In juni 1774 moest een Valkenburgse vrouw die als cipier fungeerde in de gevangenis in het Landshuis zich aan een ondervraging onderwerpen ten overstaan van de hoogdrossaard Vignon. Mr.Willem Daniel Vignon die dit officie bekleedde, was op 18 november 1751 in Maastricht gereformeerd gedoopt. Hij was het tweede kind uit het tweede huwelijk van Adriaan Vignon, een veelzijdig multi-jobber en vooraanstaand  lid van de toenmalige elite. Vader Adriaan was in 1732 in Duitsland geboren, katholiek gedoopt  en was o.a. tijdens zijn loopbaan Heer van Meezenbroek, schout van Heerlen, hoogschout te Dalhem, ontvanger in het Land van Valkenburg en schepen en burgemeester in Maastricht. Hij was ook een tijdlang regent van het Gereformeerd Weeshuis in Maastricht, hetgeen bewijst dat hij zijn roomse religie heeft ingeruild voor de gereformeerde. Dat was alleszins begrijpelijk, want alleen als je lid was van het Gereformeerde Old Boys’ Netwerk kwam je aan allerlei importante baantjes. Zo werd zoonlief, Willem Vignon ( ook Heer van Meezenbroek), advocaat en hoogdrossaard van Valkenburg en ‘s-Hertogenrade, en schepen en burgemeester te Maastricht (1773). In 1789 emigreerde hij voor nog meer horizonnen naar de Oost, Batavia, waar hij advocaat-fiscaal werd. Dit illustreert ten enen male dat de elite toen en wellicht in het heden nog veel sterker elkaar de lekkere brokken toespeelde.

Na deze inleiding is het verstandig terug te gaan naar het onderwerp van dit artikel. Het lijdend voorwerp wordt hier gevormd door een weduwe genaamd Kreugers(Kruger), die om de eindjes aan elkaar te knopen in het Landshuis als gevangen bewaakster had gewerkt. Nu ze onder verdenking stond was ze dat uiteraard niet meer. Ten behoeve van luitenant-drossaard Vignon had het gerecht een aantal vragen opgesteld waarop de vrouw naar waarheid, ze stond immers onder ede, diende te antwoorden. Tijdens dit verhoor waren ook een drietal schepenen en advocaat C.L. de Limpens present. De eerste twee vragen gingen over het feit of ze wel degelijk cipier was geweest, en of ze wist dat ze de sloten van de cachotten moest controleren en daarna ook de sleutels tellen en opbergen. Het was evident dat ze hier bevestigend op reageerde. Vraag drie ging over een voormalige gedetineerde, een zekere Pieter Craen. De vrouw antwoordde dat ze inderdaad in de gevangenis had gewerkt toen Pieter er opgesloten was. Op een andere vraag over Craen zei ze dat deze nooit als schoonmaker van de cellen van medegevangenen had gefunctioneerd, maar dat een andere gevangene, Joes Moonen genaamd, dat karwei wel vaker had geklaard. Er bleek nu ook dat Kreugers na de grote schoonmaak zelf de cellen weer afsloot, maar dat haar dochters, die klaarblijkelijk een centje bijverdienden, dit ook wel eens deden. Ze vertelt verder dat daarna de sleutels steeds trouw aan het “knopke van het kaske” werden opgehangen.

Vignon stelt nu een wezenlijke vraag. Het gaat daarbij om de ontsnapte gevangene Christiaen Vlecken. Het gerecht wil van haar weten of ze wist of deze wel eens contact had met de andere gevangenen. Volgens de vrouw had hij helemaal geen contact met anderen. Vignon vraagt nu of het waar is dat de sleutels van de cellen wel eens verscheidene dagen op de bovenverdieping waar de cellen waren beleven liggen. Kreugers ontkent dit, maar geeft wel aan dat er wel eens kleine sleutels achter bleven. Vreemd is dat niemand vraagt naar wat dit dan voor een soort sleutels waren. Men wil nu weten of zij iets weet over de manier waarop Vlecken er in geslaagd is uit het Landshuis te geraken. Haar antwoord is ontkennend. Ze weet er niets van!

Christiaen Vlecken was een veehandelaar uit het naburige Houthem. Hij was in 1744 geboren te Waelem. In augustus en december 1773 werd hij aan een scherp examen, lees een tortuur onderworpen, en bekende daarbij “schuldig” te zijn aan een aantal “misdaden”. Zo had hij op Hof Strabeek (te Houthem), dekens, een jasje en gespen van een knecht ontvreemd. Hij had ook fruit gestolen op de boerderij van Vandervreeken, en  een varken in de Heek gestolen. Hij bekende onder de pijnen van de martelingen ook nog zaken uit een ver verleden. Zo was hij actief bendelid geweest in 1756, 1762, en 1770. Elf jaar geleden had hij zo zei hij, een paard gestolen op het Hoenshuis in Voerendaal. Hij deed zich zelf de das om door te vertellen dat hij in een kapel de eed op de duivel had afgelegd. Dat was voldoende voor de doodstraf. Hij wist echter te ontsnappen aan de grijpgrage rechters maar werd alsnog bij verstek op symbolische wijze opgehangen. Het feest moest immers doorgaan.

 

Advertenties