Toepasselijke bijnamen

Als je de vele documenten en proces-verbalen doorzoekt over de “bendeleden”, was er niemand die “de Neus”of “de Cobra” heette, maar de bijnaam “de Foks” kwam wel voor. Daarbij ging het om een inwoner van Beek, die bij zijn medemensen bekend stond als een sluwe vos. Een andere Beekenaar werd netjes “het Fijnwerck” genoemd omdat hij een beroep had dat precisie vereiste. Peter Clermonts was namelijk mandenmaker en daarbij was het fijne vlechtwerk een bijzonder vereiste. Christiaan Geilen uit Kaalheide was vaak op pad. Hij had dan ook een bijzonder beroep. Hij was mollenvanger en werd daarom “d’r Moutheuvelsvänger” genoemd. De mollenvanger trok van dorp naar dorp en had overal zijn vaste klanten en kreeg vaak zijn vaste informatie over interessante “zaakjes”. Mollen veroorzaakten nogal wat schade in boomgaarden en tuinen en moesten dus vernietigd worden. Er was ook een plezierige bijvangst. Voor de vellen van de diertjes had deze beroepsuitoefenaar zijn trouwe afnemers. Bernard Spirlet, waarschijnlijk van Waalse afkomst, woonde in Krawinkel-Geleen. Hij stond bekend als “de Spencelenkremer”. Bernard was marskramer en trok van boerderij naar boerderij om er zijn spullen aan de vrouw te brengen. Het ging daarbij om garen, knopen, lint en andere kleine koopmanswaren. De Waal Jaques Roosen uit Klimmen kwam onder meer aan de kost met het verkopen van tabakswaren en werd daarom “den Toeback” genoemd. Een andere Waal die we al kennen van een zeer brutale overval in de Schinse regio is Jacques Dujardin, een geboortige Parijzenaar. Hij kwam uit Hommert-Schinnen en beoefende het beroep van goochelaar en was tevens een rondtrekkend marskramer. Zijn bijnaam was snel gevonden, “de Keukelaer”.

Een bijnaam vanwege de herkomst of afkomst

Een plaatsnaam, een nationaliteit, of een familieafkomst, ze konden allemaal leiden tot een bijnaam. Joannes Hagens die aan de rand van Sittard in een huis dicht bij de Bonisbrug over de Geleenbeek  woonde, kreeg de bijnaam “de Boon”. Barthelomeus Trachten uit Klimmen werd “Meyske van Cardemig” genoemd. Cardemig was de naam van het huidige gehucht Craubeek. Christiaan Neander (!) uit Heerlen heette in de volksmond “de Coblenzer”, omdat hij uit het gehucht Couvelenz (Coblenz) van Heerlerheide stamde. Nicolaas Reumkens heette dus inofficiëel ” Claeas aan de Cook”, omdat hij in Heerlen in de Kookerstraat woonde. Richard Witmakers uit Hegge-Schinnen droeg de grappige  naam “Rijkske van gen Hegge”. In Simpelveld verbleef toentertijd een opvallend figuur. Hij ging altijd in het blauw gekleed en droeg een “gedraaide stert” oftewel een vlecht in zijn haar. Hij had twee beroepen die hij makkelijk en afwisselend kon combineren. Hij was bedelaar en marskramer in knopen. Aangezien hij uit Frankrijk kwam ( een achtergebleven soldaat uit een van de vele conflicten), werd hij “de Franzoos” genoemd. Johannes Oberjé uit Heerlen had een “buitenlandse” moeder uit het Waalse gebied. Ze noemden hem dan ook “Welsch wijffkens zoon”. Oorspronkelijk  werd zijn naam als Obrien geschreven, maar een langzame verbastering zorgde voor de naamsverandering. Soms waren de bijnamen eenvoudig. Zo heette Renier Sijben uit Hulsberg  voor zijn bekenden “de Sijb”, en Joannes Vlecken uit Weustenrade “den Vleck”. In een aantal gevallen is de oorsprong van de bijnaam niet meer te traceren. Zo stond “Kluppele Peterke” voor Peter Wouters uit Valkenburg. Wellicht maakte Joannes Severijns uit Beek een belangrijke indruk, want hij werd “den Majeur” genoemd oftewel de burgemeester. Leendert Claessen uit Geverik-Beek, had ook zo een prominente aanduiding. Hij ging door het leven als “de schele procureur”.

marsdkrame door OstadeB29.jpg

*** Een marskramer gaat de deuren langs door van Ostade.

Advertenties