“De Schutt” in het gevang

Baltus Frijnts, bijgenaamd “de Schutt”, werd in 1722 in Gulpen geboren. Hij trouwde in 1752 met Elisabeth Frijns, met wie hij een jaar later een zoon kreeg, Wilhelmus. Frijnts zat gevangen in het Landshuis te Valkenburg. De  volgens de rechtbank “alsnu gegezelde Baltus Friens” verbleef daar al sinds oktober 1776. Uit de “declaratie van de Heer van Gulpen en Margraten voor de kosten der criminelen deel Gulpen”, kunnen we concluderen dat Baltus al in diezelfde maand door scherprechter Hameluit Maastricht  “behandeld” werd. Op vijf juli 1777 beantwoordde de advocaat-fiscaal van het Hof van Brabant een vraag van schout Eijsscher Van Gulpen om advies te verkrijgen inzake het geval Frijnts. De jurist begon met het maken van een complimentje ten aanzien van de Gulpense justitie. Het door hun gevoerde proces tegen deze man was op behoorlijke wijze gevoerd. Hij was niet zo maar “op losse gronden”opgepakt. Nee, de aanhouding had plaats gevonden nadat drie hem bekende metgezellen die vastzaten in de Valkenburgse gevangenis hem van meerdere feiten hadden beschuldigd. Frijnts had zelf nog eens extra verdenking op zich geladen, toen hij nadat hij hiervan had gehoord, zijn dorp in aller ijl had verlaten. Een rond deze tijd opgepakte vierde persoon, Leonard Eijssen, beschuldigde Frijnts eveneens van deelname aan malafide praktijken. Baltus werd vervolgens met zijn eerste drie aanklagers geconfronteerd. Tijdens deze confrontatie hield hij bij hoog en laag vol dat hij onschuldig was. De drie “aanklagers” bleven desondanks in “generale termen” bij hun eerder gedane uitspraken, zonder echter in detail te treden over de diefstallen.

Zwaarder geschut voor “den Schutt”

Toen Baltus “in negative bleef persisteren”, vroeg de schout toestemming aan de schepenen van Gulpen om over te gaan tot het scherp examen. Deze gaven daartoe permissie, zeker nadat Baltus tijdens zijn confrontatie met Leonard Eijssen opgebiecht had, dat hij verscheidene keren vruchten op het veld had gestolen, en zelfs een hemd van “de Bleijk”had ontvreemd. De overheidsdienaar gaf de rechtbank groot gelijk. In een persoonlijke noot voegde hij er nog aan toe, dat als justitie niet meer kon afgaan op de beschuldigingen van gedetineerden, man niemand meer kon oppakken, tenzij hij “in flagranti delicto” zou worden betrapt! Behalve deze getuigen, zo schreef hij, vond men bijna nooit personen die iets gezien hadden en erover wilden spreken. De man is er zelfs van overtuigd, dat alle tot nu toe terecht gestelde personen nooit het achterste van hun tong hebben laten zien over wat ze zelf gedaan hebben en over hetgeen anderen aan misdaden gepleegd hebben. Dan wordt hij kritisch ten aanzien van de Gulpense rechtbank. Wat was er aan de hand? Hij had tijdens het bestuderen van de hem toegezonden stukken ontdekt dat het document omtrent de beschuldiging van de reeds terechtgestelde Frans Brassé aan het adres van Frijnts ontbrak. Fijntjes voegde hij eraan toe dat ze zich geen moeite meer hoefden te doen om het na te sturen. Hij had deze informatie al verkregen via zijn Valkenburgse bronnen. Hij gaat nog even verder! Ook ontbraken de bewijzen over de deelname van Frijnts aan de overval op de Kluis te Valkenburg en over zijn medeplichtigheid aan de diefstal bij de pastoor van Margraten. Als zou blijken dat Baltus alleen van deelname aan de overval op de kluizenaar zou kunnen worden beticht en er geen sprake zou zijn van boos opzet, dan zou het moeilijk worden om hem met de dood te bestraffen. Immers, had Frijnts in een verhoor van een maart 1777 niet verteld, dat hij door drank beneveld buiten de Kluis in slaap gevallen was, en dat zijn mede gezellen hem na de door hun gepleegde overval mee naar huis hadden moeten slepen, zonder dat hij een deel van de buit kreeg.

Er is nog hoop voor de rechtbank

Frijnts had op een maart 1777 echter wel bekend dat hij aanwezig was geweest bij de overval te Margraten. Volgens hem had hij op de avond van de overval in een plaatselijke herberg met een collega-gezel afgesproken. Nadat hij met deze en een paar andere mannen de nodige brandewijntjes had genuttigd, waren ze de berg naar Margraten omhoog gegaan. Zijn taak was het geweest om bij het huis van schepen Auw op de uitkijk te gaan staan. Volgens afspraak zou hij “Tiret”moeten roepen als er iemand aan zou komen Hij vertelde dat hij tijdens de overval de pastoor “bitterlijk”om hulp had horen roepen, maar dat hij na het plotselinge luiden van de kerkklok in paniek naar huis was gevlucht. De advocaat constateerde dan ook dat de rechtbank behoorlijk en in de juiste zin haar werk had gedaan. Trouwens de uiteindelijke bekentenis van Frijnts in deze zaak  was door hem buiten de tortuur gedaan. Hij had zelf verzocht om zijn geweten te ontlasten en zijn aandeel te bekennen. Frijnts vertelde de rechters daarna waarom hij niet tijdens de martelingen bekend had. Hij zou gehoopt hebben deze te doorstaan om dan vrijgesproken te kunnen worden. Toen hij vernomen had dat hij naar een andere gevangenis zou worden gebracht en dat daar mogelijk nog meer bewijzen tegen hem zouden opduiken, had hij bekend in de hoop er met een mildere straf vanaf te komen. De advocaat-fiscaal achtte hem schuldig. Hoe had Frijnts anders alle bijzonderheden omtrent de diefstallen kunnen opbiechten als hij er zelf niet bij was geweest?

wordt vervolgd door deel twee

Advertenties