Op 26 juni 1774 maakte gerechtsbode C.van Offerweert aan de inwoners van Geulle bekend dat vijf van kwalijke daden verdachte inwoners van de Heerlijkheid Geulle er tussen uit waren geknepen en zich op deze wijze onttrokken aan het geldende recht. Het ging daarbij om Pieter Janssen, Johannes Hermans, Hendrick Ghijsen, Marten Nijsten en Leendert Boers die de bijnaam de Proum droeg. De meesten hadden in die dagen een bijnaam waaronder ze het best bekend stonden. Zo ging Hermans door het leven als het Schotsmanneken. Op deze wijze werden de vijf mannen dan ook opgeroepen zich te melden om uiterlijk op zes juli ten overstaan van de schepenen en de officier van justitie zich persoonlijk te verantwoorden over de bestaande verdenkingen. De oproep werd in de periode tot 21 augustus nog drie keer gedaan, zonder resultaat echter. Op negen november 1774 werd over Johannes Hermans, dan 37 jaar oud, bij verstek het vonnis uitgesproken.De aangeklaagde had de kans gekregen zich te melden, maar had door zijn wegblijven volgens de rechtbank zijn kans verspeeld. Er werd dan ook besloten om hem namens de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden uit het gebied van de Heerlijkheid Geulle, deel van het Land van Valkenburg, voor altijd te verbannen. Deze zelfde maatregel gold ook voor de andere drie tot het Land van Valkenburg behorende landen. Als hij het zou durven zich in deze streken te vertonen, zou justitie naar bevinden handelen en oordelen. Dit vonnis werd op 15 november opgehangen op de executieplaats aan de grens met Elsloo en enkele dagen later aldaar bevestigd aan de kerkdeur van die plaats. De andere in het vizier van justitie zijnde personen in dit stuk ondergingen dezelfde behandeling.

 

Advertenties