Ten Esschen deel 7, Hof Koningsbeemd

Hof Koningsbeemd oftewel de Wijngaardshof

Deze hoeve stond ook bekend onder de naam Wijngaardshof, en was vlak bij de Wijngaardsweg gelegen die van Heerlen uit leidde naar het kruispunt bij Ten Esschen, de plek waar zich ook Hoeve ten Esschen bevond. De omgeving van Hof Koningsbeemd was alom bekend om zijn prachtige natuur en de hoeve zelf was een juweeltje van Limburgse boerderij architectuur. De hoeve werd al in 1388 vermeld als “der hoff int Koninxbeempt”. De grens van het rechtsgebied van de Heerlijkheid Hoensbroek bevond zich toen “in het midden van eenen weg loopende nevens den hof Rennenberg door den Koningsbeemd”. Het bezit van de toenmalige eigenaar werd als het ware door midden gesneden. Het was feitelijk twee-lenig. Een deel, de boerderij, de gebouwen, en landerijen welke op Hoensbroeks gebied lagen waren aldaar leenroerig, terwijl het andere deel – de landerijen die zich op Heerlens gebied bevonden – leenplichtig waren aan Valkenburg. De eigenaren voor het Heerlens deel kenden illustere namen zoals: Reynart Van den Bongert, Herman Hoen te Broeck, Johan Hoen van Voerendaal als gemachtigde van abdis Cecilia Hoen (!) van Munster Bilsen, en Gerard van Imstenrade, de Heer van Mheer. De adel verdeelde en heerste zoals altijd. Het Hoensbroekse gebied toont ons eigenaren als de van Imstenrade’s en de familie Van den Panhuys. Zeer waarschijnlijk zijn beide delen later aan de familie van Imstenrade gegaan en door vererving bij de oude adellijke families van Loë-Wissen en van Schaesberg-Krickenbeck terecht gekomen.

Kristiaan Quixs

Op het ogenblijk dat de historicus Egidius Slanghen dit allemaal opschreef in 1859, was de hoeve in het bezit van de familie van jonkheer Fr. Michiels van Kessenich, de toenmalige griffier van de Provinciale Staten van Limburg. In 1954 luidden de namen van de eigenaren als volgt: Jhr.P.J. Ch. A.H.Gh.Struije de Swielande, industrieel, en Jhr.Mr.P.P.E.B.H.Gh.de Swielande rechter, beiden woonachtig te Gent, België. Een bewoner van de hoeve die zich waarschijnlijk vermaarder gemaakt heeft, dan diegenen die dat met geld bereikten, is Kristiaan Quixs, die er op acht oktober 1773 geboren werd. Hij is bekend geworden vanwege zijn grote hoeveelheid geschiedkundige werken. Hij was de zoon van Martinus Quixs en Elisabeth Jongen. Deze verkreeg in juni 1777 wederom de pacht voor de Wijngaardshof voor de duur van zes jaren. In 1783 kocht deze Martinus een stuk bouwland “op den Nesschen”. Er school echter een flinke adder onder het gras in 1777, die daar verstopt was door de verpachter.

Klusjes voor de grote baas

Deze verpachter was Frans Carl Vrijheer van Loë tot Wissen en bezitter van Mheer, Aubel, St. Meertens Voeren,  Isenbrock ten noordoosten van Nieuwstadt, Conratsheim, en Puffendorff, toe maar! Tevens was hij raadsman voor de keurvorst van Palts, en Landhofmeester in het hertogdom Gulik. Waar hebben de huidige veelbezitters het toch van afgekeken? Deze heer verplichtte een pachter binnen het pachtcontract om elk jaar voor hem een aantal klusjes uit te voeren waaraan van Loë geld kon verdienen. Daarbij zou het gaan om het halen of vervoeren van zaken uit of naar de plaatsen Düsseldorff, Mheer, Aken en Wissen (een plaats in het Duitse Rijnland- Palts). Gezien de onvoorspelbare tijden met veel conflicten en rondtrekkende soldaten was dit geen sinecure en ook niet ongevaarlijk. Zo moest Martinus in 1789 vervoerder spelen voor het Oostenrijkse leger en voor het Franse leger zelfs van 1793 tot 1795. Dat hield in dat hij veelal leveranties van tarwe, rogge, haver, stro en koeien moest bezorgen bij Franse kampementen en legerplaatsen. Zijn knechten vervoerden dit alles naar plaatsen zoals Rekem, Aubel, Maastricht, Luik en Geilenkirchen. Dat was geen gemakkelijke taak. In 1807 werd de pachttermijn voor Quixs nogmaals voor zes jaar verlengd. Weer moest Martinus aan de bak voor zijn heer. In 1821 werd de scheiding en verdeling van de eigendommen van Quixs opgemaakt door zijn broer Christiaan, die priester was te Aken.

tenesschen02kruisng ten esschen koningsbeemd richtingh lotbroek

Bron: E.Slanghen/ Rijckheit Heerlen

Advertenties

Huize ten Esschen deel 6


Aartshertogin Maria Elisabeth op doorreis door het Staatse Land van Valkenburg in 1725

 Deze gouvernante van de Oostenrijkse Nederlanden en zus van Karel VI wilde met haar gevolg het Limburgse (Staatse) land doorkruisen op een reis naar haar bestuurscentrum te  Brussel in oktober 1725. De Staten-Generaal was uiteraard zo aardig om aan haar verzoek om beveiliging medewerking te verlenen. Ze gingen hierin zelfs nog een stap verder dan strikt noodzakelijk was. In een besluit van 14 september 1725 bepaalden ze zelfs aan dat de schatbewaarder van de aartshertogin niet zelf de kosten hoefde te voldoen voor het traject van Maastricht naar Tongeren, de route die in eerste aanleg alleen maar door de Staten beveiligd hoefde te worden. De Staten zouden echter deze onderneming volledig gaan vergoeden, onder het motto “je kunt beter je verre rijke netwerk belonen, dan voor je eigen volk zorgen”! Klinkt heden ten dage ook niet vreemd in de oren. Men maakte er zelfs nog meer werk van. De gouverneur van Maastricht kreeg opdracht om de landvoogdes met vlag en wimpel en alle beschikbare toeters en bellen te ontvangen, “ met hare Hooge geboorte en rang overeenkomende”.

Volk draait op voor grillen overheden

De magistraat te Maastricht moest haar passage dan ook op alle mogelijke manieren faciliteren, en bij een besluit van 24 september 1725 werd de bevolking van de drie Landen van Overmaas opgeroepen hiertoe mensen en paarden ter beschikking te stellen. In totaal verplichtte de overheid boeren en anderen om 600 paarden en 300 man ter beschikking te stellen, die zich allen in Maastricht moesten verzamelen. Aan deze gigantische facilitering droegen ook nog alle banken die in het bezit waren van het St.Servaas kapittel en het graafschap Vroenhoven hun steentje bij. Deze “uitnodiging” was niet geheel vrijblijvend. Als iemand zijn door het bestuur bepaalde aantal mensen of paarden niet zou leveren, kreeg hij een boete van zestien goudgulden, en het benodigde paard dat dan elders gehaald moest worden kwam ook voor rekening van de nalatige betrokkene. Ook de Hoofdbank Heerlen ontsnapte niet aan het leveren van mannen en paarden.

Hoeve ten Esschen moest ook een aandeel leveren

Het halve Leen Ten Esschen moest “eenen knegt en een peerd leveren”. De uiteindelijke, reeds eerder door het Land van Overmaze bijgestelde rekening,  werd naar Den Haag gezonden en bedroeg f.3.177 en vijftien stuivers, voorwaar een mooi bedrag om een rijke Oostenrijkse dame op serviele wijze te gerieven. Dit bedrag werd echter niet geaccepteerd door de zuinige rekenmeesters van de daar residerende Rekenkamer. In een schrijven van juni 1726 reduceerden deze zure azijnbeambten het gedeclareerde bedrag tot f 2742.13.0. Uit het overzicht blijkt dat zelfs de dagvergoeding voor Graaf Hoensbroek-Geul als commissaris verlaagd was naar tien gulden per dag voor acht dagen. Eerder stond hij genoteerd voor een bedrag van honderdvijftig gulden voor zes dagen. Tja, dat was een tegenvaller voor de graaf, die nu moest bezien hoe hij dit verlies weer kon goedmaken. Nooit had hij kunnen dromen dat hij voor reductie in aanmerking zou komen!!

Maria kwam ondertussen op tijd te Brussel aan en werd bij haar intrede als een godin ontvangen, zie bij geleverde prent. Zij kreeg de stadssleutels aangeboden en twee slaafjesunnamed

hielden haar immens lange jurk omhoog. De trompetten schalden, de kanonnen daverden en iedereen kreeg pijn in zijn knieën van het buigen. Verder stond er een hele hofhouding klaar om madam te gerieven.

J.Vromen

 

 

 

 

Huize ten Esschen deel 5

Thomas Boumans was er letterlijk en figuurlijk bij

Een derde betrokkene waar we meer van weten, is de in 1737 te Hoevestein bij Hoensbroek geboren Thomas Boumans . Hij zou door een van de slachtoffers van de overval herkend zijn. Thomas was metselaar, en dreef tevens een handel in het Hollandse gebied. Zijn vader, Frans, was ook lid van de bende. De rechtshandelingen in juni 1773 beginnen met een confrontatie van drie gedetineerden: Matthijs Sengen enerzijds, en Thomas en Frans Boumans anderzijds. Het gerecht wil weten of ze elkaar kennen, en of ze aan een aantal zaken schuldig zijn. Matthijs geeft aan Frans te kennen, en vertelt dat die mede schuldig is aan de gepleegde feiten. Frans kent Matthijs wel, maar ontkent iets gedaan te hebben, en tekent met zijn naam. Matthijs plaatst allen maar een kruisje. Dan wordt Thomas in eenzelfde situatie gebracht en geconfronteerd met Sengen. Ze geven aan elkaar te kennen. Sengen beschuldigt ook Thomas, maar die ontkent op zijn beurt alles. Op 29 juni 1773 komt er al snel een verzoek tot een scherper examen tegen Frans en Thomas, die beiden op het Landshuis te Valkenburg gevangen zitten. Op 30 juni 1773 wordt Thomas in het kader van het scherp examen met een aantal delicten geconfronteerd. Men wil door het hanteren van de tortuur aan de weet komen of hij hieraan schuldig is. Heel sluw wordt hem op het einde van de reeks gevraagd of hij iets weet van de brand te Valkenburg, en waar hij zich ten tijde van die brand bevonden heeft.

Boumans bekent en beschuldigt

Thomas bekent al gauw, en biecht op aan welke zaken hij wel of niet heeft deelgenomen. Hij wordt nog een paar keer aan de tortuur onderworpen. Op 2 juli bekent hij “ mede handdadig te zijn en gecopereert te hebben aan den diefstall in de herberg op den Esschen bij Joseph Wijlder”. Hij beschuldigt een hele reeks figuren, waaronder de smid Johannis Morgenroth uit ten Esschen, die vlak voor de boerderij achter een heg op wacht gestaan zou hebben. Opvallend was dat hij nog wist dat een van de complicen de vrouw des huizes in de mest poel geduwd had. Hij kon echter niet meer vertellen wie deze snoodaard geweest was. Na de overval waren ze de weg opgegaan die naar de heide leidde, waar de vilder op een afgesproken plek een aantal mannen hun deel van de buit gegeven zou hebben. Thomas zelf, kreeg wat thee, koffie en suiker, met een waarde van vier schellingen. Dat was zijn loon voor zijn aandeel in de overval. Hij vertelde dat hij gewapend was geweest met een klein “gaffelke”en dat de vilder een “flint” (geweer) bij zich had gedragen. Het einddeel “responsiven en scherp examen en de recollectie van drie juli 1773” wordt door Thomas, op dat moment 36 jaar oud, met een kruisje ondertekend. “Hij is schrijvens onervaren”, staat onderaan het document. Nadat de eerdere bekentenissen van 1 en 2 juli woord voor woord zijn voorgelezen, geeft hij aan bij zijn bekentenis te blijven, zonder er iets bij of af te willen doen. In de “clagt en conclusie” tegen Thomas volgt nog een opsomming van alle euveldaden waaraan hij zou hebben deelgenomen, waaronder ook de overval op ten Esschen. “Mit de herberge op den Esschen meede onder deese hoofdbancke, uijt welke gestoolene goederen den gedetineerde geprofiteert heeft ter waarden van vier schellingen”, zo staat er geschreven. De motivatie van het gerecht is zoals gewoonlijk: “feijten en euveldaden zijn in een land van politie en justitie niet te dulden, en ze behoren gestrafft te worden andere tot afschrik en exempel”.

De beklaagde zal gebracht worden naar de plek waar men gewoon is om criminele justitie te doen, om aldaar aan de scherprechter overgeleverd te worden. Hij zal ”zijnde op een kruijs gebonden van onderen op levendig geradbraakt worden”, tenzij justitie op basis van de wet een andere vorm van doodstraf zou overwegen. Dan komt er een verrassende wending!

Vanuit Maastricht vraagt op 20 oktober L.W. van den Heuvel aan het gerecht om het extract uit de “criminele rolle van den 7e oktober laestleden” nog eens goed te bekijken. Hij geeft aan dat een simpele herroeping van de beschuldiging niet genoeg is om hem aanstonds vrij te spreken, maar dat er nauwgezet gekeken zal moeten worden naar de relatie vooraf tussen de beschuldigde en de beschuldiger, en wel gelet “op den 31 artikel van de Criminele Ordonnantie van Karel de V, anno 1532”. Wat was er aan de hand? Er waren kort tevoren “twee vilders van de Lommererberg” vrijgelaten, omdat bleek dat de beschuldigers hen valselijk hadden beschuldigd uit vijandschap en nijd. Belangrijk in dit opzicht was dat de vijandschap ook daadwerkelijk geconstateerd was door justitie. Van den Heuvel vraagt justitie om in het geval van Boumans nog eens te bekijken of vijandschap of nijd ook hier de oorzaak waren van de beschuldigingen, of dat er andere plausibele redenen waren om de gedetineerde te betichten van kwade zaken. Verder laat hij het aan justitie over hoe het beste en het voorzichtigste in deze zaak te handelen gezien alle omstandigheden, aldus de onderdanige en gehoorzame dienaar L.W. van den Heuvel.

Boumans hangt!!!

Op 1 november 1773 volgt het vonnis in de zaak van luitenant-hoogdrossaard Farjon tegen Thomas Boumans, gedetineerde en beklaagde, het laatst gewoond hebbende op Roebroek onder Heerlen. Na rijp beraad, gelet op de akten en andere zaken, en de bekentenis van de beklaagde buiten pijn en banden meenemende, comdemneren de schepenen van de vrijheid en hoofdbank Heerlen uit naam van de Staten Generaal der Verenigde Nederlanden de beklaagde om “met de coorde gestrafft te worden dat er de dood naer volgt, voorts zijn doode lichaem in een keeten geklonken aan de galge zal blijven hangen”. De gedetineerde zal naar bevinden van het gerecht alle kosten betalen, en zijn goederen worden geconfisceerd, aldus J.W. Cotzhuijzen, secretaris. Zo ontsnapte ook Thomas Boumans niet aan de lange arm van het Limburgse gerecht. In het overzicht van de rentmeester van de administratie van de drie landen van Overmaze van zeven december 1776 over de bank van Heerlen, wordt bij Thomas aan opbrengst van geconfisceerd goed niets vermeld. Bij vader Frans staat een bedrag van vijf gulden aan meubels vermeld. Ook hij werd ter dood gebracht. De kosten voor hem van de advocaat en procureur bedroegen 108 gulden en tien stuivers. De in dit verband eerder genoemde Matthijs Sengen, was een vette vis voor justitie. Onder het “montant van het geene ontfangen is”, staat een bedrag van f 641-17-1,,. Matthijs had meer met zijn leven kunnen doen.

Jo Vromen

 

Huize ten Esschen deel 4

De gebouwelijke situatie

J.F. van Agt beschrijft Huize ten Esschen in zijn in 1962 bij Staatsdrukkerij-en Uitgeverijbedrijf te Den Haag verschenen boek, “De Nederlandse monumenten van kunst, Zuid-Limburg, uitgezonderd Maastricht”, als volgt:

“Wijngaardsweg 104. Hoeve om gesloten binnenplaats, schilderachtig gelegen op het kruispunt van de Eschenderweg. Aan de straat baksteen met speklagen, XVII met herstellingen in mergel en baksteen, gewit. Aan de achterzijde vakwerk, XVII met latere baksteenvullingen. Een puntgevel met speklagen, XVII, en twee van mergel, XVIIId. Beneden eenvoudige segmentboogvensters en segmentboogingang; voorts segmentboogvensters in hardsteen, type Ia; de bovenvensters ten dele in hardsteen; alles XVIIId. De ingang met het restant van een Lodewijk XVI-bovenlicht”.

Bijzondere zaken rondom Ten Esschen

 De overval “in den herberge op Ten Essche”, in december 1755

 De overval van 31 december 1755 op Hoeve ten Esschen is uitgebreid gedocumenteerd in het boek van Guus Ramaekers en Theo Pasing uit 1972. De titel “De woeste avonturen van de Bokkerijders” laat al weten waar een en ander over gaat. De inbraak geschiedde bij de dan dertigjarige Joseph Wielders, die er een herberg, winkel en boerderij beheerde.

Een van de betrokkenen blijkt een zekere Willem Vroomen te zijn, (Rijckheit, archief schepenbank # 1168). Hij wordt op 13 augustus 1775 te Heerlen gevonnist. In het vonnis kunnen we lezen waar hij allemaal schuldig aan zou zijn. De officier van justitie was in dit geval luitenant-drossaard J.G. Farjon. Hij wilde de gedetineerde en beklaagde Willem Vroomen wel het vuur aan de schenen leggen, figuurlijk dan. Willem blijkt op dat ogenblik veertig jaar te zijn, hetgeen zou betekenen dat hij op het moment van de overval op Wielders 22 jaar geweest moet zijn. Een jongeling dus op het misdadigers pad. Willem was geboortig van Heerlerheide en van beroep “stroodecker”. Volgens het vonnis was hij aan verscheidene delicten schuldig en had hij ook de gruwelijke eed van de bende op de duivel gezworen. Hij bleek een van de mannen te zijn die “alhier op Ten Essche in den herberge “ aan de brute overval had meegedaan. Hij werd nog van meer zaken beschuldigd: van de inbraak bij Martinus Schröders in 1762, de inbraak in 1762 in het Panhuijs te Wijnandsrade, een inbraak bij de weduwe Jansen in Immendorf, en nog een paar andere zaken. Justitie was van mening dat al deze euveldaden niet getolereerd konden worden. Zij moesten “ten uijtersten strafbaar” zijn. Uit naam van de Verenigde Nederlanden en na rijp beraad, besloot de schepenbank van Heerlen hem tot ophanging te veroordelen. De bekentenis van Willem, “buiten pijn en banden”, werd voor alle zekerheid nog apart door het gerecht in het vonnis vermeld. Toch zal Willem van de tortuur geproefd hebben, en dan werden er ten gevolge van de hevige pijnen allerlei namen genoemd. Na de voltrekking van het vonnis, zou hij volgens de rechtbank als afschrikwekkend voorbeeld aan de galg moeten blijven hangen. Hij werd uiteraard veroordeeld tot de kosten, en al zijn goederen werden daartoe in beslag genomen. Uit de opbrengst werd o.a. de luitenant- drossaard uitbetaald. In veel gevallen was er echter bij deze arme sloebers weinig of niets te halen. Willem zou direct na publicatie van het vonnis gehangen worden. Uit de Generale Staat van de administratie van W.H.van Panhuijs, rentmeester van Overmaze voor de Staten Generaal van zeven december 1776 , betreffende de opbrengst van geconfisceerde goederen, blijkt dat Willem Vroomen (nr.37) goed was voor “ f 6-,, aan meubelen, f 23-2-2,, aan bestiaalen en f 208-14-2,, aan vaste goederen”. Dat viel mee! Onder nr. 29, wordt nog een andere Willem Vroomen genoemd, bij hem was niets te halen.

Piter Mingelers, 55 jaar oud, is de volgende die terecht staat, gezien zijn betrokkenheid bij de overval te ten Esschen. Weer geeft het gerecht in een prachtige volzin weer waar ze allemaal op gelet hebben om tot een weloverwogen vonnis te kunnen uitspreken. Piter was wolspinner van beroep, afkomstig uit Retersbeek-Klimmen en werd ervan beschuldigd zich ingelaten te hebben met de beruchte bende knevelaars en nachtdieven. Ze hebben heel wat op hun geweten volgens de rechtbank. Geweldpleging, diefstallen , inbraken, kortom het waren beslist geen eerbare burgers. Het betoog begint met het feit dat Mingelers en zijn makkers zich “ pligtig en handdadig hebben gemaekt aen den Violenten diefstal verselt met huijsbrake gebuert in de herberg op den Esschen”. De veelpleger wordt nog van meer zaken beschuldigd. Zo is er de inbraak bij juffr. Stijntjes in september 1770 in Havert, en de diefstallen bij Campo in de buurt van Schimmert, en bij Habets in “Grijse grubben” (Nuth).

Piter had nog meer euvele daden op zijn kerfstok. Hij had ook deelgenomen aan de beruchte overval op “Henricus Ritsen in het Panhuijs tot Wijnandsrade”, in april 1762. Men verdenkt hem zelfs van nog meer kwaadheden, en dat is volgens justitie “ niet tolerabel in een land alwaar goede politie en justitie vigeert”. Piter wordt veroordeeld om naar de Bank van Klimmen gebracht te worden, waar de scherprechter met het koord zijn werk zal doen. Hij moet eveneens in het kader van de bekende afschrikking voor het gewone volk aan de galg blijven hangen. Piter moet zoals gewoonlijk zelf voor de kosten opdraaien, maar dat zal zijn minste zorg geweest zijn! Met deze problemen zou zijn enige zoon te maken krijgen. Het vonnis wordt voltrokken op “de gemeene heijde aen den Lommelenberg”, de gebruikelijke executieplek.  De schepenen kijken toe, en bij afwezigheid van de luitenaant-drossaard, zal de president-schepen Craen het justitiestokje breken. Was getekend 3 oktober 1773! De kosten van de advocaat en procureur, deel Valkenburg, bedroegen f 167,-, hetgeen door een uitgebreide specificatie nader toegelicht werd. Mingeler’s vruchten te velde brachten twaalf gulden op, en zijn vaste goederen waren goed voor 202 gulden en zes stuivers. Zijn meubels moeten niet veel voorgesteld hebben. Ze brachten niets op, of wellicht nog duidelijker, ze waren nauwelijks aanwezig en helemaal niets waard.

Ten_Esschen10

Ten Esschen op de Tranchot kaart uit 1804

 

 

Huize ten Esschen deel 3

De rol van de Keurkeulse Mankamer

Het aartsbisdom Keulen was gedurende zeer lange tijd, vanaf het midden van de dertiende eeuw tot aan het begin van de Franse tijd in 1794, in het bezit van lenen in de Heerlense regio. Het bisdom omschreef deze lenen als leenroerig (een leen bleef in het bezit van de leenheer, maar de rechten op het leen van de leenman konden vaak overgedragen worden bij vererving door het leen te verheffen), als Valkenburgse lenen. Om alle mogelijke bijzonderheden omtrent de lenen en de daartoe behorende goederen en gronden te kunnen overzien werd op een centrale plek een gerechtshof opgericht. Het was een soort kantoor, waar men uit naam van de leenheer, in dit geval het bisdom Keulen, de administratie van de lenen en de betrokken personen in al zijn facetten opschreef en behartigde. De mankamer had ook leden, in de vorm van diegenen die tegen betaling een stuk land en/of een hoeve in leen hadden. De mankamer werd geleid door een stadhouder die met een griffier de administratie verzorgde. Vanaf 16 april 1246 zou er sprake zijn geweest van Keulse lenen in de regio Heerlen. Dr.Frans Gerards documenteert dit omstandig aan de hand van uitgebreid historisch bronnenonderzoek. Van de Venne en Rosenkrantz ( Maasgouw 1893) trachtten dit ook aan te tonen. Zo haalt de laatstgenoemde een copieboek van Siegfried van Westerburg aan, die van 1275 tot 1297 aartsbisschop van Keulen was. Op bladzijde 31 worden de leenmannen genoemd, waaronder ook Godefridus de Esgen (ten Esschen). Volgens Gerards is het niet onwaarschijnlijk dat er dan ook leengoederen bij betrokken waren.  Van de Venne geeft aan dat de Keurkeulse Mankamer eigenlijk haar oorsprong te danken heeft aan de bezittingen van de graven van (Are)Hochstaden, die in het derde kwart van de 13e eeuw ook hun in de regio Heerlen gelegen goederen aan het aartsbisdom geschonken zouden hebben. Gerards concludeert dat er vanaf 1246, na de schenking door de van Hochstadens sprake is van Keulse lenen in het Heerlense gebied. De eerste leenheer was aartsbisschop Koenraad van Hochstaden.

Vanaf dat ogenblik werd al hetgeen met de lenen te maken had door de bisschop zelf afgehandeld. Pas toen Frederik de Derde van Saarwerden (1372-1414) aartsbisschop werd, ontstond er een degelijke administratie en kwamen de eerste ambtmannen (plaatsvervangers) in beeld. Dat betekende in feite de start van een proces om een Keurkeulse mankamer in dit gebied te laten ontstaan. Daarbij heeft ongetwijfeld een rol gespeeld dat het makkelijker was om in de regio zelf de lenen effectief te besturen. Op 16 september 1393 werd ridder Gielis van den Wyer benoemd tot ambtman. Van daaruit vond gedurende acht jaren een geleidelijke evolutie plaats, die uitmondde in de oprichting van een zelfstandig functionerende leenhof in 1401. Of de plaats van de leenhof al onmiddellijk in Heerlen was, is niet duidelijk. Gerards geeft een tweetal aanwijzingen dat het mogelijk is dat de mankamer er al vanaf 1401 was. Een eerste is het leenboek dat de verheffingen van 1401 tot 1429 beschrijft. Het gaat hierbij echter wel om een zeventiende eeuws afschrift. Op de eerste pagina staat: “Mankammer Herlo oder Falckenberg”. Een tweede aanwijzing wordt gevonden in het feit dat op 28 juni 1402 in Heerlen door twee leenmannen twee huizen worden verheven. “Dat ein geheyten Heyenhaus und das ander herrn Deutschen in ober Heyen”. Volgens Lindelauf is daarmee vermoedelijk het manhuis bedoeld. Of dat een logische zaak was, is niet direct aannemelijk. Tot dan toe hadden de meeste beleningen in Aken plaats gevonden. Volgens Gerards is de benoeming van Gielis van den Wyer de reden. Hij was een man uit de regio, met bezittingen in en om Hoensbroek. Wellicht heeft hij het laatste woord gehad in de bepaling van de juiste plek voor de mankamer. Dat werd een plek in de huidige Emmastraat. De mankamer is overigens in 1870 afgebrand, en niet meer herbouwd. De rol en functie van de Keurkeulse Mankamer is uitgebreid gedocumenteerd in het artikel van dr. Frans Gerards in het Land van Herle  nr.4, 2003.

De Franse tijd

 Toen de Fransen hier in 1794 de baas werden, werden er snel allerlei plannen beraamd om een einde te maken aan de bestaande regels en privileges. Zo wilden ze een einde maken aan de voorrechten van heerlijkheden, kerken enz. om de pacht in natura te ontvangen. Het doel van de Fransen was natuurlijk om snel aan geld te komen. Daarvoor was een belasting op onroerend goed uitermate geschikt. De bezetter moest daartoe inzage hebben in het kadaster der Lenen. Eind oktober 1795 eiste de centrale administratie te Maastricht dit kadaster van de Mankamer op, en wel via de Heerlense Municipaliteit. Dit stuitte alom op weerstand en er werden allerlei uitwegen gezocht. Op vier januari 1797 antwoordde men dat het niet mogelijk was op een dergelijke korte termijn de waardeschatting van alle eigendommen ten behoeve van de grondbelasting in kaart te brengen. Die brief werd ondertekend door de Heerlense commissarissen repartiteurs en dhr.Hennen, agent municipale. Op 22 februari 1797 gaf de maire-adjoint van Heerlen, L.Pluymakers, de heren de opdracht om met grote haast de instructies van de Fransen uit te voeren.  Op 16 mei 1797 nam het departement Nedermaas het besluit dat in elk kanton een commissaris zou worden benoemd, die de taak kreeg om de benodigde” leggerboeken” samen te stellen. In Heerlen viel die eer ten deel aan burger Sternbach, oftewel kolonel baron de Sternbach, uit Vaals. Onder zijn leiding werd er al binnen acht dagen gestart. Heerlen werd verdeeld in vier stukken, en de dorpen Voerendaal en Nieuwenhagen werden toegevoegd. Geheel in stijl met de revolutionaire idealen werden de betrokken secties de namen “Liberté, Fraternité, Égalité en Republique” gegeven. Ten Esschen had samen met Voerendaal het voorrecht om tot de sectie Égalité te behoren. De afhandeling van een en ander had heel wat voeten in de aarde, en naar het schijnt was het kadaster in 1807 nog niet gereed. Ook de revolutionaire politiek had het klaarblijkelijk zwaar om hun zaken voor elkaar te krijgen. Het was wel een verbetering, daar alle eigendommen nu eindelijk met vermelding van eigenaar(en), en grootte opgenomen waren.

 

Hrl_TenEsschen_4173

Huize ten Esschen toen alles anders was!!

 

Huize ten Esschen deel 2

De politieke verhoudingen vanaf de elfde eeuw tot aan de Franse tijd

Na het verdwijnen van de Romeinen uit de Heerlense omstreken duurde het een lange tijd, alvorens onze streken weer in een document genoemd werd. In het Land van Herle uit mei- juni 1952 vermeldt dr. F.Senden C.I.C.M. een akte uit 1065, waarin Udo, bisschop van Toul in Frankrijk, uit zijn eigen patrimoinum het allodium Herle aan zijn kerk ten geschenke geeft.

Behalve dat gaf hij ook nog een deel van de gelden af, die hij ontving uit de inkomsten die de kerken binnen dit allodium ontvingen. Een allodium is een bezit waarover het eigendomsrecht vrijwel absoluut is, en nauwelijks onderhevig is aan wetten of regels. De akte noemt een Andreaskapel te Heerlen. Het is niet meer te achterhalen waar ze gestaan heeft, of wanneer ze gesticht is. Er staat wel dat de kapel behoorde tot de moederkerk (de Laurentiuskerk) van Voerendaal. Die werd in 1049 door Paus Leo IX ingewijd, en dat maakt duidelijk dat de kapel toen al bestond. Leo IX bevond zich op 27 juli 1049 overigens te Aken, op korte afstand slechts van Voerendaal. Hij verbleef een maandje eerder, van 25 juni tot vijf juli in Keulen, als gast van keizer Hendrik IV. Tijdens zijn reis zegende hij meerdere kerken in, zo ook die van zijn goede vriend Udo van Toul te Voerendaal.

Het Heerlense gebied hoorde verder tot 1244 als domeingoed toe aan de graven van Ahr- Hochstaden uit de Eifel. In de “Annales Rodenses” wordt Heerlen in 1121 aangemerkt als “proprium”, het bezit van graaf Theodorich van Are. In het jaar 1087 vinden we de naam van Are voor het eerst terug. Bisschop Udo van Toul behoorde ook tot het geslacht van Are.

Theodorich wordt zelfs vermeld als “Theodoricus de Herlar”. Theodorich had zijn allodia in Heerlen en Steinfeld van zijn oom Udo gekregen. Hij was de eerste uit het geslacht die van keizer Hendrik IV de titel graaf van Are mocht voeren. Theodorich en zijn zonen waren ook de initiatiefnemers van de bouw van de Pancratiuskerk in Heerlen. Lotharius, de oudste van zijn zes zonen, erfde het graafschap en de titel. In de oorkonden is hij terug te vinden als “comes”, hetgeen graaf betekent. Eind twaalfde eeuw kwam het allodium Heerlen in handen van de van Hochstadens, altijd al de machtigste partij. Lotharius de Tweede, graaf van Hochstaden raakte met zijn zoon Theodorich betrokken bij een gewapend conflict dat zijn broer Koenraad van Hochstaden, de aartsbisschop van Keulen had met hertog Henrik de Tweede van Brabant. Hendrik moet toen volgens Jan van Heelu in zijn “Rymkroniek” het castrum of fort Heerlen verwoest hebben, “dat hij Herle brac”! De hertog van Brabant, ook wel de Edelmoedige van Brabant genoemd, wist in 1239 tijdens de gevechtshandelingen Heerlen in zijn bezit te krijgen. Na het vredesverdrag van Roermond op 23 februari 1244 dreigde er een grote opdeling van de bezittingen van de graven te ontstaan. Bij een schenking in 1246 werden alle bezitingen door graaf Frederik overgedragen aan de kerk van Keulen. Per saldo betekende dat het einde van de politieke en militaire rol van het geslacht Are-Hochstaden. In deze streek werden de hertogen van Brabant en de heren van Valkenburg de nieuwe bazen. Om de Keurkeulse en Wickrathse goederen te kunnen beheren, werden er leenhoven opgericht.

Heerlen komt aan Brabant

In 1378 werden de rechten van Heerlen, die toen in handen waren van de heer van Wickrade, overgedragen aan Wenceslaus, de hertog van Brabant. Na de overname werd Heerlen bestuurd door een schout, die administratieve, rechterlijke en financiële bevoegdheden bezat. Hij werd als ambtenaar benoemd door de hertog, maar was natuurlijk van een lagere sociale klasse dan een ridder. Rond het jaar 1500 maakte Heerlen als hoofdschepenbank deel uit van het Land van Valkenburg. De zestiende en zeventiende eeuw werden tot grote periodes van voortdurende machtswisselingen. De vrede van Munster in 1648 leverde nog geen echte periode van rust en vrede op voor het gebied. De toestand bleef chaotisch, waarbij rondtrekkende en plunderende soldaten van verschillende partijen een destructieve rol speelden. In 1661 werd Heerlen ten gevolge van het Partage-Tractaat definitief Staats. Heerlen werd geregeerd vanuit Den Haag, als onderdeel van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Het ommeland, met plaatsen zoals Oirsbeek, Schaesberg en Brunssum werd Spaans bezit.

In 1672 verovert het Franse leger Heerlen. In 1678 komt er weer een einde aan het Franse avontuur. Na hun vertrek valt Heerlen wederom onder Staats gezag, hetgeen duurt tot 1793, toen de Fransen opnieuw de verleiding niet konden weerstaan om ons op te zoeken! In 1795 wordt Zuid-Limburg onderdeel van het departement Nedermaas ,” La Meuse Inferieure”,waardoor Heerlen onder het kanton Valkenburg komt te vallen. Op drie maart 1796 worden Heerlen, Voerendaal, Nieuwenhagen en Schaesberg hiervan afgescheiden en vormen voortaan samen het kanton Heerlen.

Huize ten Esschen deel 1

Uit de brochure: Haar geschiedenis, haar pachters en een familiestamboom

Door J.J.Vromen en Paul Vromen

 Een historische en geografische schets van ten Esschen en omgeving

 Het zuiden van Limburg is geologisch gezien de noordelijke uitloper van de middengebergten in de Eifel en de Ardennen. Voor de tektonische opheffing van dit gebied was Zuid-Limburg een schiervlakte: een gebied dat door erosie vrijwel volledig was afgevlakt. Door de opheffing, een paar miljoen jaar geleden, konden de Maas en ook haar zijrivieren zich in fasen in deze schiervlakte insnijden. Het reliëf in onze streken is dan ook in die lange periode ontstaan. De Geleenbeek, die te Benzenrade ontspringt en in Stevensweert in de Maas uitmondt, behoort ook tot deze beken. De Retersbeek en de Luiperbeek (monding in Weustenrade), zijn zijbeken van de Geleenbeek. Tussen de dalen, treffen we dan ook de vele plateaus aan die kenmerkend zijn voor ons landschap. Ten Esschen ligt op een dergelijk, zij het kleiner plateau, zeer zeker gezien vanuit de regio Voerendaal en Swier. Wanneer hier de eerste bewoners zijn neergestreken is niet bekend. Maar er is al sinds een periode van 7000 jaar sprake van continue bewoning in Zuid- Limburg, en waarom niet in de Essensche regio! De favoriete eerste vestigingsplaatsen van onze voorouders in die tijd waren dan ook de hoogtes aan de randen van het Maasdal en de beekdalen, waar men immers kon beschikken over water en graslanden. Die waren in overvloed aanwezig.

In de IJzertijd en de Romeinse tijd is het in cultuur brengen van de beekdalen verder voortgeschreden. De plateaus echter, waren in deze tijdsspanne nog veelal maagdelijk bebost. Onze vrienden uit Italië echter maakten een begin met het ontginnen van de hoogtes en stichtten ook grotere boerenbedrijven, de z.g. villa’s. Deze zorgden ervoor dat met de oogst van de landerijen de omgeving en de eigen legergarnizoenen van voedsel voorzien konden worden. Er bevonden zich belangrijke Romeinse nederzettingen in Maastricht en Heerlen die baat hadden bij een goed wegennet. Plaatsen waar mensen hun nederzettingen vestigden, lagen steeds aan de kruising van wegen. Zo lag Heerlen (Coriovallum), op de kruising van de verbindingswegen Xanten-Keulen en Boulogne-Keulen. We moeten zeer zeker niet denken dat de Romeinen enkel en alleen zorgden voor verbindingswegen. Tussen elke nederzetting en tussen elk gehucht zullen lokale bewoners steeds verbindingspaden gemaakt hebben, die ervoor zorgden dat men makkelijker van de ene plaats naar de andere kon gaan. De twee in Zuid-Limburg gevonden wegen dateren uit de tijd van Constantijn de Grote, (310-315), en representeren de laatste periode in het toenmalige wegenonderhoud. Ten Esschen lag ook aan een oude handelsweg die van Maastricht naar Geilenkirchen liep. Overigens staat Heerlen op de door de geleerde en monnik Konrad Peutinger (1465-1547) vervaardigde kaart, vermeld als Cortovallio, hetgeen volgens de huidige stand van zaken de juiste naam zou zijn. De betekenis van de naam is dan, “versterkte hof”. Rond het midden van de derde eeuw bereikt het aantal inwoners in onze regio het grootste aantal. Daarna neemt het snel af, mede veroorzaakt door de ineenstorting van het Romeinse rijk in politiek militair en economisch opzicht. In de dalen bleef de bewoning deels overeind, maar de grote villa rustica’s die eens van voorspoed getuigden, werden deels verlaten.

In Voerendaal kon villa Ten Hove zich wel redden in het crisisgewoel. In de loop van de vijfde eeuw naam de invloed van het tanende Romeinse imperium steeds meer af. Het gebied in kwestie bleef bevolkt, maar over heel Zuid-Limburg bezien, nam de bevolking af. De plateaus werden verlaten, waarna na de Romeinse tijd de bebossing op die plekken begrijpelijkerwijs weer toenam. Rond het jaar 700 daalde het aantal inwoners in het zuiden van onze provincie tot een dieptepunt. Daarna was er sprake van een gestage stijging van het inwoneraantal, een trend die zich een kleine honderd jaar voortzette. De plateaus waren nu niet direct de favoriete plaatsen meer om zich te vestigen. Dat gebeurde nu juist in de rivier- en beekdalen. Voorbeelden daarvan zijn de dorpen Geulle en Stein, maar ook Meerssen, Geulhem en Epen. De beekdalen herbergden immers de grote uitgestrekte eigendommen van de Merovingische en Karolingische vorsten. Daar loonde het zich ook om er te wonen, want vooralle economische activiteiten die er plaats hadden waren mensen nodig. Meerssen was in het midden van de tiende eeuw een groot rijksdomein met een oppervlakte van 968 ha. Al vanaf de vroege middeleeuwen werd het grondgebied in het zuiden verdeeld tussen de hertogen van Brabant, Gelre en Gulik, en de prins-bisschoppen van Luik en Keulen. Deze twee laatstgenoemden waren onderhorig aan de Keizer van het Grote Roomse Rijk. Ze gedroegen zich niet altijd als goede “half wereldse-half religieuze” vrienden, maar als machtswellustelingen, hetgeen tot felle conflicten en onvermijdelijke opdeling van het bezit leidde.  Het rijksgoed slonk allengs, doordat het soms uit pure nood als leengoed aan pachters (leenmannen) werd uitgegeven. Op deze wijze kwam er geld binnen om een vaak luxueus en verkwistend leven te bekostigen. Uit strategische overwegingen werd het rijksgoed ook gebruikt om kloosters een machtsbasis te verlenen. Op hun beurt waren deze katholieke bastions weer trouwe partners van de heren machthebbers.

In deze periode speelde het hofstelsel een belangrijke rol als economisch organisatiemodel. De hof was het epicentrum van het  bestuurlijke en economische reilen en zeilen. De hof was ook de woonplek van de heer of van zijn plaatsvervanger. In zijn algemeenheid kun je stellen dat het land opgesplitst werd in twee units. Het domein- of vroonland werd bewerkt ten faveure van de heer. Het andere deel diende de van hem afhankelijke boeren oftewel pachters. Dat waren zijn horigen, die op dat land voor eigen rekening konden werken. De Benzenraderhof in Benzenrade zou een voorbeeld kunnen zijn van een hof die past binnen het hofstelsel. Al in 1281 wordt hier een zekere Bercholphus van Bensenrade genoemd. In de 14e eeuw wordt Reyner van den Esschen als leenman van het goed genoemd. Vanaf die centrale plek, zal de nederzetting zich waarschijnlijk verder ontwikkeld hebben.

Hoeve Ten Esschen 1942

Huize ten Esschen in oorlogstijd, 1942. Mijn tante Miet was de de zaak aan het aanvegen.

Josef Ponten, 1884-1940, auteur van “Die Bockreiter” 1919

Ponten werd in het bij Vaals gelegen Raeren geboren en is bij Bokkenrijders “afficionados” bekend om zijn novelle “Die Bockreiter”, een 156 pagina’s tellend boekje dat in het jaar 1919 bij de Deutsche-Verlags Anstalt in Stuttgart werd uitgegeven. In ons land is dit werk in een Nederlandse vertaling van Drs. F.Engler verschenen bij uitgever Holle & Co in Den Haag. Op de omslag treffen we een prachtige prent aan van een persoon die zich gezeten op een grote bok door het luchtruim voort beweegt.

Het boek is onlangs nog in Duitsland bij Grenz-Echo ANG opnieuw uitgegeven in een door Günther Krieger  bewerkte vorm.

“Eine Bande von Schelmen – “man nennt sie “Bockreiter” – treibt in den 1760er-Jahren ihr Unwesen im Aachener Land und in Eupen. Zunächst sind es nur derbe Streiche, die auf ihr Konto gehen. Doch bald kommt es zum Entsetzen des Bockreiter-Hauptmannes zu Raub, Mord und Totschlag.

Die Novelle von Josef Ponten erschien erstmals 1919. Günter Krieger, Autor zahlreicher Historienromane, hat sie zeitgemäß bearbeitet. Ein Portrait Pontens, der zu seiner Zeit sehr bekannt und erfolgreich war, sowie eine Abhandlung über die Zeit der Bockreiter und deren Anführer Joseph Kirchhoffs komplettieren das Buch”.

Ponten was zeer goed bevriend met de schrijver Thomas Mann, een vriendschap die bij de machtsovername van Hitler in 1933 al grotendeels verdwenen was, en is voorts de enige Akense dichter en auteur die met vele prijzen overladen is. Ponten was een zeer gestudeerd man en expert op het gebied van wijsbegeerte, architectuur en kunstgeschiedenis. In dit laatstgenoemde vakgebied promoveerde hij in 1923 op een werk van de schilder Alfred Rethel. Ponten tekende in oktober 1933 de “Gelofte van trouwste volgzaamheid” tegenover de Führer, maar werd geen partijlid. Hij hield zich als het ware aan de zijlijn op, om slechts die contacten met partijleden te onderhouden die hem enige vrijheid van beweging gaven. Een echte nazi volgeling was hij geenszins. Toch stelde hij zich gedreven door geldgebrek vanaf 1937 gewilliger op ten opzichte van de bruinhemden en consorten. Het belette niet dat hij in het nazi-milieu hard werd aangepakt.

In het tijdschrift “Der SA-Mann”van februari 1938 verscheen anoniem een hekelend artikel over Ponten Daarin stond onder meer dat hij door de Joden beïnvloed was en dat hij in contact stond met Joodse vrienden in het buitenland. Dat was nog niet alles. Hij zou ook de Sovjet-Unie verheerlijken, en nog altijd een bewonderaar van de door de nazi’s verguisde Thomas Mann zijn. De schrijver van het artikel verbaasde zich erover dat Ponten met twee literaire prijzen was bedacht. Ponten verdedigde zich in een lang verweerschrift dat hij voor alle zekerheid aan Goebbels liet toekomen. Hij werd vanaf dat ogenblijk door de Gestapo nauwlettend in de gaten gehouden, en  zijn Europäisches Reisebuch (1928) werd bij zijn uitgever in beslag genomen, zijn woning werd doorzocht en zijn reisvisum ingetrokken. Voor Ponten behoorden zijn geliefde buitenlandse reizen nu tot het verleden. Men wilde hem zelfs arresteren, maar zo ver kwam het niet.

Hij overleed op 3 april 1940 in München, net voordat de gewetenloze Duitse moordmachine volledig op gang kwam.

 

Een foto van de bewerkte heruitgave volgt hier beneden:

ponten bockreiter

 

 

Beneden: De Nederlandse vertaling van het boek uit 1919

bokkerijders pongten

Door J.Vromen

Beek, een hoofdbank in het Land van Valkenburg rond 1778, naar ds.Bachiene

Beek als transit dorp

Als gestudeerd aardrijkskundige kon je dominee Bachiene (1) vertrouwen als hij vertelde dat het dorp Beek twee uur noordwestwaarts van Maastricht en grenzde aan de limieten van het hertogdom Gulik, dat vanaf 1742 werd geregeerd door een heer “op afstand”, de hertog van het vorstendom Paltz-Sulzbach. Dit hertogdom begon zuidelijk van Venlo en liep Sittard inhoudende, langs Kornelimünster nog een stuk zuidwaarts door. Zoals vele dorpen ontleende Beek zijn naam aan een beek die naar de Geleenbeek stroomde. Het dorp was van “een wyde uitgestrektheid” en bezat een godshuis dat aan St.Maarten toegewijd was, en “van gemeen gebruik” was voor gereformeerden en roomsgezinden. Bachiene vertelt dat de protestantse gemeente een aanzienlijk aantal leden bezat, zeer zeker als hij in ogenschouw nam dat het dorp zich in een uiterst roomse regio bevond. Hij gaf er ook een reden voor. Vele gereformeerde ingezetenen van Elsloo, alsmede van het buurtschap de Maasband dat tot de heerlijkheid Leuth behoorde, bezochten de diensten in Beek, alhoewel ze ook de predikant in Urmond hadden kunnen opzoeken. Qua ligging was dat voor hun korter bij geweest. Daardoor was de gereformeerde gemeente Beek volgens hem “genoegzaam talryk om eenen volledigen Kerkeraad te konnen uitmaken, die aldaar een vry beroep heeft”. Qua natuur was het dorp omgeven door allerlei hoogten die “allerwege vervuld waren met vruchtbaare koornvelden”. Het dorp bezat de functie van een belangrijke “doorgangsplaats” voor personen die vanuit Maastricht te voet,te paard of met de postwagen naar Sittard of naar het Land van Gulik wilden reizen. Er bestond in die tijd al een heuse diligence-onderneming die Maastricht als startpunt had en twee keer per week op zijn route naar Venlo Beek aandeed. De diligence vervoerde niet alleen personen, maar werd ook gebruikt om het omliggende platteland te bedienen met in Maastricht gedane bestellingen van b.v. koffie en thee.

Onderhorig aan Beek

De Bank Beek bezat een aantal buurtschappen zoals Kelmond,  Oensel en Grootgenhout waar zich de buitenplaats Imbeek bevond die eigendom was van Mr.L.W.van den Heuvel, secretaris te Maastricht. Nabij Beek bevond zich ook de Graater heide, waarvan Bachiene had vernomen dat hij een oppervlakte zou hebben van 6.666 boender, een gebied dat tot gemeenschappelijk gebruik diende voor de dorpen die zich in Guliks gebied, en op Oostenrijks en Staats Valkenburgs territorium bevonden. Volgens Bachiene was het niet duidelijk waarom en wanneer een van de vorige landheren in dit gebied toestemming gegeven had voor “gemeen gebruik” van dit reusachtig gebied. De overheden van de drie genoemde landen hadden overigens in het verleden welk gebied dan ook ooit met grenspalen gemarkeerd, en de verhalen van de “landlieden” waarom het gebied vrij te gebruiken was, kon Bachiene niet geloven. Wel was er iets anders gebeurd. Onder het motto “brutalen hebben de halve wereld”, hadden inwoners van de omliggende dorpen stukken heide ontgonnen en waren voor zichzelf begonnen. Ze hadden daarvan bouwland gemaakt. Alsof die brutaliteit nog niet genoeg was, hadden ze ook nog het lef gehad om op deze gronden huizen te bouwen, iets waarvoor ze nooit permissie hadden gekregen, en waarvoor ze ook op generlei wijze belasting hoefden te betalen.

Rond de twaalfde eeuw werd het gebied zo intensief gebruikt dat het bos zich slecht herstelde; het werd deels een heidegebied. Dit kwam door houtkap voor woningen en door intensieve beweiding met schapen. In 1536 vergaderde de adviesraad over dit probleem en besloot het gebied op te delen. Bewoners van elk dorp mochten alleen hun deel van Graetheide gebruiken. De grenzen werden met greppels aangegeven. Het had weinig resultaat; op een vergadering in 1609 werd het probleem weer besproken. In de loop der jaren werd het gemeenschappelijke gebied steeds kleiner doordat er aan de randen grond verkocht werd. Eind 18e eeuw ontstond er ruzie over het gemeenschappelijk gebruik; in 1775 werd op een vergadering in Sittard gepraat over het verdelen van Graetheide onder de omliggend dorpen en werd afgesproken dat bewoners delen in erfpacht konden krijgen. De verdeling leverde echter veel discussies op die zich tot 1812 zonder resultaat voortsleepten. In 1818 werd door de provincie een beslissing genomen, die door koning Willem 1 in 1819 werd bekrachtigd.
Vooral de kleine boeren, die geen geld hadden om grond te kopen waren de dupe. Ze hadden veel profijt van de gemeenschappelijke grond en raakten dit allemaal kwijt. De bevolking kwam hiertegen in opstand. Veldwachters werden bedreigd met mestvorken en geweren. Discussies in gemeenteraden en procedures sleepten zich voort tot 1853. Vooral Urmond en Berg voelden zich benadeeld omdat ze veel minder gebied kregen dan wat ze tot dan toe in gebruik hadden. Het verzet leverde echter niets op (2).

Overheden komen zoals gewoonlijk pas laat in actie

Op een gegeven ogenblik drong de impact van deze toestand ook door tot de verschillende autoriteiten, zoals de Keurvorst van Palts die verantwoordelijk was voor het Hertogdom Gulik, en de Staten van Holland als bezitter van het Land van Valkenburg. Na rijp beraad waren ze overeen gekomen om elk een aantal commissarissen nar het gebied te sturen die de opdracht hadden om een bekwame landmeter te engageren die de Graater heide op deskundige wijze zou opmeten en die ook voor een getekende kaart zou kunnen zorgen, “met het oogmerk de gansche heide te verdelen ten einde elk met zyn eigen aandeel voortaan naar goedvinden te laten handelen”! Bijzonder was dat de zuidelijker gelegen Heerlijkheden Berg en Bemelen die resp. eigendom waren van het St.Servaas kapittel en O.L.Vrouwe kapittel hun beden ( hulpgelden of belastingen waar de vorst of heer zijn onderdanen om vroeg) onder de Bank Beek moesten betalen.

Beek na het Partage Tractaat uit 1661

Beek (3) (werd als resultaat van deze overeenkomst tussen de Spaanse koning en de Staten Generaal opgedeeld. De midden door de gemeente lopende nieuwe landsgrens hield in dat Beek met Groot- en Kleingenhout, Geverik, Kelmond, Oensel, en een deel van Neerbeek tot de Republiek der Nederlanden ging behoren, en Geleen, Spaubeek en het overige deel van Neerbeek Spaans gebied zouden worden. Roomse inwoners van Beek die vanaf dan door de gereformeerde overheid van hun godsdienstvrijheid beroofd werden, zochten hun toevlucht in een schuurkerk in het buurtschap  Hobbelrade. Het zou nog tot 1683 duren eer de banvloek tegen de roomse geestelijken zou worden opgeheven en inwoners weer in hun eigen kerk in hun eigen dorp terecht konden. Pas in het jaar 1836 zouden beide religies over een eigen kerkgebouw gaan beschikken.

Jo Vromen

1 W.A.Bachiene

2 Graetheide comité

3 Heemkunde vereniging Beek

 

Het graafschap Vroenhove, vrij naar een beschrijving van Bachiene in 1778

Vrijheid van schot en last

“Het graafschap wiens grondgebied reeds binnen de stadsmuren begint, strekt zich een smalle strook richting westen uit en wordt aan bijna alle kanten omgeven door Luiks territorium, behalve aan de noordzijde waar het grenst aan de Vrije Rijksheerlijkheid Petersheim,”aldus Bachiene. De oorsprong van de naam lag volgens de kroniekschrijver bij het woord “vroen of vroon”, dat in het Oud-Duitsch vrij betekende, dus zou het zo kunnen zijn dat we aan een hof of hoeve kunnen denken die of “vrijheid van schot en last heeft” of een hoeve die iemand vrijheid voor gevangenneming garandeerde zodra hij of zij er een onderkomen zou vinden. Het graafschap was altijd eigendom geweest van de hertogen van Brabant zodat het uit hoofde daarvan uitgesloten was van deelname aan het Maastrichtse bestuur en alleen onder de Staten van Holland c.q. de hertog van Brabant ressorteerde.

Vroenhove was vroeger een leen van het Duitse Rijk geweest, hetgeen nog af te leiden was uit een akte uit 1528 waaruit bleek dat men toen na een uitspraak van het gerecht in Vroenhove beroep kon aantekenen bij het Hof in Aken. In 1778 behoorde het terrein voor het Statenhuis in Maastricht nog steeds bij Vroenhove en deed het dienst als executieplek. Het graafschap was op het gebied van burgerlijk en crimineel recht onderworpen aan de Raad van Brabant in Den Haag, die op hun beurt weer de Hoge Heren naar de ogen moesten kijken. Toch bezat het graafschap weliswaar onder de paraplu van deze Hoge Heren, een eigen bestuur dat bestond uit een schout, zeven schepenen en een griffier of secretaris. De schout en de griffier bekleedden hetzelfde ambt in de Maastrichtse schepenbank en wel aan Brabantse zijde.

Een job voor het leven

Beide mannen hadden in hun ambt in Vroenhove een job voor het leven, terwijl het baantje in de stad maar voor de beperkte duur van twee jaar was, maar wel kon worden verlengd. De functionarissen uit Vroenhove vervulden ook een ambtelijke rol in het gebied van Vroenhove dat zich binnen de stadsmuren van Maastricht bevond Zaken die inwoners van het Vroenhofs grondgebied in de stad aangingen, zowel op civiel als crimineel terrein, vielen echter onder de Magistraat van Maastricht zelf. Het totale grondgebied van het graafschap buiten de stad besloeg ongeveer 2000 bunders en bestond hoofdzakelijk uit vruchtbaar akkerland.

Binnen dit gebied lagen o.a. het dorp Wilderen (Wilre) dat niet meer dan 3 à 4 huisgezinnen kende, maar wel een door de classis uit Maastricht aangestelde predikant had. De roomse pastoor die aangesteld wordt door de Landcommandeur van Alden Biesen moest zorg dragen voor de kerk, hetgeen vaker reden was voor wrijving tussen hem en het kapittel van St.Servaas dat nog een aantal tienden in dit dorp bezat. Meer naar het westen lagen de twee andere dorpen van het graafschap, Montenaken en Heukelom. De inwoners van Heukelom bleken volgens Bachiene allen rooms te zijn en behoorden tot de parochie van Riemst.

Het graafschap bezat ook nog een paar huizen op Kaberg en de buitenplaats Belvédère vanwaar men een wondermooi uitzicht had over de vlakten aan weerszijden van de Maas. Vroenhove was ook nog eigenaar van alle huizen op de weg van Maastricht naar Smeermaes, die allemaal herbergen zijnde, druk gefrequenteerd werden door inwoners en soldaten uit Maastricht. Ten slotte moest het St.Anthonis eiland in de Maas nog gerekend worden tot Vroenhofs grondgebied.

Bron: W.A.Bachiene 1778

Prent: Vroenhove op de Franse Tranchotkaart rond 1800

vroenhove ttranchotkaart