Leonard of Lenert, “’t Cuijperke” van Schinnen

Jessen had een toepasselijke bijnaam, “’t Cuijperke” en wel vanwege zijn beroep. Hij voerde het ambacht van kuiper uit en maakte houten vaten of tonnen. Hij werd in 1696 geboren en trouwde in elk geval voor 1737 met de een jaar oudere Anna Gruijls. Ze kregen in 1737 een zoon, Petrus. Hij werd tijdens de verhoren van Hendrik Witmakers en Jan Schoerens genoemd als medeplichtige aan een aantal inbraken in de directe regio. Hij zou hebben meegedaan aan de inbraken te Sittard, Hoensbroek, en Amstenrade. Lenert woonde vlak bij de kerk in Schinnen en was een zoon van Peter Jessen en Helena Crags. Lenert werd op veertien maart 1751 gearresteerd, maar slaagde er wonderwel in om uit de gevangenis van ksteel Ter Borch te ontsnappen. Hij bleef weg, en dat was voor de rechtbank uiteindelijk de reden om hem twee jaar en vier maanden later “in effigie” op te hangen op de executieplek op de Danikerberg. Zo kreeg de overheid toch een zekere genoegdoening, ook al was het nep!

Hendrik Schreyen, de schoen- c.q. klompenmaker uit Schinnen

Hendrik, geboren op drie maart 1689 te Schinnen, was in 1716 getrouwd met Maria Cremers en woonde vlak achter de kerk in zijn dorp. Ze kregen vijf kinderen, waarvan rond de tijd dat dit verhaal speelt, alleen zoon Peter nog in leven was. Zijn vrouw was een zus van de misdaadgezel Lambert Cremers. Lambert wist net op tijd er tussen uit te gaan, maar werd op 28 augustus 1753 toch maar voor de bühne in effigie (gebruikmakend van een pop)  opgehangen. Het oog moest ook wat hebben. Ook Hendrik werd door zowel Witmakers als Schoerens beschuldigd van medeplichtigheid aan onwettige praktijken. De verhoren van deze beide mannen gebeurden overigens onder een onmenselijke tortuur. Dat kan toen, en heeft in andere gevallen vaak geleid tot het zo maar beschuldigen van mensen onder invloed van de vreselijke pijnen die de gevangenen moesten ondergaan tijdens deze “behandeling door de scherprechter namens het gerecht”. Schreyen had overigens een bijzonder talent. Hij was een z.g. “houterkersmaker”. Omdat mensen toen nog geen lucifers kenden, gebruikten ze houten spaanders (schnupperen) om vuur te kunnen maken. Hij was niet de eerste de beste. Vergeleken met zijn andere armoedzaaierige kameraden was hij redelijk in goede doen. Hij bezat een paar stukken grond en had drie runderen in de wei staan.

Hendrik slaat op de vlucht

Hendrik voelde dat justitie hem in het oog had. Er gebeurde eind 1743 zoveel om hem heen, dat het hem wijzer leek om een relatief veilig heenkomen in Maastricht te zoeken. Hij kreeg er zelfs een job en toen de eerste ronde van de vervolgingen in de Schinse regio leken af te nemen, kwam hij weer terug naar eigen haard. Wonderbaarlijk genoeg liet justitie hem met rust. Dat veranderde toen de tweede ronde van vervolgingen en arrestaties een aanvang namen. Op 14 maart 1751 verdween Hendrik in een smerige cel van kasteel Ter Borch. De rechtbank pakte het slim aan. Schreyen werd met een bewaakt escorte naar kasteel Sint-Jansgeleen gebracht waar hij tegenover bendelid Mevis Offermans kwam te staan. Deze beschuldigde Schreyen van allerlei vergrijpen. Hij ontkende vehement maar kreeg op zes april te maken met de strenge examinatie. Na vele uren van martelingen bekende hij, maar herriep alles na een nachtje slapen. Een onafhankelijke jurist oordeelde echter dat hij gerust weer “op tortuur” kon. Dat gebeurde een tiental dagen later. Schreyen gaf het al gauw op en bekende van alles en nog wat, zelfs een een vermeende diefstal in Ter Heyden. Deze ging niet door volgens hem omdat de bewoners van de woning nog wakker waren, maar ook omdat er in de nachtelijke uren nog allerlei volk onderweg was. Korte tijd later ontkende hij weer een paar zaken. Hij zou alles bekend hebben door de helse pijnen. Het was te laat. Het doodvonnis werd op 11 mei bekend gemaakt. Vier dagen later “vertrok” Schreyen naar de Danikerberg. Hij werd opgehangen aan de galg. Zijn zoon Peter ging in beroep tegen de confiscatie van land en goederen van Schreyen senior. Hij eiste een deel van de woning, de moestuin en grondbezit aan het “Schinner Buske” op. Het zou nog bijna twee jaar duren voordat deze zaak zijn beslag kreeg.

 

 

 

Advertenties