De vrouw van Petri, de 52 jarige Maria Schuttgens wordt eveneens onder ede door het gerecht ondervraagd. Zij geeft aan niemand herkend te hebben van de mannen die hun huis waren binnen gevallen. Ze vertelt natuurlijk wel over het buitensporige geweld dat die kerels gebruikt hebben tengevolge waarvan zij “eenigen tijdt van haerselve heeft gelegen”. Ze was nog een tweede keer buiten bewustzijn geraakt toen ze haar man had gevraagd of hij nog leefde. Toen een van de overvallers dit bemerkte, had hij haar zo hard geschopt dat weer bewusteloos raakte. Ze had wel het ogenblik mee gekregen dat de mannen vertrokken. Ze had weliswaar een paar woorden kunnen opvangen, maar kon het taaltje verder niet thuisbrengen. Daarna had ze opnieuw aan haar man gevraagd of hij nog leefde. Die zou toen met een “jae”geantwoord hebben. Nadat haar man vervolgens de “stricken” om zijn handen had losgemaakt, had hij ook zijn vrouw daarvan ontdaan. Ze ondertekende, nadat ze verteld had bij haar verklaringen te blijven, even later het proces-verbaal eigenhandig met de naam “Maria Scheuttens”. Tja, de variaties bleven voortduren, zelfs in de huidige tijd zien we daar de gevolgen van.

Een tijdje later, op 30 mei 1750, werd Henric door een bode opgetrommeld om bij het gerecht op Huis ter Borgh te komen om opnieuw verhoord te worden. Hij werd door hun dus “herdaegt”! Men stelt hem onder ede en brengt nog eens zijn verklaring van zes maart jongstleden onder de aandacht. Men brengt er begrip voor op dat hij toen door alle toestanden niet alles heeft kunnen zeggen zoals hij dat wel zou willen. De rechtbank is er van overtuigd dat de “quaedtdoenders” hem het vuur op zijn edele delen gehouden hebben om te kijken of hij nog leefde. Men liet hem daarna met rust omdat ze inderdaad dachten dat hij dood was. Hij vertelt nu dat de in het eerste verhoor vermelde Anthon Hamers  tegen hem gezegd zou hebben “heb ick dich, ick sal dich desen keer nu hebben” en dat dit figuur ook degene was die hem aan zijn haren uit bed getrokken zou hebben. Daar blijft het bij, en nadat de secretaris zijn aanvullende verklaring nog eens heeft herhaald tekent Henric weer met een kruisje. Zijn vrouw is ook opnieuw opgeroepen om nogmaals verhoord te worden.

Zij verklaart ook dat ze een “kwaaddoender” gezien heeft van middelmatig postuur, in het blauw gekleed, bruin van gezicht en met zwart kroeshaar. Verder vertelt Maria dat zij van mening is dat Anthon Hamers van de Wintraak bij de overvallers was, en dat de mannen uit een soort misleiding al gauw hun gesprekken in een kwasi Hoog-Duits dialect voerden. Als “afscheidscadeau” hadden de boeven haar nog met stoelen en andere voorwerpen bekogeld toen ze eindelijk aanstalten maakten om te vertrekken met hun ruim voorziene buit. Er waren nog een aantal andere getuigen van de misdadige overval die ook al eerder door de rechtbank in deze zaak waren verhoord. Ook zij werden nogmaals opgeroepen om eventuele nieuwe gezichtspunten aan te dragen of om hun eerste getuigenis te bevestigen. Het ging hierbij om Walraeff Knooren, Mevis Paulssen, Gielis Roox en Maria Dederen, allen in de directe omgeving van Petri wonend. Zij bleven allemaal bij hun eerste verklaringen van de maand april, waarna secretaris Dullens de zaak voorlopig afrondde.

Advertenties