De rechtbank was nog niet tevreden en zette de beul weer aan het werk. Ze wilden nog meer informatie en namen uit Wijnen losknijpen. Uit het niets kwam de naam van Tis Swinnen naar boven, zo leek het. Maar daar was waarschijnlijk een reden voor. Swinnen was de persoon die hem met een stuk hout geslagen had toen Wijnen er bij de woning van Petri tussen uit wilde gaan. “Waerom geets du loupen, du en hoeft emmers niet bangh te sijn”, had hij tegen hem gesnauwd. Hij lepelde ook de naam van Anthon Winckens op die in een aangrenzend weiland op een stok leunde en een pakje voor zijn voeten had liggen. Deze was in 1726 in Schinnen geboren en in 1747 gehuwd met Barbara Catsberg. Hij was van beroep schoenlapper, maar leerde zijn bijbaan van rover al vroeg. Op twaalfjarige leeftijd al , ging hij met zijn vader, Teunke uit de beemden” op het inbrekerspad. Uit puur lijfsbehoud werd hij in 1743 gedwongen op de vlucht te slaan naar een andere streek waar hij veilig was voor justtie te Schinnen. Hij keerde echter terug, en wel op tijd voor de overvallen bij Petri en Gaddé. Hij had er een fijne neus voor! Voor een volgende klus werd hij benaderd door weer een vilder! Het ging daarbij om een zekere Welcken uit de Aekerstraat in Hoensbroek. Toen Wijn op de afgesproken dag op de ontmoetingsplek arriveerde trof hij daar Welcken met zijn drie zonen aan, maar ook Corst Klinckers met nog zeven andere potentiële dieven. Ze trokken samen door de in donker gehulde velden naar de kerk van Brunssum. Wijn moest met een paar anderen de wacht houden en zag hoe de vilder en zijn zonen gewapend met een flink breekijzer op de kerk afgingen. Na een tijdje kwamen ze terug en droegen een zak waarin volgens hem “kerken getuigh en silverwerck” zat. Johannes een van de zonen van de vilder droeg de zak op de terugweg en Wijn kreeg weer vijfentwintig stuivers als beloning.

Wijn is nog niet klaar en begint heel diep in zijn geheugen te graven. Hij vertelt hoe hij zo een dertien jaar geleden mee deed aan de diefstal bij Elisabeth Frisschen. Het was zo gekomen. Toen hij op een keer in Hommert (Vaesrade) in de kroeg van de weduwe van Lenert Ritzen aan een pot bier zat, kwam daar ook de vilder Welcken met zijn drie zonen binnen. Deze, altijd in voor een verrassing, opperde het idee om die nacht bij juffrouw Frisschen in te breken. Het lukte ook nog zonder dat de alleenstaande vrouw iets merkte. Beladen met het nodige brood, spek en boter trokken ze vrolijk lachend weer op huis aan. Wijn kreeg een stuk spek en een brood voor zijn rol als schildwacht en watertandde nu al. Justitie liet Wijnen nu een dikke twee maanden sudderen in zijn kerker in Ter Borch, maar op 22 december hadden ze hem weer beet, nu voor een nader scherp verhoor. Wijn moest plaastnemen op de martelstoel. Hij wist wat er ging gebeuren maar hield het toch nog vier uur vol, maar toen werd het hem te gortig en ging hij weer praten. De schepenen wreven zich in hun handen. Welke namen zouden er nu weer uit zijn hongerige mond rollen?  Hij biecht nu medeplichtigheid op aan de overval omtrent acht jaar geleden begaan op de zusters Gaddé. Hij zegt hiertoe aangezet te zijn door Geerling Daniels. Acht dagen na  het eerste gesprek met Geerling kwam de jongste zoon van dit berucht figuur bij Wijn aan huis en vertelde hem dat hij zich die avond moest melden bij zijn vader. Daar trof hij toen o.a. Nol Caldenbergh, Laum Kremers, Anthon Winckens en nog wat andere mannen van het zelfde allooi aan alsmede Francis (Frans) Hamers de broer van Anthon. Door velden, weiden en afgelegen holle wegen gingen ze naar Geleen om uiteindelijk bij het huis van de beide zussen in Lutterade uit te komen. Tot hun verrassing stond de poort open. Wijn moest zoals gebruikelijk weer op wacht staan, en zag nog net dat Geerling met een paar mannen het huis binnen ging. Toen ze na een uurtje terug kwamen hadden ze heel wat pakken bij zich. Dat was een vette buit. Een van de mannen zei dat “sij voort moesten, het waere alles geschiet”. Acht dagen later kreeg Wijn zijn loon, vijf schillingen.

Wordt vervolgd!!

Advertenties