Een eerste verhoor

Op acht november 1774 werd Bosch voor het eerst verhoord door de luitenant-drossaard van het Land van Valkenburg en wel in aanwezigheid van drie leden van de schepenbank die tevens als rechtbank fungeerde. Bosch is van tevoren gewaarschuwd om de waarheid te vertellen hetgeen ook duidelijk aan het begin van het proces-verbaal vermeld wordt. Uit het eerste artikel wordt duidelijk dat ze 27 à 28 jaar oud is, breiwerk verricht voor de kost en nog niet getrouwd is geweest. Geertruid speelt de onschuld zelve. Zo vertelt ze op de vragen van het gerecht dat ze niet van het bestaan van een bende weet en dat haar vader zich nooit met diefstal heeft bezig gehouden. Ze ontkent ook dat er ooit bij de herberg van haar vader gestolen goederen zijn afgeleverd, of dat de herberg een plek was waar in de avonduren mensen samen kwamen om te overleggen over kwade zaken. Ze is er heel zeker van dat ze nooit heeft gehoord van bendeleden die een eed afleggen op de duivel. Ze vertelt overigens wel dat ze recent van een vrouw uit de buurt gehoord heeft dat er bij de weduwe Boshouwers een varken gestolen zou zijn. Kortom ze weet eigenlijk niet goed wat de heren rechters nu van haar willen. Bosch speelt het onschuldige plattelandsmeisje tot nu toe met verve. Dan wordt het een aantal maanden stil omtrent Bosch, die overigens wel opgesloten blijft. Pas in maart 1775 duikt ze weer op in een proces-verbaal. Het gaat hierbij om een confrontatie met een zekere Lambert Akkermans. De confrontatie van twee gedetineerden was een veel beproefd middel van de rechtbank om beschuldigden onder druk te zetten. Akkermans zat overigens ook vast op de bovenverdieping van het Landshuis van Valkenburg. De confrontatie vond plaats op zaterdag (!) 25 februari 1775. Beiden worden aangemaand om de waarheid te vertellen. Akkermans begint met aan te geven dat hij Geertruid kent. Dat is een bittere tegenvaller. Ze riposteert dat ze Akkermans niet kent! Het gerecht wil van Akkermans weten of hij Bosch al langer kent en ook wanneer hij haar dan heeft leren kennen. Lambert vertelt dat ze in hetzelfde dorp wonen en dat hij Geertruid tijdens een te Schaesberg begane diefstal heeft leren kennen. Bosch ontkent wederom Akkermans te kennen.

Bosch blijft ontkennen

Een belangrijke vraag van het gerecht betrof het feit of de ter confrontatie opgevoerde persoon, in dit geval Akkermans, zou aangeven of hij ooit “vijandschap” had gekoesterd voor de ander of dat nu nog steeds deed. Akkermans ontkende dat hij ooit, in het verleden niet en nu ook niet, ruzie of wat dan ook had gehad met Bosch. Als Akkermans aangegeven zou hebben dat hij een conflict had gehad met Bosch zou zijn verklaring van vooringenomenheid kunnen getuigen en van geen enkele waarde zijn. Lambert biechtte wederom op dat hij lid was van de beruchte bende gauwdieven en dat hij Bosch meerdere keren in bendeverband had ontmoet. Bosch ontkende opnieuw dat ze tot de bende behoorde en dat ze Lambert in het geheel niet kende. De rechters vroegen Akkermans tenslotte of hij bij al zijn verklaringen bleef. Lambert benadrukte nog een keer alles wat hij verteld had. Bosch bleef echter hardnekkig ontkennen. Deze houding zou haar later nog van pas komen. De rechtbank vermeldde aan het slot de beide namen van de aanwezige beschuldigden als “lambertus ackermans en Geert boosch”. Tja namen noteren hing af van degene die daadwerkelijk het proces-verbaal opmaakte. We zien dan ook voortdurend vele varianten.

***: De boerderij van de familie Frisschen in Aerensgenhout die door een groep mannen waaronder Geertruid Bosch in 1760 overvallen werd.

Boerderij-Diepestraat-20-DDL-20100123

 

Bron: RHCL Maastricht

Advertenties