Rond het midden van augustus 1810 viel in het gehucht Silverbeck in Niederkrüchten ten oosten van Roermond in het departement Nedermaas een wolf een 9 jarige jongen aan en doodde hem. Het gebeurde vlak bij het huis waar de jongen wwonde. Bartholomé Dahmen was samen met zijn stiefzusje van tien en een twaalfjarige buurjongen beesten aan het hoeden, toen plotseling een wolf het bos uit sloop. Hij viel Bartholomé onverhoeds aan en sleepte hem het bos in. De stiefvader van het meisje zette onmiddellijk de achtervolging in toen hij vernam wat er gebeurd was, maar vond enkel nog de resten van de knaap. De burgemeester van het dorp gaf direct bevel om een jacht te organiseren. De posse kon al snel vertrekken en kwamen het beest op het spoor toen ze het Rijtbroek bereikten. Ondanks hun gaffels en andere wapens kon het dier toch ontsnappen richting Overkrüchten aan het Meijnwegsbos. Binnen twee weken waren er al drie doden gevallen aan de oostzijde van de Maas, maar ook aan de overkant van de rivier bleek zich een wolf op te houden.

Nu zou de westzijde van de Maas het toneel van schrik en afgrijzen worden. Op 23 augustus 1810 werd de kleine Jan Nijs gebeten door een wolf die vanuit het niets was opgedoken. Wonderwel werd hij door zijn vader gered en zijn wonden genazen voorspoedig. De kleine Judith Geraerts uit het dorp Helden had minder geluk toen ze op zevenentwintig augustus werd meegesleurd naar een moerasgebied in de buurt. Vele dorpsbewoners zochten gedurende de nacht met lantaarns het hele gebied af, echter zonder resultaat. De volgende dag pas werden de stoffelijke resten van het kind gevonden. De wolf had het meisje geheel aan stukken getrokken. Zoals gewoon waren enkel de ingewanden overgebleven. Het was een verschrikkelijk aanzicht. Op twee september pas werd het hoofd van het meisje gevonden. De ouders konden aan de hand van de uiterlijke kenmerken bevestigen dat het om hun dochter ging. Een week later werd een knul van zeventien door een wolf tot aan de voordeur van zijn huis achterna gezeten. Hij kon nog net ontkomen aan de beten van het dier! Zelfs de burgemeester van Kessel dreigde het slachtoffer te worden, toen hij op zestien september op een kilometer afstand van zijn woonplaats een wolf tegenkwam. Slechts door heel voorzichtig achteruit te lopen tot aan het eerste het beste huis en daar naar binnen te vluchten, kon hij lijf en leden redden.

Op vijftien september 1810 viel er weer een slachtoffer aan de rechterzijde van de Maas. Niemand had iets gezien of gehoord. Korte tijd later meldde een dorpsbewoner dat hij toch een wolf had zien wegsluipen in de richting van Vlodrop. Op vijfentwintig september waren twee kleine bedelaartjes samen op weg naar huis toen ze werden aangevallen door een wolf. Het jongetje van acht werd direct door de wolf meegesleurd. Zijn zusje van twaalf kon hard schreeuwend haar noodlot ontwijken en zo een paar mensen alarmeren. De kleine jongen werd korte tijd later dood gevonden. De door het lawaai geschrokken wolf was er waarschijnlijk tussen uit gegaan en had het kind laten liggen. Wellicht dezelfde wolf maakte een paar dagen later nog een nieuw slachtoffer in Helden. Daarna duurde het tot eenendertig oktober alvorens hij weer toesloeg. Anna Jans, een meisje van veertien jaar oud, was met het weeskind Guillaume Lenaerts op weg naar haar oom, die kleermaker in Merbeck was. De Jongen werd in de Meirstraat aangevallen door een wolf. Het meisje kon nog net het huis van haar oom binnen rennen. Talloze mensen uit het dorp startten onmiddellijk een zoektocht. Het leverde niets op. Pas in de avonduren werden de schoenen van de jongen ontdekt. Weer was een kind slachtoffer geworden van het agressieve dier!

Op Allerheiligendag 1810 gingen jongeren uit het dorp op weg om te kijken of ze het slachtoffer konden vinden. Zijn lijk werd gevonden op ongeveer honderd meter afstand van de straatweg in een bos. Het jaar 1810 kende nog een ander slachtoffer in de persoon van de negen jaar oude Lambert Segers die afkomstig was uit Posterholt. In het proces-verbaal over deze zaak vermeldt de burgemeester dat de jongen tegenover zijn woning door de wolf overmeesterd werd toen hij samen met zijn zesjarig broertje hout aan het sprokkelen was. De burgemeester waarschuwde snel zijn collega in St. Odiliënberg omdat de wolf de richting van dit dorp was uitgevlucht. Het duurde echter tot de maand mei 1811 alvorens de wolf weer van zich deed spreken in het Roermondse gebied. Het eerste slachtoffer van 1811 was een driejarig meisje uit Beesel. Na de aanval werd direct de alarmklok geluid waarna lokale bewoners aan hun zoektocht begonnen. Het dode meisje werd twee kilometer vlak bij de huidige Duitse grens gevonden. ”Le corps etoit tout entier”, werd in het proces-verbaal opgeschreven. Haar lichaam was nog geheel intact, maar toch……….

De volgende dag om acht uur in de ochtend werd de kleine Catharina Ramaekers in Brüggen aangevallen door een wolf terwijl ze met haar ouders onderweg was. Door het geschreeuw van mensen in de buurt ging de wolf op de vlucht. maar het achtjarige kind was al ernstig gewond. Ze genas echter wonderwel van haar verwondingen. Begin juni 1811 schrijft de prefect in Maastricht dat er weer een kind door een wolvin zou zijn aangevallen in het dorp Elmpt. Op vijf juni van dat jaar werd Servais Pleum het volgende slachtoffer. In het overlijdensregister staat geschreven dat het mannetje op die dag in de namiddag is overleden nadat hij door een wolf was doodgebeten. De wolf had het kind laten liggen toen een ruiter te paard achter hem aan was gegaan. Binnen een jaar tijd waren er elf doden en meerdere gewonden te betreuren. Men was toen terecht bang voor de wolf.

wolf-en-het-lam

Ooh, ’t arme lam!

Advertenties