schinnen

De Heerlijkheid Schinnen was en is prachtig gelegen in het Zuid-Limburgse land. Er is echter veel veranderd. Het landschap wordt doorsneden door spoorlijnen en autowegen en heel druk verkeer. Dat was anders toen in 1750, het begin van de tweede periode van voortdurende inbraken door kleinere groepen mannen en vrouwen, het geweld tegen burgers oplaaide. Zo verhaalt het Corpus Delicti van een overval op Henric Petri uit maart 1750 ( RHCL LvO 2024/ Blog Documenten Bokkenrijders) over wat er in de nacht van vier op vijf maart in dat jaar ten huize van Petri gebeurde. De schepenen van Schinnen waren op zes maart in hoogsteigen persoon op weg gegaan naar de woning van Petri. Daar hadden ze kunnen  zien hoe er een gat gemaakt was in een muur aan de straatkant, waardoor de schavuiten naar binnen waren gegaan. Dat kwam hoogstzelden voor. Petri wordt in dit geval dan ook onder ede ter plekke verhoord. Om te beginnen zorgt een van de schepenen dat er  de uitgebreide specificatie op tafel komt over wat er aan geld en goederen verdwenen is. Daar staat onder andere een bedrag van zestig tot zeventig dukaten op, Petri is er niet zeker van hoevel het nu precies was, plus allerlei andere munten van meestal vreemde origine. Henric zat duidelijk niet aan de grond, tenminste niet voorafgaand aan de inbraak. Henric vertelt hoe hij in de bewuste nacht met zijn vrouw in bed lag, nog wat nakaartend over de voorbije dag, toen hij plotseling de deur van de keuken meende te horen. In eerste instantie dacht hij dat het zijn zoon was, maar hij was er niet gerust op en hoorde even later een hem onbekende stem. Het was al te laat! Een ogenblik later stond al een vreemde kerel in hun slaapkamer. Deze kleine in het blauw gekleed gaande figuur begon direct met een ijzeren voorwerp op zijn echtgenote in te slaan. Henric zelf werd door vier andere inbrekers vastgepakt en aan handen en voeten geboeid. Daarna werd hij aan zijn haren van het bed afgetrokken, op de grond gegooid, en lange tijd met een stuk ijzer geslagen.

Het werd nog erger. Hij werd ook nog drie keer in zijn rechter en een keer in zijn linker arm gestoken met een mes. Henric bleef echter bij zinnen en had de kerel die hem bij zijn haren had gepakt herkend. Dat was Anthon Hamers die op de “Winterraeck” woonde. Het was niet vreemd dat hij hem herkende, want het gehucht de Windraak was vlak bij gelegen. Hij had ook nog de oudste zoon van Martin Latin herkend die als een soort marskramer door de streek trok. Dit soort figuren waren meermaals betrokken bij inbraken. Ze waren vaak de oren en ogen van de bendeleden. Verder had hij gezien dat de Waal, Jacques de Jardin, die in het buurtschap de Hommert in Vaesrade woonde, ook tot de inbrekers behoorde. De Waal zou even later het geweer van Petri meenemen als een dvan de trofeeën van de overval. Petri was met zijn hoofd onder het bed gaan liggen om zich op deze wijze te beschermen tegen de slagen van de mannen. Hij meende nog meer kerels in huis te horen. Sommigen kwamen af en toe naar hem kijken maar meenden uiteindelijk dat hij dood was. Hij hoorde hoe zijn vrouw een paar maal heel stilletjes vroeg of hij nog leefde, maar hij durfde niet te antwoorden uit angst voor nog meer geweld. Hij was echt bang dat de kerels hem zouden vermoorden. Een van de kerels die hoorde dat zijn vrouw sprak. schopte haar zo lang totdat ze zich van pijn niet meer kon bewegen. Korte tijd later, “na het uijtblaesen der lighten” vertrok het “gezelschap”, maar niet voordat een der schelmen hem met een brandende toorts in zijn schaamstreek brandde om hem maar te laten zeggen waar hij het geld en de eventuele waardepapieren verborgen had.
Tot zover het verhoor van Henric Petri. Hij ondertekende met een kruisje “verklaerende niet te konnen schrijven”, waarna secretaris Dullens deze zaak verder afhandelde.

  • wordt vervolgd
Advertenties