Op 26 januari 1743 moest Anna “haar beste jurk aantrekken en haar schoenen opwrijven” om bij de hoge heren van het gerecht in ‘s-Hertogenrade te verschijnen. Het was een heel eind te voet voor het toen al bejaarde vrouwtje. Paard of koets had ze niet. Die voorrechten waren enkel voor de welgestelden weggelegd. Anna, die ook wel Enneken genoemd werd, en in het proces-verbaal als Sipenkotte vermeld staat, was ongeveer 52 jaar oud en de weduwe van Willem Ploum. Anna beloofde de schepenen niets anders dan de waarheid te vertellen over wat er bij haar in de nacht van een op twee augustus gebeurd was. Ze begint haar verhaal met te vertellen dat in die bewuste nacht bij haar in Twembruggen in het ambt Geijlenkercken (nu Geilenkirchen) de dieven vanaf de zolder haar woonhuis waren binnen gekomen. Ze was wakker geworden door het hevige blaffen van haar hond en ook omdat ze haar zwager Jan Hamers hoorde roepen. Anna had hem gevraagd bij haar te komen overnachten omdat ze bang was voor het rondtrekkende dievencircus. Anna was toen direct uit bed gesprongen en was ook om hulp beginnen te roepen. De vrouw kreeg naderhand overigens snel in de gaten dat haar zwager flink gewond was ten gevolge van de mishandelingen van de inbrekers. Er was overigens nog iemand in haar huis. Sijpescotten baatte om rond te komen in haar woning een soort herberg uit. De persoon waar het nu om ging was een rondtrekkend koopman die Christian of ook wel Korst genaamd werd en in de keuken de nacht doorbracht! Voor alle zekerheid werd deze man na ontdekt te zijn ook vastgebonden door het gespuis, alvorens ze zich, zonder dat te weten, naar de kamer van ons vrouwelijk slachtoffer begaven. Daar werd met veel geweld de deur met een eiken bank gesloopt, ondanks het feit dat deze van extra sloten en andere beveiligingen voorzien was.

De mannen waren nog maar nauwelijks in de kamer of Anna werd geboeid en van een blinddoek voorzien. Er kwamen nog meer mannen binnen en die pakten Anna de sleutel van de grote kast af en speurden met behulp van een brandende toorts de hele kamer af, ondertussen alles overhoop gooiend. Een van de mannen kwam dreigend naar haar toe en begon haar te slaan, terwijl hij haar voortdurend vroeg waar haar geld was. Het schoot niet op, en de pressie werd steeds groter. De kerels trapten haar tegen haar hoofd en sloegen de vrouw bont en blauw. Even later hield het op, en een van de mannen zei dat hij wist dat Anna uit het naburige Westfalen kwam, en dat hij wel een manier wist om haar tot praten te dwingen. Hij kwam er immers ook vandaan! De man smeerde een goedje op haar benen en stak het in brand. De vrouw liep hierdoor ernstige brandwonden op die haar maanden lang aan bed kluisterden. Nu, dik vijf maanden later, was ze nog steeds onder behandeling van de chirurgijn. De inbrekers hadden ondertussen de deur naar de kelder opengebroken en roofden lustig erop los. Dat bleek wel uit de opsomming die de vrouw bij de rechtbank gaf. Er was kleding van haar overleden man meegenomen en vooral veel spullen die van haar waren zoals kleding en beddengoed.

Anna was niet alleen boerin en herbergierster, maar had ook het recht om tol te heffen bij haar hoeve. Het in huis aanwezige en door haar geïnde tolgeld bedroeg op dat ogenblik zeven rijksdaalders, en was natuurlijk verdwenen. Uit haar eigen pot waren vijf rijksdaalders en nog wat kleingeld weg. De vraag van het gerecht of ze iemand herkend had moest ze helaas ontkennend beantwoorden. Wel kon ze ondanks haar hevige mishandeling nog zeggen dat die kerels allemaal een streekdialect gesproken hadden. Na verloop van tijd ontdekten de inbrekers op zolder de huismeid Agnes Hanssen, die onmiddellijk ruw naar beneden werd gesleept en bij Anna op bed werd gesmakt. Ook zij werd geblinddoekt en geboeid aan handen en benen.

Toen het na een poos een hele tijd stil was, kregen ze in de gaten dat de overvallers vertrokken waren en dat was het sein voor de vrouwen om zich te bevrijden van de boeien. Daarna konden ze de zwager van Anna en de in huis logerende koopman ook losmaken. Agnes meende overigens een van de mannen herkend te hebben. Volgens haar was het een vilder uit de Rötsch in de Groenstraat. Ondanks het feit dat hij zijn gezicht had afgewend had ze hem toch herkend. Dat was voor deze persoon een gevaarlijk aanknopingspunt. Een vilder was in die dagen iemand die de waardevolle huid van dieren afhaalde. Het was een beroep dat in heel laag aanzien stond, en velen uit dit beroep behoorden tot criminele groeperingen. Verder kon het meisje zich geen andere persoon door alle stress en geleden pijnen herinneren. Griffier Corneli van de rechtbank liet Anna een kruisje zetten onder het betrokken document en daarna zal er wel opdracht zijn gegeven om het vildertje in de Groenstraat te visiteren. Hij kon zich alvast warmlopen voor de pijnbank!

Advertenties