“Teunke uit de beemden”!

De eind maart 1704 in Schinnen geboren Anthoon Winckens, lokaal bekend als “Teunke uit de beemden”, huwde geheel zoals het hoorde in de toenmalige misdadige “ons-kent-ons” kringen op vijf februari 1726 met een zekere Helena Daniëls. Deze toen vijfentwintigjarige schoonheid was een zus van beroepscrimineel en z.g. onderkapitein der “Bokkenrijders”, Geerling Daniëls uit Wolfhagen. Teunke was slotenmaker (hij wist ook goed hoe je sloten moest kraken) en bedelaar van beroep. Die twee beroepen vulden elkaar ogenschijnlijk goed aan. Hij voelde echter de hete adem van justitie in zijn nek, toen links en rechts mannen opgepakt werden, waarmee hij innig had “samengewerkt”.  Op de “elfde van de elfde 1743” werd hij in zijn kraag gegrepen. Justitie had blijkbaar genoeg aanwijzingen dat de man uit het beekdal van Schinnen een niet zo fraaie cv bezat. Toen de reeds op kasteel Ter Borch in zijn woonplaats Schinnen gevangen zittende Wijn Wijnen, Hendrik Witmaekers en Jan Schoerens hem van medeplichtigheid betichtten was de race voor hem gelopen. Hij werd op 17 december 1743 opgehangen op de Dänikerberg, en vervolgens werd zijn lijk nog eens aan de vlammen toevertrouwd.

Anthoon junior, de schoenlapper uit Nagelbeek

De jonge Winckens was al een tijdlang op de vlucht toen er op 26 april 1751 een bevel tot arrestatie werd uitgevaardigd tegen hem. Hij was in april 1747 in Schinnen getrouwd met Barbara Catsberg, die zeven jaar ouder was. Barbara was familie van de bekende Catsbergjes uit een voorgaand artikel. Winckens junior was al in het eerste grote proces van 1743 te Schinnen van euvele daden beschuldigd. Het verhaal ging dat zijn vader hem het inbrekersberoep in de praktijk had geleerd. Practice makes perfect! De jongen zou volgens de auteur Pijls al op twaalfjarige leeftijd mer de bende erop uitgetrokken zijn om de roversstiel onder de knie te krijgen. Het arrestatiebevel tegen junior werd overal in Schinnen en omgeving op woningen en kerken bevestigd, zodat iedereen het kon zien. Het baatte niet en er kwamen geen tips. De vogel was ver weg gevlogen. Hij werd daarom door het gerecht in arren moede op 28 augustus 1753 “in effigie”**  veroordeeld, om in de vorm van een pop aan de galg opgehangen te worden. Justitie wilde zo tonen dat als ze hem te pakken kregen, deze straf zijn lot zou zijn. Zijn huis in Nagelbeek werd op bevel van de rechtbank tot op de grond afgebroken, en zijn bezittingen werden verkocht. Op de plek waar hij gewoond had, mocht volgens een besluit van de rechtbank een eeuw lang niet meer gebouwd worden.

Joannes Winckens, de bedelaar

Joannes was door Peter Schols uit Spaubeek beschuldigd geworden van het feit dat hij meegedaan had aan de overval op een zekere Petri. Schols was een rondtrekkende vagebond die met onguur tuig optrok. Joannes woonde te Puth-Schinnen aan de weg die naar Doenrade leidde. Hij had ook een bijnaam onder zijn criminele gezellen, “Stubben Hans van Puth”. Op een gegeven ogenblik rook Hans onraad en spoedde zich richting veiliger oorden. Dat lukte hem wonderwel. Of heimwee hem terug voerde weten we niet, maar dat hij terug kwam is een feit. Er gebeurde hem niets en zo kon het zijn dat hij in 1756 in Puth zijn laatste adem uitblies.

** In effigie: Latijns voor symbolische ophanging middels een beeld of pop, zie hieronder!

  • Met dank aan de site Bokkenrijders en afstammelingen!

norblin_hanging_of_traitors_in_effigie

Advertenties