Onder processtuk nr: LvO 2402 bevindt zich in het Regionaal Historisch Centrum Limburg in Maastricht het verhaal dat Mergen Nijssen, de vrouw van bovenvermelde boer, deed ten overstaan van de gerechtsschepenen van ‘s-Hertogenrade op 19 januari 1743 omtrent de overval op hun woning in juli 1742. De vrouw verklaarde vrolijk dat het een dag eerder een jaar geleden was dat “een partije van schelmen en dieven” haar woning via de keuken waren binnengedrongen. Heel veel besef van de tijd had ze niet, dat was ook moeilijk in die tijd, want de overval had pas op 18 juli 1742 plaats gevonden. Volgens haar getuigenis werd eerst de huismeid aangepakt en geboeid, waarna zij zelf aan de beurt kwam. Na bruut mishandeld te zijn werd ook zij aan handen en voeten vastgebonden. Daarna zouden de boeven haar en de meid met een brandende toorts gemarteld hebben om hun aan het praten te krijgen. Deze vertrouwde tactiek moest ertoe leiden dat ze over de brug zouden komen met geld en kostbaarheden. Mergen vertelde dat ze vijf weken lang ernstig ziek was geweest van de mishandelingen en dat ze dacht dood te gaan.Voor de afwisseling hadden de bendeleden een list bedacht om binnen te komen. Toen de huismeid in de vroege avond hoorde kloppen aan de deur, zag ze daar een aantal mannen die naar binnen wilden. De meid liet echter begrijpelijk niemand door. Een van de kerels zei toen dat hij een brief voor haar meester had. De meid twijfelde, maar ging voor alle zekerheid terug naar binnen en vertelde wat er aan de hand was. Ondertussen hoorde Mergen dat er aan de huisdeur gerammeld werd. Voor ze het in de gaten hadden hadden de mannen de deur al open gebroken en waren in het voorhuis geraakt.

Mergen ging snel naar voren, maar werd daar door een van de mannen vastgepakt. Hij deed alsof hij een vriend was, maar dat was maar voor even. Een van de andere kerels duwden de vrouw snel het eignlijke huis binnen, waar ze zoals verteld met haar meid mishandeld werd. Haar echtgenoot die nog aan tafel zat, werd met een handdoek aan zijn stoel vastgebonden. Het dienstmeisje werd daarna naar de kelder gebracht. Even later werd ook Mergen op gruwelijke wijze met een duw met het aangezicht naar voren het donkere gat ingekwakt. Haar kleine zoontje van zeven werd eveneens “gelijkc eenen hondt” in de kelder geworpen. Volgens haar waren de kerels daarna rustig gaan eten en drinken, alsof er niets aan de hand was! Toen ze verzadigd waren kwamen ze naar beneden de kelder in. Van daar liggend stro maakten ze een fakkel waarmee Mergen op het blote lichaam tussen haar benen gemarteld werd. Een van de mannen bedreigde haar met een groot mes en een zakpistool. Het was een complete nachtmerrie voor de betrokkenen. Op een gegeven ogenblik vertrokken de kerels. Ze wisten zich te bevrijden en konden toen zien wat er allemaal verdwenen was. Geld, een heleboel gouden munten en dukaten, kleren, linnen, vlees, en spek. Ook miste ze een zilveren oorijzer een zilveren Agnus Dei met zilveren ketting, haar trouwring, een rok en een jasje van haar man. Er was nog meer weg. Rollen doek, hemden, linnen en braadworsten. Voor deze mensen moet het allemaal een traumatisch gebeuren zijn geweest, maar er was niemand die zich om hun bekommerde.

Nog onder de indruk van het gebeurde ondertekende de vrouw vervolgens met haar naam het proces-verbaal van griffier Dortant.

 

Advertenties