Johannes werd geboren te Scheyd, en droeg de benaming “den Welschen Johannes” om de een of andere reden als bijnaam. Hij was in 1744 vierendertig jaar oud en had in Nieuwenhagen gewoond alvorens hij een nieuw onderkomen kreeg in de gevangenispoort van ‘s-Hertogenbosch. Dat was een eind van huis. Na de verplichte lost, de tortuur, bekende Johannes tenslotte “buiten pijn en banden” dat hij lid was geweest van de “fameuze dieven- en roversbende”, waarvan een zekere Johannes Vincken uit Marcksteijn ( Merkstein) de aanvoerder zou zijn. Hij bekende schuldig te zijn aan verschillende geweldsmisdrijven. Het eerste zou dateren van vijf jaar geleden. Dit misdrijf vond plaats op de Vurenschat. Daar hadden hij en zijn maten met een krom stuk hout de tralies van een venster verbogen om binnen te kunnen geraken. Hij slaagde erin om samen met Johannes (!) Muyters door het raam te klimmen en zo de voordeur te openen.Zijn medebendeleden kwamen toen naar binnen en men stal wat graan dat in zakken op twee paarden weggevoerd werd en naar het huis van bendelid Michiel Aartz werd gebracht. Van den Esschen vertelde dat hij van het graan dat hij als deel van de buit kreeg twee lekkere broden had kunnen bakken.

Een tweede inbraak vond op 18 januari 1742 plaats in het huis van Jan Essers in de Bank van Merkstein. Ze hadden een list bedacht. Een jonge gast die deel uitmaakte zou z.g. een brief bij Essers moeten afgeven. Aangezien de huismeid weigerde open te doen, ze verwachtte niet veel goeds, zagen ze zich ertoe gedwongen om met veel geweld binnen te vallen. De mannen waren door het dolle heen en mishandelden het echtpaar Essers en de dienstbode. Daarna werden de vrouw van Essers en de huismeid in de kelder gegooid, waarna de eerstgenoemde onder haar rok op een wel heel onaangename plaats met verbranding te maken kreeg. Dit was een beproefd middel om iemand te dwingen om te zeggen waar zich geld zou bevinden. Van den Esschen beweerde dat hij hieraan niet had deelgenomen, maar dat hij buiten het huis met een stok op wacht gestaan zou hebben. Naderhand zou Muyters hem alles verteld hebben! Op een gegeven ogenblik werd er door de anderen geroepen dat hij naar het achterste gedeelte van het huis moest komen. Daar bevond zich de buit: lakens, bruine vrouwenrokken en tinnen schotels.Het geroofde goed werd daarna naar “opperhoofd” Vincken in Merkstein gebracht. Van den Esschen ontving voor zijn “moedig” aandeel in de roof vier schellingen.

De derde overval vond plaats bij Mathijs Kockelkoorn aan de Stegel op 16 oktober 1741. Johannes vervulde weer het rustige baantje van schildwacht terwijl zijn “medestrijders” het huis binnenvielen en Kockelkoorn in zijn slaap verrasten. De man kreeg geen kans om zich te verzetten, want hij werd onmiddellijk aan handen en voeten gebonden. Zijn dochter die de pech had dat ze een gouden kruis om haar hals droeg, werd daar natuurlijk direct van beroofd. Voor alle zekerheid werd de vrouwelijke huisbediende ook maar gekneveld en toen ze even later de knecht in de paardenstal ontdekten viel deze dezelfde eer te beurt. De vrouw van Kockelkoorn die in een andere ruimte sliep, werd even als de anderen naar de kelder gebracht en daar geboeid achter gelaten. Het vaak met succes beproefde middel van de brandtortuur werd ook nu weer aangewend om de huisbaas ter laten vertellen waar hij zijn geld had verborgen.Een van de bendeleden, Michiel Aarts, hield de brandende fakkel daarbij op de buik van Kockelkoorn. Uiteindelijk gingen de boeven er van door met kledij, lakens, kousen, schoenen, en wat geld. Van den Esschen heeft toen meegeholpen om al het spul naar het huis van bendelid Antony Corely te brengen. Daar bleef de buit maar korte tijd, want even later werd deze naar het huis van zijn vader Teunis vervoerd. Voor zijn medewerking kreeg Johannes zes schellingen. Dat was een stuk minder dan de hem door Michiel Aarts toegezegde rijksdaalder. Van den Esschen vloekte, maar niet te luid, want er zouden nog meer karweitjes volgen.

 


 

  • wordt vervolgd door deel twee
Advertenties