In het jaar 1749 was het kleine dorpje aan de Gulp in rep en roer. Wat was er gebeurd? Er was een overval gepleegd op de winkel van president-schepen (raadslid) Justenius. Op 22 augustus van het jaar 1776, zevenentwintig jaar later dus, doet de goede man een poging om ten overstaan van schout en officier van justitie De Swart van de Heerlijkheid Gulpen te vertellen wat er toen gebeurd was. Op deze dag waren ook de schepenen Van Craen en Hollman in “De Croon”present. Justenius werd alvorens de ondervraging begon verzocht om al hetgeen hij zei onder ede te doen. Hij begint met te vertellen dat hij 68 jaar oud is en al veertig jaar in Gulpen woonde. Na zoveel jaar weet hij nog exact dat het buitenvenster van zijn huis uit de sponning gebroken was, en dat zijn vrouw als eerste het daarbij gemaakte lawaai had gehoord. Ze sliepen namelijk in de kamer die net boven dit raam lag. Justenius en zijn echtgenote zijn vervolgens opgestaan in alle stilte en de man heeft daarbij als eerste zijn geweer gepakt. Daarna zijn ze naar boven geslopen, naar de kamer van de huisbediende, Catrina Heijendal. Na hun voorzichtig aankloppen, opende deze de deur, waarna de vrouw van Justenius haar vroeg om eens uit het raam te kijken, “siet eens het venster uijt, daar zijn schelmen aan huijs”!!

De huismeid vermande zich, keek uit het raam en zag drie personen buiten bij het pand staan. Ze riep dit naar Justenius die direct met zijn geweer aankwam en op het drietal schoot. De mannen trokken zich daarop ijlings terug. Justenius herkende vanwege de duisternis en het stormachtige weer niemand van de boeven. Hij was nu hij bij de rechtbank was, niet eens zeker van het jaar waarin een en ander gebeurd was, maar wist wel nog dat in dat jaar de belastingontvanger zijn werk had gedaan in herberg “De Croon”. Hij had daar vervolgens ook nog de nacht doorgebracht. Het ging in dit geval om de niet erg geliefde Heer van Aun. Justenius wist dit nog zo goed omdat hij in de late avonduren nog een bezoek had gebracht aan dit voorname heerschap.

De rechtbank geeft Justenius de namen van drie verdachten, Gerrit Sentis, Nicolaas de la Haije, en Nicolaas Steijns, die ze ervan verdenken bij Justenius te hebben willen inbreken. Justenius kan ze echter onmogelijk in verband brengen met de gepoogde inbraak aan zijn huis. Deze drie mannen werden onlangs opgepakt en voor de rechtbank gebracht, mede op verdenking van eerdere delicten in de buurt. Toen ze er verschenen, hadden twee van de kerels hun loden hoed op, alleen Steijns droeg een muts. De rechters trachtten natuurlijk om Steijns aan de bij het huis van Justenius gevonden loden hoed te linken. Dat lukte niet, want de kerel zei dat een wachter te Aken zijn hoed had afgenomen, toen hij er onlangs met zijn paard aankwam. Vreemd was het overigens dat een kind van de de La Haije in de nacht van de poging tot inbraak om vier uur bij hem aanklopte om te zeggen dat het een loden hoed voor zijn deur had gevonden. Dat een kind midden in de nacht nog alleen op straat was, was al bijzonder. Misschien had het wel op de uitkijk gestaan!

Aldus werd er een proces-verbaal opgemaakt, maar het is onbekend of de mannen ooit voor deze of een andere zaak zijn veroordeeld.

Bron: RHCL Maastricht

Advertenties