Afspraak met de beul

De volgende die een “afspraak” kreeg voor de tortuur, lees mensonwaardige marteling door de Hollandse justitie, was de criminele beklaagde Hendrik Witmakers uit Schinnen, en wel op 25 en 26 november 1743. Hij hoorde ook bij het groepje mannen uit de regio die aangeklaagd waren en als gevangene op ter Borch vertoefden. Uit het verslag blijkt dat Hendrik “een behoorlijcke territie in tormentis” kreeg van de beul. Men had hem de duimschroeven aangebracht en “ende een weenigh op een been”, de beenschroef dus of de Spaanse stievels. Die pijn was genoeg voor onze man om zichzelf van het een en ander te beschuldigen alsmede een buslading vol nieuwe namen te noemen, potentiële aan te klagen personen dus. Dat was nog niet alles. Hij beschreef ook nog figuren waarvan hij de naam niet kende. Daarbij vele bekende mannen die al in eerdere artikelen voorkwamen. Maar ook nieuwe, zoals Lenert Jessen, Hendrick Schreijen, Rick Witmaeckers en Jan Sijben. Als eerste biechtte hij op dat hij aanwezig was geweest bij een inbraak op het Rooth, in het huis van een alleenstaande vrouw. Als inwoners van Schinnen moest je dan getipt zijn, want dat was een heel eind weg. Veelal fungeerden rondtrekkende vagebonden en landlopers als tipgever. Hendrik wist er volgens eigen zeggen van via Peter Schols uit Spaubeek. Deze had ook de plek van samenkomst vermeld. Het kapelletje op het Roeth ( schrijfwijze rechtbank!). Peter was een in 1724 geboren zwerver uit Spaubeek die gehuwd was met Maria Nijsten. Hendrik was er met Schols naar toe gegaan. Op de plek van aankomst leek het wel een reünie van oude bekenden. Hij zag ook een paar nieuwe smoelen, waaronder Jan Sijben die de bijnaam  “Witsjanneken” droeg.

Paniek onder de bendeleden

Vanaf het kapelletje waren ze dan onopvallend naar het huis van de vrouw Duijckers gegaan. Daar had hij van Schols de opdracht gekregen om als schildwacht plaats te nemen in een wei bij het huis. Plotseling brak er paniek uit. Hij zag hoe Schols en een paar anderen vanaf het huis zijn richting uit kwamen rennen. “We moeten weg, een paar buren hebben alarm geslagen”, zei een van de mannen, waarop Hendrik het ook maar op een lopen zette. Deze onderneming mislukte jammerlijk. Hendrik had een lange stok bij zich gehad net zoals een paar anderen. Die kon men goed gebruiken in geval van geweld. Er waren ook mannen die een zakpistool bij zich hadden. Dat zou nog meer indruk maken. Het was echter allemaal voor niets. In de duisternis zochten ze, holle wegen opzoekend, hun weg terug richting Schinnen. Het was bitter koud en hun sjofele kleding zorgde maar voor weinig warmte. Op het kasteel was het al laat geworden. De rechters kregen honger en hadden misschien ook genoeg van al dat ondervragen. De volgende dag zou meer helderheid verschaffen in deze zaak. Ze konden altijd nog een handje daarbij helpen. Er was nog net tijd genoeg om alles aan Hendrik voor te lezen waarna deze als geoefend niet-schrijver een mooi kruisje plaatste. Secretaris Lambermont borg het document op in de grote eiken kast en ieder ging zijns weegs, de schepenen naar huis en Hendrik naar zijn donkere koude hol.

Advertenties