Op vierentwintig september 1776 werd tegen Bosch op kasteel Amstenrade door de Heer Officier van de Heerlijkheid Schin op Geul het definitieve vonnis uitgesproken. De rechtbank achtte hem gelet op alle bijzondere omstandigheden en mede gezien het advies van twee bijzondere rechtsgeleerden schuldig aan deelname aan de hiernavolgende misdaden.

  • Het eerste delict betrof de deelname aan de inbraak, diefstal en knevelarij bij de familie Frisschen in Aerensgenhout op 22 en 23 januari  1760.
  • De tweede zaak ging over de diefstal en inbraak in de “kercke van Aldenvalckenborg” in de nacht van zes op zeven oktober 1760.
  • Vervolgens kwam de zaak voorbij van de overval op de kluizenaars op de Schaesberg in de nacht van 15 op 16 maart 1761.
  • De vierde zaak betrof de overval op de boerderij van Martinus Schröder in Heerlen in de nacht van 19 op 20 januari 1762.
  • Daarna werd hij nog beticht van deelname aan de gewelddadige overval op het Panhuys in Wijnandsrade in de nacht van 19 op 20 april 1762.
  • De laatste zaak betrof de inbraak in de pastorie te Margraten twee jaar eerder.

Al deze zaken beschouwende vond de rechtbank dat de beschuldigde in aanmerking kwam voor de zwaarste straf: ophanging aan de galg op de daartoe bestemde plaats, waarna het lichaam daar zou blijven hangen ter afschrikking voor iedereen. Al zijn bezit werd in beslag genomen om de kosten van de rechtszaak te kunnen voldoen.

Het vonnis zou voltrokken worden op 28 september rond het middaguur op de heide in de buurt van kasteel Amstenrade waar de galg stond opgesteld.

Een en ander werd ondertekend door secretaris Lacroix van de rechtbank.

Advertenties