De man die veel pech had

Custers was een van diegenen die tot slachtoffer zouden worden van het ongemeen hardvochtige vervolgingsbeleid te Schinnen in de beginjaren vijftig van de 18e eeuw. Gerard, geboren in maart 1720 en in januari 1749 te Geleen gehuwd met Maria Catharina Klinckenberghs, die van origine Duitstalig was, zou het jaar 1752 niet helemaal volmaken. Zijn vrouw kwam uit het bij Düren gelegen Lengensdorf. Hij was een schoenbroer van de beruchte Henri Glaesmaeckers, een scharenmaker uit Geleen. Gerard’s zus Maria was namelijk met deze vooraanstaande gezel uit het dievenleger gehuwd! Gerard had ook nog als landbouwersknecht gewerkt, en was het elfde kind uit een kinderrijk gezin van twaalf. De 32-jarige man had niet veel geluk gehad in het leven. In tegenstelling tot de toenmalige elite kon hij op niets terugvallen. Velen wisten niet eens of ze ‘s-avonds genoeg te eten hadden. Persoonlijk had het koppel ook veel klappen gekregen. De twee snel geboren kinderen van Gerard en Maria Catharina waren al als baby gestorven. Desondanks was zijn vrouw weer zwanger toen hij in 1751 de ogen van justitie op zich gericht wist. Op dat ogenblik werkte hij als dagloner. Het was een echte overlevingsbaan. Elke dag opnieuw moest hij proberen een karwei te krijgen. Vaak had hij uit pure nood geprobeerd om in verre streken een baan te krijgen. Zo was hij tien jaar soldaat geweest in het Hollandse leger en had hij zelfs in Dordrecht tijdelijk de kost kunnen verdienen. Eigenlijk had de realiteit hem daartoe gedwongen. Gerard stond bekend als een gelegenheidsdief en veelpleger van kruimeldiefstallen, en via de “mond-op-mond reclame” van mensen was zijn reputatie overal in de regio bekend. Hij kreeg geen werk weer meer en moest wel weg gaan. Hij had zelfs zijn vrouw mee naar Zuid-Holland genomen. Alleen kon die het niet redden. Sociale zekerheid was er niet.

De strop wordt aangetrokken

Gerard was een gepassioneerd stroper en viste vaak in verboden wateren, te weten de vijvers en riviertjes die van de kasteelheren waren. Het kon niet uitblijven. Hij werd opgepakt en in het kasteel van Schinnen in een cel gegooid. Justitie trok meteen van leer en probeerde hem de overval bij Petri in zijn bouwvallige schoenen te schuiven. Hij beweerde daar niets mee te maken te heben, omdat hij in die bewuste nacht aan het vissen was geweest met zijn zwager Henri. Hij zei wel uit eigen beweging dat hij spullen uit de Danikermolen had ontvreemd, maar hij zou nooit dor hout uit percelen van anderen gestolen hebben. Dat laatste was toen ook al een misdaad de strop waardig! Justitie ging de touwtjes aantrekken. Men kreeg de permissie om hem te martelen. Dat had resultaat, want op 21 april 1752 bekende hij zijn “misdaden”. Hij herriep echter de dag erna dat hij de duivelse eed ( dat was heel erg in de ogen van justitie) op de bende had gezworen en dat hij schuldig zou zijn aan de overval op Petri. Wel verklaarde hij nogmaals dat hij gevist had op plekken waar dat niet mocht en dat hij meel gestolen had uit de molen te Daniken. Dat was genoeg om de onafhankelijke advocaten te doodstraf te doen adviseren. Op 16 mei 1752 hing hij samen met twee Geleense gezellen aan de galg op de Danikerberg. Hij werd op het kerkhof van Geleen begraven.

** Danikermolen

danikermolen.jpg

Advertenties