In 1742 moest Anne Sophie Werden, zus en huishoudster van pastoor Wilhelmus Josephus Werden, pastoor te Marienberg ( tegenwoordig Duits gebied, toen behorend tot het Land van ‘s-Hertogenrade) voor de rechtbank verschijnen om aldaar te getuigen over de overval die op 20 februari plaatsgevonden had op de pastorie. ( RHCL Maastricht LvO 2402). De goede ziel moest natuurlijk eerst de eed afleggen in handen van een gerechtsschepen, alvorens ze haar verhaal over het brute gweld hun aangedaan kon vertellen. Toen Anne in de avonduren iets op de mesthoop wilde gooien werd ze plotseling door een groot aantal mannen besprongen. Deze hadden zich volgens haar verstopt in de stal of onder de poort van het bakhuis. Ze werd ruw mee naar binnen gesleurd de keuken in en kreeg er een fikse aframmeling. De daar aanwezige meid Barbe onderging hetzelfde lot. Het was het vaste recept van de overvallers. Slaan en dreigen in de hoop de slachtoffers week te maken zodat ze meewerkten om te vertellen waar hun geld verborgen was. Beide vrouwen werden aan handen en voeten geboeid en zoals altijd in de kelder gedeponeerd. Waar was de pastoor? Deze had zich volgens Anne opgesloten in zijn kamer en de deur gebarricadeerd. Dat zou echter niet helpen, want de mannen wisten met een stuk hout de deur te forceren. De pastoor werd gegrepen, op zijn bed gekwakt, en geboeid. Maar eerst had hij alle sleutels moeten afgeven aan de overvallers. Een aantal mannen ging zich toen “ontfermen” over de twee vrouwen in de kelder. Ze dreigden hun met een toorts te verbranden, de hals af te snijden en hun te schenden, als ze niet wilden zeggen waar het geld lag.

Uiteindelijk verdwenen de rovers met de meest kostbare stukken uit huis. Uit de kerk, dit bleek later, hadden ze nog een kelk, een kazuifel en een met kant bezet kleed ontvreemd. De zus hoest dan voor de rechters op wat er allemaal verdwenen is. Zij miste twee pistolen (gouden munten), de meid elf rijksdaalders, en haar broer de pastoor een stuk of zeven gouden munten. Verder waren er van haar broer, acht tafellakens, vier dozijnen servetten, vijfentwintig hemden, een nachtkleed, een zestal zilveren gespen verdwenen. Anne zelf miste een rok, een zijden onderhemdje, acht hoofddeksels met kant bezet, ongeveer twaalf hals- en zakdoeken, twee zilveren kruisen, een zilveren oorring, een zilveren oorijzer, zilveren gespen, verschillende soorten rokken en een zestal blousen. De meid was ook wat armer geworden! Het ontbrak haar nu aan een paar rokken, een tweetal zilveren ringen en een laken. Klaarblijkelijk had ze ook nog een broer in de buurt, want van hem wordt het volgende vermist: varkensvlees, acht tinnen schotels, drie dozijn borden, een theepot, een melkkannetje, een mosterdpot, een peprdoos, thee, suiker en nog wat zaken die haar nu ontschieten. Wellicht zorgde hij voor het eten!!

Anne die nu nog twee fikse wonden aan haar hoofd had, zei verder dat ze niemand van de overvallers had kunnen herkennen. Nadat griffier Corneli het proces-verbaal aan haar voorgelezen had, gaf ze aan bij haar verklaring te blijven, waarna ze het document ondertekende. In de komende jaren zou het probleem van de inbraken en overvallen alleen maar groter worden.

 

Advertenties