De Franse bureaucratie

Tijdens het bewind van Napoleon rond 1800 was het jachtorgaan de Louveterie verantwoordelijk voor de jacht op de wolf. De Grootjagermeester was er de baas en hij benoemde in alle departementen drie luitenants die de bestrijding van de wolf moesten organiseren. Dat was ook het geval in het departement van Nedermaas waar Kapitein de Borchgrave de verantwoordelijke persoon was. In een bewaard gebleven dossier  vindt men nog veel schrijfwerk van deze functionaris uit de periode 1807-1811. In het jaar 1806 werden alleen al door officiële wolvenjagers in totaal 1926 wolven gedood in het Franse rijk. Dit alles tot grote waardering van Napoleon die op dat moment zijn slag bij Eylau tegen de Russen en de Polen aan het voorbereiden was. In het jaar 1811 was  de angst voor de wolf zoals we eerder hebben gezien in Noord-Limburg erg groot geworden. De verantwoordelijke kapitein  voor de wolvenjacht zat echter vrolijk in Parijs achter zijn bureau. Zijn eerste vervanger werd dan ook benaderd door een boze inspecteur voor de bossen en wateren in het departement Nedermaas. Hij verzocht de man om eindelijk effectief en daadkrachtig te gaan optreden. Maar het wachten duurde hem te lang en de inspecteur schakelde daarom algemeen boswachter Veugen van het arrondissement Roermond in om nu maar zelf aan het werk te gaan. Via zijn meerdere werden alle boswachters in de regio gealarmeerd om zich te melden voor de jacht op de wolf. Zij waren zwaar teleurgesteld in de Louveterie en wilden nu zelf ter plaatse het initiatief nemen. Besloten werd om een eigen voorlopige compagnie te vormen en dit als plan voor te leggen aan het centrale gezag te Parijs. Ze gebruikten deze gelegenheid om de Louveterie er flink van  langs te geven. Men begon al snel met de organisatie, alhoewel de goedkeuring hiervoor pas op twintig september uit de verre Franse hoofdstad afkwam.

De voorlopige compagnie bestond uit kapitein van Bommel en vier luitenanten. Inspecteur werd de al eerder vermelde Veugen. Men ging nog een stap verder, en zocht uit een groot aantal buurgemeenten de beste schutten zodat men op een aantal van 350 mensen uitkwam. Uit Beesel en de omgevende regio had men op deze wijze al een groot aantal jagers gerecruteerd. Op vijf september 1810 wist een groep jagers de eerste wolf te doden. De oorspronkelijke Louveterie was ernstig in verlegenheid gebracht door deze actie. Ze voelden dat aan hun bevoegdheden geknaagd werd en de onderprefect van Roermond greep daarom in. Hij wilde niet eens dat de mensen van beide groepen elkaar leerden kennen. Belangrijker voor hem was het dat er nu wolven werden geschoten. Hij wilde dat de voorlopige groep een organisatie zou zijn die zou samenwerken met de oorspronkelijke Louveterie. De prefect keurde een en ander goed maar onderstreepte wel dat het slechte functioneren van de Louveterie debet was aan het grote jacht debacle. De voorlopige dienst bestrijding wolven werd echter na het jaar 1810 niet meer vermeld. Begrijpelijk, men had op gevoelige tenen getrapt!

De Borchgrave gaat op jacht

De oorspronkelijke wolvenjagers onder de Borchgrave hielden in juli 1808 hun eerste jacht. Een wolf had flink huisgehouden in en rondom Beesel en nogal wat vee aangevallen en verscheurd. De Borchgrave was erg gemotiveerd om er nu het beste van te maken. De jagers konden echter geen wolven ontdekken. Hij opperde dat de dieren zich makkelijk in de wijdverbreide graanvelden konden verbergen en zo onzichtbaar bleven. De gehate “brigand a quatre pattes” was en bleef onvindbaar. Daarna hield de jacht op de wolf voorlopig op. Het departement toonde geen interesse meer in de wolvenjacht. Er zijn geen stukken over deze periode meer te vinden. Wel zijn er nog vele documenten over aanstellingen en betalingen van personen in allerlei functies!! In de zomer van 1810 is de overlast van de wolf weer erg groot. De prefect in Maastricht werd aangeschreven door de onderprefect te Roermond. Maastricht adviseerde laatstgenoemde om snel een drijfjacht te houden. De onderprefect had gezien zijn ervaringen geen groot vertrouwen in de bureaucratische Louveterie. Toen hij vernam dat er in Brüggen een kind gedood was, gaf hij opdracht om op negen augustus 1810 een grote klopjacht te houden in de omstreken van Belfeld, Swalmen en Beesel. De burgemeesters van de resp. plaatsen moesten persoonlijk alle jagers aanwijzen. Dat waren in principe inwoners uit zijn dorp die wisten hoe men een wapen moest hanteren. De drijvers die deelnamen aan de jacht, moesten van thuis uit knuppels en gaffels meenemen. Er werden een aantal verzamelpunten gekozen en de algemene leiding was in handen van een drietal functionarissen, waaronder algemeen bosopziener Veugen.

wolf-rood_titel

Advertenties