Een orgie van justitiegeweld

December 1776 was een dramatische maand voor het in het Limburgse heuvelland verscholen liggend dorpje. Het “bendewezen” en de hardvochtige vervolging van betrokkenen liepen er op zijn eind, maar dat gold nog niet voor het dorp aan de Gulp. Achttien december 1776 zou er een zwarte dag worden. Laten we eens kijken wie de man was die op deze dag door justitie gevonnist zou worden. Een onwezenlijke optocht van schutten, gewoon volk en justitie ambtenaren zou hem naar de galg aan de Struchterweg begeleiden. Het gebied van de bank Gulpen maakte deel uit van de Staatse Partage (het deel van de Republiek) van Het Land van ‘s-Hertogenrade. De daar aangeklaagden moesten echter voor verhoor en detentie hun opwachting maken bij de rechtbank van het hooggerecht Valkenburg. Daar traden luitenant-hoogdrossaard W.D. Vignon en advocaat C.L.de Limpens als eisende partij op. De rechtbank werd er gecompleteerd door de schepenen Craen, Wateler en Wintgens. De Staatse overheidsdienaren stonden bekend om hun ongemene hardvochtigheid. De ongelukkige waar het in dit artikel om gaat is Joannes Aldendorff, geboortig uit het Rijk van Aken, waar hij in 1723 het levenslicht zag. Joannes stond net zoals velen binnen en buiten het bendemilieu bekend met een bijnaam, in dit geval was dat “Poel Hans”. In een overzicht uit 1776 van de kosten die de rechtbank op allerlei manieren maakte in relatie tot het oppakken van bendeleden uit het Valkenburgse gebied, staat onze Joannes dan ook vermeld als Joës Aldendorp, met zijn alias Poel Hans erbij. Dit zou kunnen verwijzen naar het feit dat hij vlak bij een poel in het dorp woonde, en dat zijn bijnaam daar mee te maken had. Joannes die al twintig jaar in Gulpen woonde was er in 1758 getrouwd met de dan zesendertigjarige Maria Brouwers. Zeven jaar later kreeg het echtpaar een dochter, Gertrudis.

De schout van Gulpen vermeldt de kosten

Joannes die door verscheidene gevangen zittende bendeleden beticht was van nachtdieverij werd op 27 oktober 1776 opgepakt. Alias “Poel Hans” ging zich niet braaf melden. Er waren voor dit vuile werk gerechtsmedewerkers nodig die hem ophaalden. De schout stuurde een gerechtsbode en twee wachters naar zijn huis en de kosten van hun inzet bedroegen twee gulden en tien stuivers. Joannes werd op kasteel Neubourg te Gulpen in een onfrisse en koude cel gegooid. Volslagen in het ongewisse en wanhopig over wat er zou kunnen gebeuren moest hij lijdzaam afwachten. Op veertien december ging de schout met twee schepenen met een speciale intentie naar Valkenburg. Ze achtten het toch nog noodzakelijk om alvorens een finale beslissing omtrent het vonnis van Joannes te nemen, de zich daar over hem bevindende strafaktes nog eens goed door te lezen. De schout wilde overigens ook nog eens met de daar gevangen zittende nachtdief Vreuls praten, die immers beschuldigingen tegen Joannes geuit had. De schout noteert op de uitgavenrekening dat dit uitje voor hun drieën zes gulden kostte en dat hij dit grootmoedig uit eigen zak had voorgeschoten. De huur voor zijn paard bedroeg ook nog eens een gulden. Er moest ook een ijlbode naar Maastricht gaan om daar de “Scharpregter en twee Stadtstrawanten” te bestellen, de beul en zijn knechten, waarvoor hij een gulden en vijf stuivers in rekening bracht. De dag van executie was extra duur. Nadat Joes zijn ter dood veroordeling te horen had gekregen werd hij dag en nacht door twee wachters in de gaten gehouden. Dit grapje plus de kosten van verteer en de hellebaardiers die meeliepen in de “optocht” naar de galg kostte maar liefs negentien gulden.

Achttien december 1776

Op deze dag werd Joannes uit kasteel Neubourg opgehaald, en samen met twee andere Gulpenaren die nog nader belicht zullen worden,naar de executieplek gebracht. Zijn vrouw bleef achter met een negenjarige dochter. Zij zou nog een gevecht moeten aangaan met justitie omtrent de nalatenschap, want die wilde de overheid maar al te graag inpikken. Op 23 mei 1777 stond Maria Bours, de echtgenote van wijlen Joannes voor de secretaris en de schepenen van de Bank Gulpen. Deze figuren wilden van haar weten welke vaste goederen haar echtgenoot had bezeten binnen het Gulpense rechtsgebied. Ook waren ze geïnteresseerd in de goederen die beiden tijdens hun huwelijk mogelijk verworven hadden. De vrouw werd er serieus op gewezen dat ze geen enkele informatie aangaande bezit mocht achterhouden. Maria verklaarde dat haar overleden man noch in de Bank Vaals waar hij geboren was, noch in Gulpen enig bezit had gehad. Tijdens hun huwelijk hadden ze geen extra bezittingen verkregen. Alles wat ze hadden had zij geërfd van haar ouders, en had ze ook nog moeten delen met haar broer. Op  het huidige moment bezat ze alleen nog maar een deel van een woning en een tuin, gelegen aan de Gatz in Gulpen. Dan was er nog een weiland en een stuk land van 156 kleine roeden groot. Omdat Maria niet kon schrijven, tekende ze de akte met een kruisje. De arme vrouw vertelde wanhopig dat ze op dat ogenblik geen brood voor haar en haar twee (?) kinderen had. Ze verzocht daarom de rechtbank of ze over het geld dat de verkoop van de helft van hun roerend bezit had opgebracht kon beschikken. De rechters verklaarden dat ze daarover niet konden beslissen. Ze zouden wel de rentmeester van het Land van Valkenburg op de hoogte stellen en dan op zijn beslissing wachten. De kans was groot dat er een negatieve beslissing zou komen. De elite had immers geen idee van het harde leven dat een arme burger moest leiden. Zeker niet als het volgens hun om misdadigers of familie van ging.

Advertenties