Als eerste viel de kerk van het dorpje Gemmenich, vlak achter Vaals gelegen, de twijfelachtige eer te beurt op 22 mei 1732 overvallen te worden. Het was het eerste teken van geweld dat zich in de Limburgse regio zou ontwikkelen gedurende een drietal periodes. Uit het door griffier Scheuer opgemaakte proces-verbaal blijkt dat de burgemeester en de raadsleden van Gemmenich bevestigen dat er is ingebroken in hun kerk. Ze doen dit pas op 22 januari 1744, en wel op verzoek van landvoogd J.C. Poyck. Degenen die de inbraak gepleegd  hebben blijken zich toegang te hebben verschaft door een venster van de sacristie te forceren, en daar door naar binnen te gaan. Ze hebben nogal wat geroofd. Drie kelken met een zilveren bovenkant, een sjaal van zijde met gouden rand, en het goudbeslag van een stoel, dat ze er voor het gemak maar afgesneden hebben. Het was een makkie om de kerk zelf binnen te komen. De niet afgesloten deur van de sacristie verschafte hun zo maar toegang tot het gebouw. Daar braken ze het tabernakel op het altaar open, gooiden de hosties uit de monstrans op de grond, en namen deze plus de ciborie (kelk) en de bussen met de H.Olie erin mee. Een beeld van Maria werd door een raam op het kerkhof gegooid, waarna men daar het goud- en zilverbeslag, en een gouden kroon er van afsneed. Twee en een half jaar later herhaalde dit verhaal zich nog een keer, maar toen werden de dieven uiteindelijk verjaagd.

Twee dagen eerder maakte men een proces-verbaal op van de inbraak in de kerk van het nabijgelegen Montzen ( zie kerk hieronder). Daar waren in de nacht van 23 op 24 september

1280px-Montzen_-_Eglise_Saint-Etienne

1732 de tralies van de sacristie uit het venster gehaald waarna de gauwdieven makkelijk naar binnen konden. De buit was groot. Een grote en een kleine zilveren monstrans, waar van de laatstgenoemde relikwiën van het H.Kruis bevatte, een zilveren ciborie, vier zilveren kelken en een zilveren tazoir. Ongeveer vier jaar later waren er weer boeven opgdoken die in de vastenmaand de tralies van een raam geforceerd hadden en vrijwel alles uit het tabernakel op het grote altaar hadden meegenomen.

In 1732 en 1734 vonden er inbraken plaats in de kerk van Clermont, een aan de rivier de Berwinne gelegen plaatsje. Hier werden een acht pond wegende zilveren monstrans, en zilveren cibories gestolen.Onder de van misdaden gevangen zittende personen in dit deel van Limburg bevond zich iemand die beweerde gezien te hebben wie er in de kerk van Clermont ingebroken had. Op basis hiervan viel de verdenking op twee pruikenmakers uit de Valkenburgse regio. Een van de mannen zou in het groen gekleed gaan en bekend zijn onder de naam Doissel. Pas in 1743 kwam er beweging in het onderzoek naar deze inbraken, mede naar aanleiding van een door een persoon geschreven brief waarin hij verzoekt de betreffende gevangene aan de tand te voelen en hem dit ook te laten weten. Waarschijnlijk was deze brief afkomstig van een persoon die met de rechtbank in de streek te maken had. Zo werd langzaam duidelijk dat het gerecht pas jaren later in actie kwam!

  • Dank aan de blog: Documenten Bokkenrijders

 

Advertenties