Uit de “scherpe verhoren” van Lins (Laurentius) Schouteten, die uit Nuth stamde en in 1717 geboren was, blijkt dat hij bij zijn voorgezette tortuur ook de namen noemde van mannen uit het Meerssense gebied die zich schuldig gemaakt zouden hebben aan “nachtdieverij en inbraken”. Lins die opgesloten was in de gevangenis te Valkenburg geeft deze informatie aan de Valkenburgse rechtbank in juni 1774. Uiteindelijk zou hij in november van dat jaar opgehangen worden op de Lommelenberg, de limiet oftewel de uiterste gemeentegrens. Hij noemde niet alleen namen van figuren uit Meerssen maar gaf ook die van anderen, maar dan wel onder invloed van de hevige martelpijnen. We zullen ons hier beperken tot Meerssen en directe omstreken.

De eerste die we tegen komen is de naam Johannes Brands. Hij zou van gemiddelde grootte zijn, had bruin haar, en was ongeveer vijftig jaar oud. Schouteten vermeldt dat bendeleider Anton Bosch uit de Heek tegen hem gezegd zou hebben dat Brands van beroep ruiter was geweest, waarschijnlijk in een van de vele legerregimenten in de buurt. Volgens Lins had Johannes behoorlijk tegen hem “gekwekt” op de terugweg van Wijnandsrade toen ze daar boer Ritzen en zijn gezin in het Panhuys haden overvallen. Hij had hem onder meer verteld dat hij in Meerssen op de Cruijsstraat woonde die naar de Wingartsberg leidde. Dat was allemaal niet zo verstandig, want het kon makkelijk leiden tot verklikken. Brands had hem, toen Lins vroeg wat hij voor de kost deed, ook nog gezegd dat hij paarden hield.

De tweede figuur die we in Lins relaas tegenkomen is een zekere Vlekken uit Meerssen, waarvan hij nou niet weet of hij Pieter of Johannes heet. Hij moet volgens Lins 33 tot 34 jaar oud zijn en bruinig ongekruld haar hebben. Hij deelt ook nog mee dat hij niet weet of deze man getrouwd is. De volgende die hij oplepelt is een zekere Johannes die met de achternaam Haassen of Habets zou moeten heten en waarvan hij zegt dat hij achter het huis van dhr.Ruijters woont. Dat was dan makkelijk te vinden voor de overheidsdienaren, en waarschijnlijk was deze Ruijters een bekend Meerssenaar. Deze H. zou smal van postuur zijn, witachtig haar hebben en van beroep was hij dagloner. Iemand die dus elke dag maar moest proberen een baantje te vinden om aan de kost te komen. Hij zou twee dochters hebben waarvan er eentje in Maastricht woonde, “daar verkoopende snuijf en tabak”. Lins kende behoorlijk wat mensen uit zijn Meerssense netwerk. Bij de volgende die hij beschuldigt gaat het om Johannes…?, die aan “het beekske” woonde, aan de straat die naar Maastricht leidde, in het laatste huis aan de linkerkant. Hij was in Meerssen de lokale schoenmaker, ook dat was goede informatie voor het gerecht, en was getrouwd met Maria Kools uit Aerensgenhout. Johannes, die achter zijn huis nog een weitje had, was licht van postuur, en had in het huwelijk goed zijn best gedaan, want hij had “veel kinders”. Hij was om de vijftig volgens onze man in het Valkenburgse cachot.

Er was nog een Johannes uit Meerssen die hij wel wilde beschuldigen, en waarvan hij ook de achternaam niet wist. Deze zou op de “ganse baampt” (Gansbaan) tegenover de Veebrug (Veeweg) wonen, in het tweede huis aan de rechter zijde als men van Houthem afkwam via het voetpad. Dit kan het voetpad zijn dat langs de huidige spoorlijn loopt of een pad dat langs de Geulhemermolen naar Meerssen gelopen heeft. Deze man blijkt ook schoenmaker te zijn.Wel woont hij nog in het huis van zijn vader die steenmetselaar is van beroep. Hij is klein en donker van postuur en heeft zwart licht gekruld haar. Verder was er nog een zekere Johannes den Hamacker die in Rothem woonde aan de Geul, in het eerste huis aan de rechterkant op de weg naar Maastricht. Die Lins had wel een goed oriëntatievermogen. Waarschijnlijk was hij bij al deze personen wel eens aan huis geweest om een of andere diefstal te beramen. De laatstgenoemde Johannes was getrouwd met een vrouw uit Bunde en verder was hij een zwager van Gerard Gulkers (lees Gulikers) uit Meerssen. Als bijzonderheid vermeldde hij nog dat Hamacker met een been zou trekken. Het was nog niet de laatste figuur die hij noemde. Aan de beurt kwam nog een andere inwoner uit Rothem, een zekere Martinus die woonde aan de weg naar Maastricht in het laatste huis aan de linkerzijde. Hij was getrouwd met “een cleen persoon genaamd Marijken en had drie kleene kinders” (de spelling veranderde nog wel eens bij de griffier van de rechtbank). Hij was van gemiddelde lengte, had bruin haar en een echte Rothemnaar! Hij was er dus geboren.

De laatste die boven komt drijven was Pieter Vlekken (Vlecken), een schoenlapper uit Waterval, die gehuwd was met Joanna Geerlings en een jaar later zou kennis maken met de galg, brrr. Aan het einde van het “verhoor” corrigeerde Lins zich nog. Hij vermeldde dat Johannes Brands die hij eerder in dit verhaal beschuldigde, een “dikkerd” was, een grote neus bezat en “roodachtig” van haar was. Deze Vlekken was o.a.met zijn broer Christiaan betrokken geweest bij de overval op de kluis op de Schaalsberg bij Walem, zo een negen jaar eerder. Volgens Lins droeg hij vaker een blauw jasje.

Tja, Schouteten had een grote gave, hij was opmerkzaam, maar dat zou hem niet redden. De gevangene kreeg zes uur de tijd om al zijn ontboezemingen te overdenken. Hij liet na afloop daarvan weten dat hij bij zijn getuigenis bleef en ondertekende het document met een kruisje! Bijna niemand kon overigens in die tijd lezen of schrijven!

Advertenties