Een eenzame en wanhopige gevangene

Baltus zat eenzaam in zijn cachot in het Landhuis te Valkenburg en overdacht wanhopig wat er met hem zou gebeuren. Hoe zou zijn vrouw zich kunnen redden en wat zou er van zijn zoon komen als hij de doodstraf zou krijgen? Hij kon niet slapen. De verroeste kettingen sneden in zijn vlees en belemmerden hem om zich goed te kunnen draaien. De advocaat-fiscaal van het Hof van Brabant was ondertussen met andere zaken bezig. Hij pijnigde zijn hersenen met juridische spitsvondigheden, die echter steeds opnieuw binnen het Staatse rechtsidee moesten passen. Hoe een gevangene moest overleven in smerige kerkers, interesseerde hem niet eens. Grijnzend bedacht hij dat Baltus niet in aanmerking kon komen voor een pardon overeenkomstig de resolutie van 23 februari 1776, binnen welke afgeweken kan worden “van de Strengheid der Wetten”, en wel op “versoek sijner Naastbestaanden”. Baltus zou dan niet de doodstraf krijgen, maar voor “altijd geconfineert”worden. Hij oordeelde dat “dese Gevangene met de Dood behoord gestraft te worden”. Deze kerel kon niet eens de veldvruchten met rust laten en had ook nog “in overspel geleeft”. Trouwens de rechters in het Limburgse land konden volgens hem niet eens afwijken van de hoogste straf. Dat was ten enen male voorbehouden aan ”s-Lands wetten. Hij redeneerde verder. Waar zou je overigens gevangenen die voor deze regeling in aanmerking zouden komen moeten opsluiten? In het Generaliteitsland waar deze man inwoner van was, was geen tuchthuis te vinden waar je dit soort kerels zou kunnen gevangen zetten. Hij achtte het ook niet kies om dit soort mensen voor een “kleijn Stuivertje” in Luik te laten opsluiten. Dat was immers bij algemene wet verboden.Toch gebeurde het dat officieren van justitie de wet in deze zin overtraden en dat vrienden van gevangenen ervoor zorgden dat ze ondanks de regelgeving toch in Luik werden opgesloten, “sonder dat men deselve daar kan ontdekken”! Daarmee zegt hij dat het gebeurde dat veroordeelden via de Luikse mazen plotseling verdwijnen konden. Hij dacht er ook niet over om in een der “Provintiën” zo een soort gevangenis op te richten. Dat zou veel te duur zijn. De “Naastbestaanden” zouden het verblijf daar niet eens kunnen betalen.

De officier-fiscaal weidt uit over de daden van Baltus en adviseert de schepenen

„Alsoo Baltus Frijnts, alias den Schuth, oud vijftig jaren, geboren en
„wonende te Reijmerstok onder de Banke van Gulpen, thans
„gedetineerde, buijten Pijn en Banden van IJzer heeft bekend, dat hij
„over eenige Jaren uit zekere Schuur des Nagts met behulp van zeker
„Schaapherder heeft gestolen vier off ses vaten Rogge en deselve voor
„zig heeft behouden, dog aan deselven Schaapherder voor zijn aandeel
„in gemelde Diefstal heeft gegeven vijff en een halve Schelling.

De hoge beambte begint vervolgens het criminele curriculum vitae van Baltus aan de openbaarheid prijs te geven. De gevangene had enige jaren terug in de buurt van het gehucht Reijmerstok vlak bij de koolhof van Trin, een hemd weggepakt, het over zijn eigen kiel aangetrokken en voo zichzelf gehouden. Baltus had ook nog een aantal malen aardappelen, vruchten en koolraben uit het veld gestolen. De overval op de eremiet op de “Schaarberg” wordt eveneens breeduit gememoreerd in zijn verhaal. Baltus was toen in het gezelschap van een aantal personen, waarvan er twee een geweer bij zich hadden en hijzelf een stok, naar de kluis op de Schaelsberg getrokken.Hij was echter op de plaats van het delict beneveld door de drank in slaap gevallen en was pas ontwaakt toen hij door zijn boze kornuiten ruw door elkaar gerammeld werd. De advocaat-fiscaal gaat ook nog in op de overval op de kerk in Margraten, en benadrukt dat het hierbij om zaken  gaat die in een land van justitie niet getolereerd kunnen worden en die “op het Rigoreuste behoren te worden gestraft”!  Gelet op alles adviseert hij de Gulpense rechtbank om de gevangene Frijnts te vervoeren naar de plek waar men gewoon is “criminele justitie” te doen. Baltus moet met de koord gestraft worden, en na zijn dood ter afschrikking aan de galg blijven hangen. De gevangene wordt verder veroordeeld tot het betalen van alle kosten, en al zijn goederen zullen in beslag genomen worden. De ootmoedige dienaar Joh.Fred. van Steelant ondertekent als advocaat-fiscaal zijn relaas op vijf juli 1777.

Schout Marcellus de Swart is aan zet

De schout zal nu de resolutie van de Raad van Brabant over Baltus Frijnts moeten uitvoeren, hetgeen nog eens duidelijk gemaakt wordt in een schrijven dat op 21 juli door deze zelfde Raad is opgemaakt. Er zal zich echter een wonder voltrekken. “De Schutt” wordt na geseling verbannen uit het Land van Gulpen en overlijdt in 1789 in païs en vree!

Advertenties