Het verhaal en alle daaraan verbonden ellende was nog niet ten einde. Johannes werd namelijk van medeplichtigheid aan negen verschillende zaken beschuldigd. Zo was er de gewelddadige inbraak in het huis van Jan Keulaarts op de Lugt (Locht) in de Bank van Heerlen. Dit alles speelde zich af op twee juli 1742. Johannes en zijn maten maakten een behoorlijk groot gat in de muur van de woning en knevelden de totaal verraste bewoners. Deze werden “veilig” opgeborgen in de kelder, waarna de overvallers rustig konden bezien wat er allemaal te halen viel. Van den Esschen had weer de functie van schildwacht en stond voor het gat om daar de door zijn “collega’s aangereikte geroofde goederen aan te nemen. De buit bestond uit wat linnen spul en geld, te weten pattacons en schellingen. Niet veel zaaks dus. De mannen hadden het kunnen weten. De bewoners van eenvoudige huisjes hadden ook niet veel te verteren, maar voor degenen die vrijwel niets hadden waren zij toch rijk! Het gestolen spul werd naar het huis van heler of bendelid Jan Kersten gebracht en onze man Johannes kreeg vier schellingen voor zijn bijdrage aan de onderneming.

De vijfde zaak betrof de inbraak in het huis van Johannes Toeren in het Land van Merkstein. Deze speelde zich af in de maand augustus van 1741. Johannes had klaarblijkelijk een vaste aanstelling als schildwacht gekregen, want nu vervulde hij weer die rol. Voor de afwisseling verschaften de mannen zich toegang tot de schuur en kwamen vandaar in het woonhuis. Het eerste vertrek dat ze bereikten was de slaapkamer waar moeder en dochter lagen te ronken. De buit bestond nu alleen maar uit wat linnen en wollen goed. Van den Esschen kreeg voor zijn aandeel een door roversmaat Michiel Aarts gebakken brood van 15 à 16 pond volgens Johannes. Hij vertelde het gerecht ook nog dat een aantal deelnemers aan de overval hun gezicht zwart hadden gemaakt om minder makkelijk herkend te kunnen worden. Een volgende inbraak met deelname van Johannes vond plaats in Hof Ter Waarden te Ubach. Deze is al in een eerder artikel beschreven.

De zevende euvele daad gebeurde in Twembrugge ( Zweibrüggen in de gemeente Ubach-Paleberg), op 17 augustus 1742. Een paar gauwdieven gingen door een venster naar binnen, deden de deur open voor de anderen en boeiden de baas des huizes. Meestal deden een paar vilders uit Hoensbroek dit, waarschijnlijk was het hun specialiteit. Het moet warm geweest zijn, want toen een paar leden van de bende de deur van een aangrenzende kamer open deden, vonden ze daar ‘s-mans echtgenote in Eva-kostuum. Het belette hun niet de vrouw op te pakken en haar bij haar man te deponeren. Ondertussen had een bendelid, Johannes Muyters, een pan met vet, aangemaakt met sulfer en zwavel, op het vuur gezet. Toen het spul goed heet was, doopte Peter Caspar Konings een borstel in de pan en bestreek er de naakte benen en dijen van de vrouw mee. Deze schreeuwde het uit van de pijn. Deze zware mishandeling had als doel de vrouw er toe te brengen om te zeggen waar ze hun geld hadden verborgen. Waarschijnlijk heeft het niets opgeleverd, want in het proces-verbaal wordt niet vermeld dat er geld gestolen is. Uiteindelijk gingen ze er tussen uit met een kerkgewaad, twee rokken van de vrouw, koper en wat vlees. Het goedje werd naar een medebendelid, Blockman, gebracht, en Van den Esschen kreeg drie schellingen voor zijn hulp!

** wordt vervolgd met een deel drie

 

 

Advertenties