Aan de wipgalg

Nicolaes bleef ondanks de ellendige pijnen zijn mond potdicht houden. De schout knikte eens verveeld naar de scherprechter die dit signaal goed begreep. Het was het teken om de graad van de tortuur te verhogen. De beul wist wat hem te doen stond en bracht welwillend de beenschroef aan op het linkerbeen. De martelingen schenen Nicolaes niet te deren. Hij gaf geen krimp. De rechters besloten om drie uur in de namiddag om hem dan maar aan de “stroppade” of wipgalg te hangen. Dit uiterste middel was een bijzonder wrede en mensonterende mishandeling. De gedetineerde werd met zijn handen op zijn rug geboeid en daarna opgetakeld. De pijnen waren zo erg dat de meesten deze vorm van tortuur niet volhielden en van alles bekenden om maar van dit marteltuig af te kunnen komen. Soms kreeg de beulsknecht ook nog opdracht om tijdens deze marteling met de zweep te slaan. Het gebeurde ook dat de gevangene gewichten aan zijn tenen kreeg waardoor deze konden afscheuren. Het martelmenu was soms onuitputtelijk. De la Haye hield deze vorm van marteling dan ook niet lang vol. Na een aantal keren gedurende anderhalf à twee minuten aan een arm opgetrokken te zijn, gaf hij een teken dat hij de waarheid wilde spreken. Hij bekende al twintig jaar lid te zijn van de bende nachtdieven en dat hij verleid was door iemand wiens naam hij niet kende (N.N). Verder verklaarde hij zich schuldig aan de vijf diefstallen die in zijn verhoren al aan de orde waren geweest. Aldus werd er op 30 augustus 1776 het proces-verbaal opgemaakt van dit laatste scherpe verhoor.

Het verhoor gaat door op zaterdag 31 augustus

Een dag later, in de namiddag van de eenendertigste augustus, zat Joannes weer tegenover zijn pijnigers. Het was de bedoeling dat hij nu in alle vrijheid zijn afgelegde verklaring van een dag eerder zou bevestigen. Hij komt nog met een toegift voor de rechters. Alsnog geeft hij toe zo een dertien à veertien jaar geleden meegedaan te hebben aan de gewelddadige overval op de boerderij van boer Tinus. Hier ging het om de hoeve “Aen de Handt” die in het Rijk van Aken lag. Hij beschuldigt nu een zekere Ambrosius Vreuls, die hem “verleid”zou hebben om hieraan mee te doen.Deze persoon komt ook voor in het relaas van Joannes over de diefstallen bij de pastoors van Margraten en Gulpen.Joannes vertelt in een vervolg verhoor van dinsdag vier september hoe hij op een avond om een uur of negen vanuit zijn woning  met een ander bendelid door een holle weg naar Ingber gegaan is. Boven aan deze omhoog lopende holle weg stond Vreuls vlak bij de weide van schepen van Craen op hun te wachten. Na wat heen en weer gepraat, waren ze naar Scheulder gelopen waar een paar andere mannen klaar stonden. Samen met deze personen was hij toen direct naar de kerk van Margraten gegaan. De rechters reageerden opgewekt. Ze konden beginnen aan een nieuw hoofdstuk!

De confrontatie met Ambrosius Vreuls

De confrontatie met Vreuls die ook op het Landshuis in Valkenburg gevangen zat, vond plaats op eenentwintig september. Aanwezig namens de overheid waren schout de Swart en vier van zijn schepenen.De confrontatie tussen beiden verliep zoals ze meestal verliep bij dit soort zaken. Beide mannen zeggen elkaar te kennen vanwege het feit dat ze in Gulpen wonen, en wederzijdse vijandschap is hun vreemd. Als het op de cruciale punten aankomt van bende lidmaatschap en medeplichtigheid aan overvallen etc., kan Joannes natuurlijk niet meer ontkennen. Vreuls echter zegt dat hij nooit bij een bende geweest is en dus ook nooit iets fout gedaan heeft. Na voorlezing  van de akte aan beide mannen is ook dit hoofdstuk in de ondergang van de la Haye weer geschreven. Joannes gaat op zestien december van uit Valkenburg op transport naar Gulpen, waar hij twee dagen later opgehangen wordt. De man met de prachtige voornaam wordt ook tijdens dezelfde “hanging party” geslachtofferd door een in zich zelf gekeerde justitiële elite.

De nasleep

Op 23 mei 1777 wordt de echtgenote van de la Haye voor de rechtbank gedaagd. Nu willen de heren rechters exact weten hoeveel bezit de twee hadden tijdens hun huwelijk. Magdalena Panacker vertelde dat haar man, zoals in het dorp algemeen bekend was, geen bezit via erfenis of wat dan ook van zijn ouders had verworven. Dan ontstaat er een grote verwarring. Ze vertelde dat haar man tijdens hun huwelijk in 1753 ( de akte vermeldt 1733) op het kantoor van de stadhouder een huis met toebehoren had gekocht van Jenne Jansen, een weduwe. Het betreffende huis lag aan “den ouden Mastrigter Wegh alhier”. De koopprijs bedroeg toen driehonderd twaalf gulden Brabants, Maastrichtse koers. Helaas had haar man toen geen geld om de aankoop te  kunnen voldoen.Joannes had daarom in februari 1757 bij notariële akte van notaris Lamberts tweehonderd gulden van een broer van zijn vrouw geleend tegen een rentepercentage van vijf procent. In dezelfde akte valt ook nog te lezen dat Joannes aan deze schoonbroer nog eens een extra bedrag van honderddertig gulden schuldig was. Men dacht verder dan vandaag, want er staat eveneens in dat als het echtpaar de verplichting van aflossing en rentebetaling  niet zou kunnen nakomen, of als er sprake zou zijn van vroegtijdig overlijden van beiden, dat dan het huis en toebehoren naar de voormelde crediteur Louwis Panacker zou gaan. Louwis, die bij zijn broer inwoonde, had echter testamentair geregeld dat zijn bezit naar deze broer zou gaan bij zijn overlijden. Louwis stierf vijf jaar later in 1772, waardoor een nieuwe situatie ontstond. Hoefsmid Joannes Panacker werd nu opgeroepen door de rechtbank om een en ander te bewijzen. Hij liet echter weten niet te kunnen komen vanwege doofheid en stuurde zijn zoon Hendricus. Deze gaf aan dat zijn geëxecuteerde oom al in februari 1770 vijfendertig gulden achter lag met het betalen van rente, en dat er sindsdien ook nooit meer iets betaald was. Hij geeft aan dat zijn vader behalve dit huis geen enkel bezit heeft in de Bank Gulpen en vraagt verder de rechtbank om de rechten van zijn vader te waarborgen. Hendrik kan niet schrijven en ondertekent met het befaamde kruisje.

Oktober 1777, het naspel

Op achttien oktober 1777, stond de weduwe van “den Stomp” opnieuw voor de “Scheepenen der Heerlijkheijd en Hoofd Banke Gulpen”. Het ging dit maal om de geldelijke afhandeling van de inbeslagname van de  roerende goederen van de la Haye, gedaan bij akte van zeventien mei 1776. De opbrengst daarvan had honderdvijftig gulden, dertien stuivers en twee oort bedragen. De helft hiervan was bedoeld voor het lokale Gulpense bestuur. Daarvan ging een deel naar  de kosten van het proces. De andere helft was voor Magdalena en haar gezin. Als er zou blijken dat er nog zaken waren die zij geldelijk gezien nog moest voldoen, dan zouden die van het voor haar bestemde geldbedrag afgetrokken worden. Ook ditmaal tekent Magdalena met een “dankbaar” kruisje.

Bron: Voor alle delen RHCL Maastricht

Advertenties