“Hondscutje” als toepasselijke bijnaam voor een vrouw

Vele van de ons bekende “Bokkenrijders” droegen net zoals Joden en anderen in die tijd bijnamen. Het ging dan niet om namen die ze zelf verzonnen hadden om zich extra tegen de overheid te beschermen, maar om namen die ze gekregen hadden uit hun directe omgeving. Net zoals dat in mijn jeugd ook nog het geval was. Namen zoals “Jan van Marie op het bergske”, of “Koos Nekloos” voor de leraar waren heel gewoon in die tijd! Mensen kenden elkaar vaak beter onder een bijnaam dan onder de gewone familienaam. Het kwam ook voor dat heel vroeger bijnamen evolueerden naar een vaste achternaam. De bijnamen waren niet altijd complimenteus en een hedendaagse vaak overdreven gevoeligheid voor correctheid kende men absoluut niet. Had je een gebrek of loenste je, dan stond de bijnaam al vrijwel klaar. De naam Bokkenrijders bestond niet in de 18e eeuw, de tijd waarin de drie opvallende periodes van inbraken, roofovervallen en nachtelijke diefstallen voorkomen. Als er een groep mannen was die net zoals dat nu gebeurt, samenwerkten in een misdadigers b.v. , dan noemden ze zich gezellen of kameraden. Voor justitie was het tuig van de richel, die in de processtukken complicen worden genoemd. De naam Bokkenrijders die voortkomt uit het idee dat ze een pact met de duivel hadden gesloten en zich door de lucht op bokken voortbewogen, is pure romantisering uit de 19e eeuw. In de officiële procesdocumenten wordt de bijnaam vaker genoemd onder de toevoeging “alias of vulgo”! De kop van deze alinea heeft mogelijk betrekking op de wijze waarop deze vrouw om haar wijze van copuleren bekend stond!

Zelfs meerdere bijnamen kwamen voor

De eenogige Joannes Erens uit Schin op Geul was koning-keizer-admiraal. Hij droeg drie bijnamen: “Sijen Hensken”, “Scheel Hensken” of het lieftallige “het Mupken”. Leonard Maas uit Heerlen had er ook drie: “Horrebedor”, der Kniesch”, en “den Gulicker Lennert” waaraan je kunt zien dat hij uit de regio Gulik kwam. Toch is er een onderscheid te maken in de benamingen. Redenen om tot een bijnaam te komen vloeiden vaak voort uit lichamelijke kenmerken, geestelijke eigenschappen, beroepen, de geboortestreek en de afkomst. De haarkleur was al reden genoeg om iemand “rosse Toontje” of “’t swart Leentje” te noemen. Leonard Muylkens (Mulkens) uit Schimmert noemde men de “lamen Len”, omdat hij lam was. Peter Douven uit Heerlen had dienst genomen in het Hollandse leger en was opvallend lang en scheel. Hij kreeg het eerbiedwaardige etiket van “den schelen Pit”of “de schele soldaat van Heerlen” opgeplakt. Christiaan Ramaekers uit Klimmen die zeer mager was, werd in de volksmond “de Knoock” genoemd, en Arnold van Wersch uit Kerkrade noemde men “d’r scheiven Noldus”, omdat hij helaas mank liep. Ook iemands gedragingen of de wijze waarop hij bij de bevolking bekend stond droegen bij aan het verkrijgen van een bijnaam. Zo noemde men Hendrik Gijsen uit Geulle” ’t Heerke”, mogelijkerwijs omdat hij iets deftigs over zich had. Onberekenbaar gedrag kon ook reden zijn iemand een extra vermelding te geven. Daarom noemde men Wijnand Smeets uit Arensgenhout  “de gekke Klauw”. Peter Vrösch uit Beek stond bekend om zijn grote mond. Daarom noemde iedereen hem “Moulvegters Pit”. Het woord “moelevechter of moelejan” wordt overigens hier in Limburg nog steeds in het dialect gebruikt, en heeft meestal een onaangename klank. Jan Nelissen uit Geulle ( relatie met de sportjournalist Jean ???) stond bekend als een drankorgel of zuiplap en heette dus “Proostjan”! Proost wordt vervolgd!

( *** Met dank aan Land van Herle Mei/Juni 1987)

Advertenties