Het gerecht beet zich vast in de familie Bosch. De gereformeerde Staatse dienaren waren er op uit om de in hun ogen grote bende met wortel en tak uit te roeien. Dat dat streven vele onschuldige slachtoffers heeft veroorzaakt is ten enen male vele jaren later duidelijk geworden. Op 31 maart 1775 was Catharina Kerkheerderen voor de Valkenburgse rechtbank gedaagd. Zij was de  “huijsvrouwe” van de op de vlucht geslagen Anthoon Bosch. De rechtbank begint haar verhaal met de hierboven genoemde persoon en beschouwt hem al een belangrijk lid van de beruchte bende nachtdieven, en niet alleen dat! Volgens deze hoge heren is hij ook hun “opperhooft”. Ze verdenken hem ervan dat grote pakken roofwaar op zijn adres in de Heek worden afgeleverd. Zelfs het varken van weduwe Boschhouwers zou er volgens de rechters  enkele jaren geleden geland, geslacht en schoon gemaakt zijn. De rechtbank concludeert dat het toch niet anders kan zijn dan dat Catharina van dit alles iets gemerkt moet hebben. Ze stelt het nog scherper! Ze moet er ook van mee geprofiteerd hebben. Als huisvrouw moet ze de vele personen die in de herberg frequenteerden ontmoet hebben en moet ze ook geweten hebben van de geheime eed op de duivel. De rechbank oordeelt daarom ook dat de vrouw een hoge straf mag krijgen in de vorm van een lijfstraf, verbanning of een andere straf ter beoordeling van de rechtbank. De rechters vinden ook dat ze bij moet dragen in de kosten van de rechtszaak. Daartoe zullen zoveel mogelijk bezittingen van haar geconfisceerd worden en daarna verkocht. Er wordt dus vooralsnog een straf geëist maar een vonnis wordt nog niet uitgesproken.

Catharina Bosch verschijnt op 14 december 1775 weer voor de rechtbank te Valkenburg. Catharina werd gesommeerd om in het Landshuis opgave te doen van al haar bezittingen alsmede die van haar man Anthon. de vrouw verklaarde dat haar echtgenoot geen bezit in hun huwelijk had ingebracht. Hij had al zijn eigendommen voor hun trouwen verkocht om er twee percelen “in de boschweijde aan den Heeker bosch” mee te kunnen kopen. Er waren ook nog stukken land aangekocht, maar daar wist ze door “langheit van tijd”niet veel meer van. Ze vertelde dat ze al haar huidige bezittingen gedurende hun huwelijk had verworven hetgeen zou blijken uit landmetingen gedaan door de plaatselijke landmeter Frisschen. Op hun huis en hof rustte een rente van vijf vaten rogge die ze elk jaar aan de kerk van Hulsberg moesten voldoen. Ze waren ook nog een rente van een vat rogge per jaar aan de kerk van Valkenburg schuldig, waaruit eens te meer blijkt dat de clerus in die tijd niet alleen als grootgrondbezitter pachtheer was, maar ook aan kleine luiden verpachtte. Bosch verklaarde dat ze geen verdere bezittingen achter hield en tekende met een rechts liggende V. Ze verklaarde dan ook niet te kunnen schrijven.

Op 25 april 1776 had vrouw Bosch een uitje naar Maastricht. Hoe ze er naar toe ging is niet duidelijk. Wellicht te voet of anders met de postkoets, maar dat kostte geld! In Maastricht bezocht ze notaris Nolens om bij hem de door het Valkenburgse gerecht begeerde percelen land in de Heeker Boschweijde te laten opnemen in een akte van verkoop. Het geld zou ten goede komen aan het gerecht ingevolge een rechterlijke beslissing van 20 december 1775. Daarbij ging het in de eerste plaats om een morgen (iets meer dan een hectare) akkerland gelegen in de Boschweijde die aan een kant grensde aan land van de weduwe van Hendrik Otten en aan de andere zijde aan bezit van de weduwe van Johannes Vaassen. Beide andere zijden grensden aan land van Peter Gelders en aan een doorgaande weg. Dit was het perceel dat belast was met een rente van een vat rogge ten behoeve van de kerk in Valkenburg. Dan waren er nog drie grote en zeven kleine roeden land met een zekere uitstraling!! Ze grensden namelijk aan de landerijen van Graaf Hoen. Dat was nog niet alles. Er waren ook nog zeven grote en tien kleine roeden land bij het Lousbroek.

Alle landerijen gingen naar Laurins Gelders die getrouwd was met Anna Maria Scheupkens en ook in de Heek woonden. Er was een bedrag mee gemoeid van 519 gulden dat conform de notarisakte acht dagen na dato op de rekening van rentmeester van Panhuys van het Land van Valkenburg moest staan. De elite wist toen ook al waar geld te halen viel, ook al waren er omstandigheden die dat wettigden.

 

Advertenties