Er waren die ochtend niet minder dan zeven leden van de schepenbank aanwezig geweest bij het strenge verhoor van Geertruid, hetgeen aangeeft hoe belangrijk men deze vrouw als getuige en als bendelid beschouwde. De ondervraging werd op donderdag middag 23 maart 1775 voortgezet in aanwezigheid van zes schepenen. De heer van Gendt ontbrak nu. De rechters vroegen haar stellig om de waarheid te spreken, maar Bosch zei nu dat ze niets wist van al het haar ten laste gelegde. Ze had van alles gezegd om maar van de vreselijke pijnigingen af te komen. De rechtbank kon dit niet waarderen en zette Geertruid weer op de martelstoel. De beul bevestigde om kwart voor drie de eerste beenklem (op het toch al  gekwetste been), en toen ze bleef zwijgen kwam een half uur later nog een beenklem om haar andere been. Geertruid, gekweld door de ondraaglijke pijnen, bekende vrij vlot weer alle eerder door haar die ochtend opgebiechte misstappen. De overval op de Frisschenhof kwam weer voorbij. Ze herhaalde nogmaals alle namen, zoals die van de chirurgijn Kerckhoffs, en zijn broer, de schoenmaker Baltus. Ze gaf ook aan dat er nog meer mannen waren bij geweest, die ze echter niet kende. Ze vermeldde trouwens dat ze door haar eigen vader “verleid” was om tot de bende toe te treden. Haar vader had volgens haar die dag gezegd “ge moet eens meede naar Genhout gaan”. Om elf uur in de avond is ze dan ook diezelfde dag met een paar complicen van haar vader via de Lommelenberg** richting Genhout gegaan. Daar waren o.a. de broers Packbier en de gebroeders Gerit en Reiner Sijben bij.

Toen ze in het gehucht aan kwamen ontmoetten ze de jood Nathan en Willem de vilder die op de Lommelenberg woonde. Zij zaten ook in het complot. Gezamenlijk zouden ze daarna naar de hof van Frisschen gegaan zijn. Bij de boerderij gekomen zag ze al andere mannen die zich met veel geweld een toegang tot het huis verschaften. Geertruid die mee naar binnen gegaan was zag daar dat de boer en zijn vrouw op verschrikkelijke wijze mishandeld werden. Ze kon dat volgens haar niet langer aanzien en spoedde zich naar buiten om in een aangrenzende wei op de anderen te wachten totdat deze met de buit naar buiten waren gekomen. Toen haar vader uiteindelijk met de anderen verscheen hoorde ze dat hij in het bezit was van het gouden kruis dat de familie in haar bezit had. Hieruit bleek dat Bosch en haar vader daarvan op de hoogte moeten zijn geweest via iemand die bekend was bij boer Frisschen. De bende nam dezelfde weg terug. Sommigen droegen zware pakken buit op hun rug, die bij aankomst verborgen werden in de kelder van de herberg van Bosch. Volgens Geertruid kwamen er diezelfde nacht joden om een deel van de buit weg te halen. Zij zouden die volgens haar al verkocht hebben aan helers in de omgeving. Na een tijdje hoorde ze heftig kloppen op de deur van de herberg. Het waren volgens haar inwoners van Aerensgenhout geweest die wilden weten of er joden in de herberg aanwezig waren. Ze wist dat de mannen uit Genhout kwamen omdat er een zekere Mees bij was die zijn naam riep. De mannen moeten dus eerst gedacht hebben dat joden uit de regio debet waren aan de overval.

De herbergier weigerde echter open te doen. Als motivatie riep hij naar Genhoutenaren dat hij voor niemand zo laat nog open deed. Het waren immers gevaarlijke tijden!! De bendeleden die nog in de herberg aanwezig waren hielden zich doodstil en aten toen de mannen vertrokken waren samen het avondeten om daarna naar huis te gaan. De rechtbank wilde weten welke kleren ze had gedragen. Trui vertelde dat ze  “haare ordinaire vrouwe kleederen” aan had gehad. Ze wilde ook nog kwijt dat zij als wapen een stok bij zich had gehad en dat een aantal andere bendeleden, waaronder haar vader, naast een stok ook nog een geweer bij zich hadden gehad. Een aantal dagen later kreeg ze acht schellingen van haar vader. Het loon voor haar deelname aan de rooftocht. Meer zat er niet in, per slot van rekening was al vroeg op een afstandje gaan wachten totdat het afgelopen was.

Ze kwam op stoom. Ze bekende ook nog haar deelname aan de overval op de twee kluizenaars “op den Schaesberg” uit 1760, waarover meer in het volgende artikel.

  • Lommelenberg: Op de Lommelenberg ( Emmaberg) stond toen de galg. De berg heette zo omdat de kleren van de opgehangen, vaak alleen nog oude lommelen, aan behoeftigen werden weg gegeven.

 

Advertenties