De schout is het beu!

Schout J.W.Fransen begon zich te verweren tegen de stappen die de vrouw van Hubert Palmen met hulp van het Hof van Brabant had gezet. In zijn brief aan het Officie Fiscaal van de Raad van Brabant begint hij met het schetsen van zijn visie op de toen heersende problematiek. Hij schrijft dat de eigen inwoners van zijn streek nog gevaarljker zijn dan de vreemde vagebonden. Deze laatsten mogen immers al worden aangepakt op grond van bepaalde verdenkingen. De eigen streekgenoten, mannen en vrouwen echter, komen in nachtelijke uren op bepaalde plaatsen in grotere groepen bij elkaar, en zijn gewapend met bajonetten, grote messen, zakpistolen en stokken. Ze breken in, overvallen, verwonden, pijnigen en vermoorden eerzame burgers uit de streek, “plunderen ende ontvoeren alles was sij te gemoet vinden”! Hij gaat dan ook fel te keer tegen de verzoekschriften die Getrudis Krans heeft overlegd. Daaruit zou volgens hem blijken dat gevangenen in zijn rechtsgebied op oneerbare en ontoelaatbare wijze zouden zijn gemarteld en dat een aantal daaruit voortkomende beschuldigingen tegen haar man Hubert Palmen zouden zijn ingebracht. Hij bestrijdt ten zeerste dat gedetineerden onder dwang uitspraken gedaan hebben. Want, zegt hij, de beschuldigingen door hun geuit waren ook al uitgesproken door andere gevangenen in de jurisdicties van Kerkrade, Merkstein enz. Het is volgens de functionaris een verkeerde voorstelling van zaken van mevrouw Krans om te denken dat haar man op basis van gefingeerde accusaties gevangen zit.

Fransen noemt de degenen die Palmen beschuldigden

De akten bewijzen overduidelijk dat Palmen degene is geweest die door Matthijs Ponts, Peter Ponts en Korst Klinckerts ervan beticht wordt hun metgezel te zijn geweest bij het stelen en roven in vele huizen en kerken! Palmen had toch ook bekend dat hij net zoals Matthijs Ponts een keer tijdens nachtelijke uren tarwe uit een veld gestolen had. Hij vindt het vreemd dat schepen Creuwen plotseling partij kiest voor zijn buurman Palmen. Creuwen moet toch geweten hebben dat Palmen geen onbeschreven blad was, oftewel een “quaede conduite” had. Hier moet toch een vooropgezet doel aanwezig zijn. Is het niet zo dat schepen Leo Creuwen Palmen ertoe probeerde te brengen om de neef van zijn vrouw, de eveneens gevangen zittende Nol Coenen uit Nuth, niet te beschuldigen. “Voor wat, hoort wat”!! Fransen beweert te weten dat Creuwen, de gerechtsecretaris van Nuth en een schepen van aldaar elkaar vaker in het geheim hebben ontmoet. Dat alles zal hun echter niet helpen, de waarheid zal uitkomen, zo moppert de in zijn wiek geschoten schout. “Hunne poogingen sullen in roock vliegen” stelt hij, om vervolgens aan een opsomming te beginnen van figuren die Palmen als medeplichtige hebben aangeduid. Waren het niet Steven Drummen, Christian Langendorff, Jan Katzberg, en Jan Schorens die Palmen als hun helper in het kwaad betichtten. Daaruit blijkt toch dat Palmen schuldig is aan de geprobeerde inbraak bij drossaard Duijcker in het Rooth, en inbraken te Sittard, Hoensbroek en Mariaberg, alsmede aan kerkdiefstallen te Nuth, Amstenrade, Wijnandsraede, en Oirsbeek.

Fransen resumeert

Wellicht heeft de veelheid van misdaden ertoe geleid dat sommigen niet meer heel goed weten wat er nu allemaal gebeurd is, maar de naam van Palmen komt in de akten overduidelijk naar voren volgens Fransen. Hij haalt nog zwaarder gechut van stal! Hij verdenkt Palmen ervan samen met drie anderen Lambert Philippens uit Vaesrade, “het duijvelken” vermoord te hebben. Een van die mannen zou Lens Knoren zijn, die op dat ogenblik op Kasteel Hoensbroek gevangen zat. De moord zou gepleegd zijn om Philippens het zwijgen op te leggen. Hij wist te veel. Palmen een goede faam toedichten, zoals in het verzoekschrift van de Raad van Brabant blijkt, is volgens hem een gotspé. Deze man is een notoir crimineel volgens Fransen. Zo zou Palmen het lijk van Philippens zelfs nog “verstompelt” hebben. Toen Palmen gearresteerd was, vluchtte zijn buurman Melzer Bemelmans uit voorzorg naar veiliger streken. Fransen verdenkt Bemelmans ervan een compagnon in het kwaad van Palmen te zijn geweest. Hij beweert ook dat Matthijs Ponts, en Hans en Korst Klinckerts hun aantijgingen ten aanzien van Palmen niet herroepen hebben.

  • wordt vervolgd
Advertenties