Een moedige vrouw

Het was een klein wonder dat een arme en ongeletterde plattelandsvrouw na eerdere verzoekschriften nog steeds doorzette en het bleef opnemen tegen een hooghartige door Hollanders voorgezeten justitiekliek. Haar volgende verzoek kwam eind juni 1744. Krans wendde zich opnieuw tot het Souvereine Hof te Brussel om nu eindelijk van de schout openheid van zaken te krijgen. Tevens eiste zij dat zowel haar advocaat als zijzelf toegang tot haar man zouden krijgen. Ze wilde ook dat onderzocht zou worden of de beschuldigingen die in een eerder stadium door andere gevangenen tegen haar echtgenoot waren ingebracht op correcte wijze waren verkregen. Ondertussen bleek dat Hubert Palmen in afschuwelijke omstandigheden in een kerker van het Hoensbroekse kasteel lag weg te teren. Hij had een ijzeren harnas aan dat met ketenen in de muur verankerd was. Hij kon zich nauwelijks bewegen en het was zo erg dat het ongedierte aan de binnenkant van zijn harnas “hem opeet en consumeert, sonder dat hij in staet is van sigh daer teghens te bevrijen”. Haar advocaat eist dat de schout hem gedurende het onderzoek door het Hof in een andere gevangenis onderbracht waar een lichter regime heerste. Palmen zou de huidige toestand niet meer lang volhouden. Hij eindigt zijn rekest met een financiële claim van zijn cliënte aan te kondigen.

Sluwe schout zit niet stil

De schout heeft eveneens zin visie op papier gezet die hij mee laat gaan naar het Hof. Hij heeft zelfs zijn ros beklommen of een koets van het kasteel gehuurd om de toezichthoudende advocaat Detiège in Aubel te bezoeken, hetgeen niets minder is dan een poging op voorsprong te komen staan in deze zich lang rekkende procedure. Aubel was niet naast de deur, een bode had dit ook kunnen doen. Daar vraagt hij deze advocaat met klem om zijn bevindingen ook naar diens collega Poswijck te laten gaan. Ondertussen namen hij en zijn collega’s flink afstand van schepen Creuwen die ze als een verrader beschouwden. Horsmans schreef een stuk waarin hij de verschrikkingen van de bendes flink aandikte, maar dat alles was voor de Raad niet doorslaggevend. De advocaat van mevrouw Krans, Mr.Limpens kreeg er ook van langs. Volgens Fransen zou hij met de Valkenburgse notaris L’Allemand, partners in crime volgens Fransen, geprobeerd hebben om van de in doodsnood verkerende schepen Tosses, die al eerder zijn afschuw over Fransen en consorten had geuit, belastende uitspraken over de heersende justitiehaviken te krijgen.

huis-poswick-in-kanne

  • Zo woonde de collega van Detiège, Poswijck (Poswick), in het nu in België gelegen Kanne, op een steenworp afstand van Maastricht. Detiège stamde uit een vermogende juristenfamilie uit het toenmalige Land van Limburg.

Op 29 augustus 1744 liet Fransen weten dat hij de brief van de Raad van Brabant waarin stond dat de advocaat van Krans binnen veertien dagen toegang moest krijgen tot haar man aan hem door een deurwaarder afgegeven was. Dik twee weken later schreef hij dat deze man nog niet was komen opdagen!!

  • wordt vervolgd
Advertenties