Een veelpleger

De achtste gewelddaad waar onze man bij betrokken was gebeurde aan de pastorie van Marienberg op twintig februari 1742. Bij binnenkomst grepen de bendeleden direct de zus of de huismeid ( vroeger ook wel de maagd genoemd!), van de pastoor, mishandelden haar, en gooiden haar daarna in de kelder. Toen de mannen in de kamer van de pastoor binnen drongen, troffen ze hem daar aan. Hij werd direct vast gebonden en voor alle veiligheid kreeg hij de nodige dekens en kussens over zijn hoofd geduwd, zodat hij geen geluid meer kon maken. Ze waren vol verwachting dat de geestelijke over het nodige geld zou beschikken, en om hem een beetje aan te manen, dreigden ze ze zijn rug open te snijden en daar hete olie in te gieten!! Om de pastoor warm te maken hadden ze alvast een pot met olie op het vuur gezet.Een van de bendeleden, Pieter Heuts, stootte het potje met olie van het vuur, nadat de pastoor hem had verteld waar het geld verborgen was. Hij wist het geld weg te pakken zonder dat de andere mannen er iets van merkten. Dat was zeer tegen de “erecode” van de andere bendeleden. Deze hadden inmiddels een grote houten kist ontdekt. Nadat ze die met een stuk ijzer hadden open gebroken haalden ze er gretig uit wat ze konden gebruiken, met name linnen en enkele tinnen schotels. Ergens anders in huis maakten ze nog een kerkgewaad, wat koper, enige damesrokken, een portie vlees en nog wat kleingoed buit. Dit alles, behalve het geld van Pieter Heuts, werd naar een bendelid met de naam Blockman gebracht. Van den Esschen’s buit bedroeg drie schellingen, de betaling voor zijn job als schildwacht buiten het huis.

Een rijke buit

De volgende boevenstreek vond plaats op een december 1741 in den Ligtenberg vallend onder de Heerlijkheid Schaesberg. De bendeleden hadden hun oog laten vallen op de voerkar van Mathys Delen en Arnoldus Princen. Na nauwkeurige observaties zagen ze de kar voor het huis van Johannes Dautzenberg staan. Van den Esschen klom met een paar mannen op de kar, ze sneden de touwen los, en gingen er letterlijk als dieven in de nacht met de zich op de kar bevindende goederen vandoor. De buit was rijk. Wollen lakens, kousen, een kist met kaas en andere zaken die ze goed konden gebruiken. Het gestolen goed werd naar het huis van Jan Riztervelt gebracht, die samen met van den Esschen onder een dak woonde! Al gauw daarna gingen de spullen naar de ons bekende Michiel Aartz, een vilder uit Hoensbroek. Johannes vertelde de rechters dat volgens hem een deel van de goederen verkocht was aan de Jood Benedict, een slager woonachtig te Heerlen. De rechtbank vond dat van den Esschen voor al zijn euvele daden de doodstraf verdiende. Hij zou daartoe naar de plaats van executie worden gebracht, om aldaar door de beul opgehangen te worden. Al zijn bezittingen vervielen aan de overheid, en dienden om de proceskosten te betalen. Aldus werd er besloten op zeventien december 1744.

Advertenties