Hendrik kwam na folteringen in 1774 aan de galg, maar daar ging nogal wat aan vooraf! Zijn naam kwam boven drijven tijdens de scherpe verhoren van Geertruid Bosch, de dochter van glazenier Bosch uit de Heek. De rechtbank deed onderzoek en Akkermans werd opgepakt en vastgezet in Valkenburg. In een overzicht van de kosten zoals gedeclareerd door notaris Swildens in december 1774 in opdracht van de overheid omtrent de bezittingen van de z.g. bendeleden, vastzittend, gevlucht of terechtgesteld, duikt ook de naam van Akkermans op. Voor het onderzoek naar zijn bezit rekende de notaris vier gulden en tien stuivers. In een overzicht van de rentmeester van Overmaze, W.H. van Panhuijs, blijkt dat op zeven december 1776 nog geen echte beslissingen genomen zijn omtrent de verdeling van de boedel van Akkermans en zijn broer Lambert. Wel kunnen we lezen dat landsadvocaat de Limpens 120 gulden ontving voor zijn bemoeienissen en adviezen in deze en andere zaken en dat ook andere personen die ermee te maken hadden alvast geld kregen uit de nog niet verdeelde boedels van beide heren en de vele andere “gauwdieven”. Zo ontving deurwaarder Steevens tachtig gulden, en G.Raven voor het maken van het executie rad eenendertig gulden. Bode Visser kreeg ruim negen gulden voor portokosten en het overbrengen van documenten. Scherprechter Hamel ontving een groot bedrag voor het terechtstellen Akkermans  en andere beschuldigden tot dan toe, ruim 2600 gulden. Dat was een fortuin in die tijd. Zo was de een zijn dood toen zeer zeker de ander zijn brood. Een specifieke opgave van het bezit van Akkermans vinden we verder ook in het document van 1776. Hij bezat aan meubels, vruchten op het veld, landpachten ( geld dat hij ontving van mensen aan wie hij grond verpacht had), en vaste goederen ruim 955 gulden. Akkermans en de andere vijf “criminele bendeleden” uit Meerssen leverden de overheid een bedrag van 1344 gulden aan in beslag genomen bezit op.

Het bezit van de gebroeders Akkermans kwam via een notariële akte in eigendom van iemand die nauw betrokken was bij deze zaak, juist advocaat de Limpens. Toen op acht juni 1775 het vastgoed van de broers Akkerman bij executie verkocht werd kwam het in handen van de Limpens. Op 19 juli 1775 werd de aankoop door de Limpens ten overstaan van de proostschout en de schepenen van de Hoofdbank Klimmen geregistreerd. Het betrof hier een weiland te Aalbeek dat grensde aan zich daar bevindend bezit van de Limpens zelf, groot 200 en 11 kleine roeden. Ook een ander stuk akkerland, achtennegentig kleine roeden, ten zuiden van Schimmert gelegen en een stuk land van 63 kleine roeden werden zijn eigendom. De Limpens betaalde de aankoopsom van 710 gulden en vier stuivers Brabants-Maastrichtse koers persoonlijk ten kantore. Weer slaagde een elitair iemand er in om zijn bezit ten koste van anderen uit te breiden.

 

Advertenties