Winandus (Wijn) Wijnen was een zeer krachtig persoon. Hij was al eens in 1743 met justitie in aanraking gekomen en vastgezet. Op dertien oktober 1743 n.l. verdween hij in een donkere cel van het kasteel maar dankzij zijn enorme kracht slaagde hij er in om zich van zijn dwangbuis te ontdoen en er tussen uit te gaan. Dat gebeurde precies negen dagen later, zonder dat iemand er iets van merkte. Of hij kracht kreeg van de duivel, die werd vaak op mysterieuze bijeenkomsten ter hulp geroepen, weet ik niet, maar hij presteerde het om met zijn blote handen het dichtgemetselde raam uit zijn celmuur te rukken en spoorloos te verdwijnen. Op 22 juli 1750 werd hij weer gepakt om uiteindelijk op 15 mei 1751 op de “Dänikerberg” te worden terechtgesteld. De in vorige artikelen genoemde Anthon Hamers trof het beter. Deze schoenlapper ontsnapte op zes oktober 1750 uit zijn cel in  kasteel ter Borch en slaagde er in om weg te blijven. De rechtbank wilde wel een daad stellen voor de “bühne”, en daarom hing men hem op 29 mei 1754 “in effigie” op, daarbij gebruik makende van een pop die onze Toon moest voorstellen. Better safe than sorry, dacht men!

Anthon had ook nog een broer, Frans Hamers. Hij werd op vijf december 1750 gearresteerd, en werd op de zeventiende in de gevangenis met Wijn Wijnen geconfronteerd. Frans vertelt dan dat hij Wijn kende van de avond waarop ze naar het woonhuis van Geerling Daniels in Wolfshagen waren gegaan, om van daaruit te gaan stelen in Lutterade. Hij was Wijn in Lutterade tegen gekomen, en had gezien hoe deze zich onderhield met een schoenmaker uit Heerlen. Volgens hem had hij tegen Wijn gezegd dat “hij eens sijne broek moeste afdoen” en daardoor was hij een stuk achter gebleven. Wijn ontkende dit echter vehement. Hij kon zich dit van zijn leven niet herinneren. Frans toonde zich een aanhouder en beschuldigde Wijn ervan aanwezig te zijn geweest bij de woning van de bestolene Henric Petri. Verder vertelt hij dat Wijn samen met zijn broer Anthon het huis van Petri is binnen gegaan, hetgeen Wijn bevestigt. Frans tekent plichtsgetrouw met een kruisje en kwam op negen februari 1751 op dezelfde plaats als vele anderen aan zijn aards einde. De zevenennegentig meter hoge ten noorden van Sweikhuizen liggende heuvel was de juiste plek om dit soort taferelen te houden en om het volk te intimideren. De Geleenbeek (Glana, Latijns voor helder water) stroomt aan de voet van deze verhoging. De galg was op die plek gekomen toen de Heerlijkheid Daniken in de 17e eeuw onderdeel werd van het rechtsgebied Schinnen.

De rechtbank was goed bezig!?! Op dertig december, het kerstbrood was nauwelijks op, vaardigde men een arrestatiebevel uit tegen twee inwoners uit Geleen. Weer werk aan de winkel.

Advertenties