteijn 1805
Rekening voor de “fermier” Dobbelsteijn
Het proces van Michel Henri baron de Rosen tegen pachter Ogier Duchateau
Enkele akten omtrent pachters van de kasteelhoeve

19. De parochie Borgharen
Een slotkapel in de kerk van Borgharen

20. De overgang naar de Hollanders in 1632
De Staten gaan over tot verdere repressie
Paapse stoutigheden
De situatie na de Franse inval van 1794
Katholieke parochie van Borgharen verkeert na 1661 in een deplorabele toestand

21. De mislukte reformatie in Borgharen
Handelen heer wekt onbegrip op
Raad van State volgt van Isendoren niet
Staten nemen maatregelen
Classis en Den Haag hebben geen haast
Van Isendoren vangt weer bot bij classis
Classis zegt van Isendoren de wacht aan
Van Isendoren in de tegenaanval
Van Isendoren benadert bisdom Roermond
Herrie om de sleutels van de kerk

22. Een slechts tijdelijke verandering
De Fransen veroveren Maastricht
Roomse visitatiecommissie op bezoek
Van kwaad tot erger
Pastoors Landen van Overmaas richten zich tot de Staten-Generaal

23. De pastoors van Borgharen
Pastoor Willem Booms

24. Bijlagen omtrent Borgharen

Een beschrijving van de heerlijkheid Argenteau en Hermal in 1671
Het Nederlands adelsboek over de heren van Borgharen
Dominee Bachiene over Borgharen
De classis van Maastricht
Stormen en andere rampen
Franse revolutieleger
Borgharen beschreven in 1949
Raphaël de Selys Longchamps als fotograaf eind 19e eeuw
Sagen en andere verhalen rondom Borgharen

Chinese kamer met de originele kleuren op de lambrisering door Jack Cremers

De Chinese kamer in het kasteel met de originele kleuren op de lambrisering op een foto van dhr. Jack Cremers.