Op dertig december 1750 kwamen de drossaard en de schepenen van het graafschap Geleen bij elkaar om te overleggen over een uit te vaardigen aanhoudingsbevel tegen twee inwoners uit Geleen. Daar was wel wat aan vooraf gegaan. Onder druk van de scherpe verhoren hadden een aantal in gevangenschap verkerende mannen namen van bij overvallen betrokkenen uit de directe regio opgehoest. Zo had de jeugdige Nol Caldenbergh onder invloed van pijn en banden informatie verstrekt over een persoon uit het Geleense. Deze zou wonen op de Pesch ( nu de oudste straat van Oud-Geleen) in de buurt van een zekere Peter Keulers. Dit figuur zou getrouwd zijn met een dochter van een man uit Däniken die bekend stond onder de bijnaam “Jeughsken van Däniken”, en zou mede schuldig zijn aan de inbraak , diefstal en knevelarij bij de ons bekende Henric Petri ter Schinnen. De rechtbank keek goed en oordeelde dat de verklaring van Nol overeenkwam met die van Anthon Hamers gedateerd 15 juni 1750, die zo schrijven ze “mede tot Schinnen gedetineert geweest” was. Anthon was het gevangenisleven en de pijnigingen beu geworden en slaagde er op zes oktober 1750 in om er tussen uit te gaan en wel voor altijd. De door Nol en Anthon beschuldigde droeg de naam Henric Glaesmakers en zou dus getrouwd zijn met Maria Custers die de dochter zou zijn van de bovenvermelde Dänikenaar! De rechtbank ging niet over een nacht ijs en maakte een aantekening op het document dat uitgezocht moest worden of deze Maria ook de dochter was van de “prominente” inwoner uit het gehucht Däniken.

De rechtbank wist al het een en ander van deze “brave Henric”. Zo vermoedde men op grond van aanwijzingen, dat hij in het jaar 1748 met zijn eega een zak met rogge uit de kerk van Geleen had gestolen. 1748 was een berucht jaar in onze geschiedenis, denk aan de Slag bij Lafelt ( vlak over de grens bij Maastricht) en het beleg van Maastricht in april 1748 door de Franse legers. Rondtrekkende en overal bivakkerende legers zorgden voor veel onrust en miserie. Deze rogge behoorde toe aan een vrouw uit Geleen, Anna Penners, de echtgenote van Jan Penris. Het was niet verwonderlijk dat mensen in geval van oorlogsgeweld een kerk binnen vluchtten. Men verwachtte daar nog enige bescherming en nam dan ook vaker kostbaarheden en voedsel mee, zodat deze niet in handen van plunderende soldaten of andere boeven zouden vallen. Nol en Anthon noemden door alle geleden ellende ook de naam van Spaubekenaar Peter Schols. De rechtbank had nog een persoon in het vizier, “Peter den Capiteijn”, “woonende tot Geleen aen het Eijnde”, en van beroep slotenmaker.

Aldus werd er een bevel tot arrestatie uitgevaardigd tegen “Cappiteijn Peter van het Eijnde”, Peter Schols van Spauwbeeck en Henric Glaesmekers van Geleen (! oh die spelling). Er werd  driftig bij  vermeld dat het niet alleen om de fysieke personen zelf ging maar ook om hun mogelijk bezit. Secretaris Corten schreef er wel nog bij dat men het advies van twee onpartijdige rechtsgeleerden zou inwinnen. Dat was nog eens jofel!!

Advertenties