Kwelgeest Smeets

Sebastiaen Boosten, wiens geboortedatum  onbekend is, was afkomstig uit Beek. Hij had er aan het Wolfeynde gewoond. Hij trouwde in 1758 te Beek met de dan drieëntwintige jarige Margareta Vrusch, die hij waarschijnlijk al kende vanuit de kleine Beekse gemeenschap. Hij verhuisde naar Elsloo, waar hij als smid ging werken. Bastiaen is mogelijk door  zijn familierelaties en bekenden in het misdaadmilieu beland. Zijn naam kwam voor het eerst in beeld bij justitie in september 1773. De op dat ogenblik in het Landshuis te Valkenburg gevangen zittende  Matthijs Smeets uit het naburige dorp Beek, had zijn naam genoemd nadat bij hem de duimschroeven en de linker beenschroef waren aangebracht. Matthijs biechtte op “schuldig” te zijn aan een voorgenomen diefstal ( ’t tentamen van diefstal) bij schepen Brugge in Lummerich. Een van de mannen die hij in het van zijn verhoor opgemaakte proces-verbaal beschuldigde van betrokkenheid aan dit plan, is “Bastiaan Boostens”. De rechtbank stond Smeets een pauze toe tussen de verhoren, maar hij moest in de namiddag opnieuw aan de bak. Tijdens dit verhoor vielen de namen van “de gardenier van Elsloo”, “nog eenen uijt Elsloo, kort van postuur en swart van haijr, en de gebroeders Joannes en Christiaen Vrusch. De twee laatstgenoemde mannen waren broers van zijn vrouw en oefenden in Beek het beroep van slotenmaker uit. Deze mannen zouden dus mede de reden kunnen zijn waarom Bastiaen in het bendewezen verstrikt is geraakt.Een zus van deze twee mannen was gehuwd met een Frederic Pisters, een andere slotenmaker uit Beek, die ook het een en ander op zijn kerfstok had. Smeets biechtte eveneens een te Haevert begane diefstal op, waarbij Bastiaen Boosten volgens hem betrokken zou zijn geweest.

Nog meer beschuldigingen!

Matthijs werd op de achttiende september opnieuw ondervraagd. Hij had geen zin in een nieuwe martelingen en biechtte maar liefst vierenveertig namen van mannen op die in 1772 meegedaan zouden hebben aan de overval op de weduwe Robroks ” op de Laek aen deese seijde Maaseijk”. We komen een paar bekenden tegen: de tuinman of gardenier Jan Wanten uit Elsloo, Joannes Vrusch, maar ook Bastiaen Boosten!!  Er zou nog meer volgen. Smeets vertelde dat hij een jaar voor de overval op vrouw Robroks “handdadig” was geweest bij een diefstal “op een hofken” in de buurt van Bourscheid bij Aken. Hieruit blijkt dat de actieradius van betrokkenen als het om misdaden ging in veel gevallen zeer groot was. De afstand Beek-Aken legde je niet zo maar voor je plezier af in die dagen.Volgens Smeets waren hier weer inwoners van Elsloo bij geweest. Hij vermeldde Bolderjan, Hendrick, een cleen mancken, en den gardinier Wanten. Zelf, zo zei hij, had hij dienst gedaan als schildwacht. Hij zou drie kwartier lang op de uitkijk gestaan hebben “op de misthof”! Plotseling noemde hij ook nog Bastiaen Boosten, die een deel van de buit zou hebben gedragen op de terugweg. Dat zag er niet goed uit voor Boosten. Drie beschuldigingen achter elkaar, betekende dat je lot bezegeld was. Boosten moest zich serieus zorgen gaan maken, toen Smeets de rechtbank vertelde over een diefstal die de zelfde groep mannen gepleegd zou hebben in een herberg op een uur afstand van Kornelimünster. Dat betekende dus dat Boosten voor de vierde keer een “eervolle” vermelding kreeg van een hem bekende gedetineerde.

Boosten voelt de hitte van justitie

Boosten, die via een informant gehoord had dat hij diep in de problemen zat, was woest. Hij sloeg met een stuk ijzer tegen het aambeeld en schreeuwde tegen zijn vrouw dat haar broers schuld waren aan zijn benarde situatie. Hij wist nu dat drossaard de Limpens van de Baronie Elsloo de jacht op hem zou beginnen. De schepenbank van Elsloo had geen eigen hoge jurisdictie. De schepenbank kon uit hoofde daarvan niet oordelen over zaken die leven en dood betroffen. Daarom werden er drie toegevoegde schepenen uit het buitengebied benoemd, een secretaris in de persoon van advocaat Roemers uit Maastricht, en een openbare aanklager. Deze laatste functie werd bekleed door Joannes C.S. de Limpens, die ook nog eens drossaard van Mechelen aan de Maas was. Over cumulatie van functies gesproken.De zittingen van de rechtbank van Elsloo vonden plaats in het Oude Stadhuis van Maastricht. Als er “pijnlijke” verhoren nodig waren, werd scherprechter Jan Hamel vriendelijk uitgenodigd. Bastiaen kreeg het benauwd. Hoe kwam hij hieruit? Er was maar een uitweg. Hij moest vluchten naar veiliger oorden. Dat betekende wel dat hij zijn vrouw en jonge zoon moest achterlaten.

Het vonnis valt

De rechtbank van Elsloo sprak op veertien november 1774 haar vonnis uit in het Oude Stadhuis in de Grote Staat. Dit hield in dat Bastiaen  op de volgende wijze gestraft zou worden: “voor altoos uijt deze vrij Heerlijcheid en vrij Baronie, met interdictie van noijt in dezelve te moogen verschijnen, op pœne van daarinne bevonden wordende, zwaarder te worden gestraft, met condemnatie van denzelven in de Costen en misen van justitie ter onzer Taxatie en moderatie met Confiscatie van goederen.”

Hij werd bij verstek verbannen en stond te boek als “fugitif”. Zijn vonnis werd drie dagen later in het openbaar aan de Kaak in Elsloo na het slaan van de klok in aanwezigheid van de schepenen en de drossaard nogmaals voor iedereen die het wilde horen herhaald. Uit een daarna opgemaakt overzicht van geconfisceerde goederen ten behoeve van rentmeester van Panhuys, blijkt dat Boosten’s bijdrage hieraan nihil was. Zo stond het letterlijk vermeld. Hij had dus geen of nauwelijks bezittingen waar men iets mee kon. De arme sloeber die het nooit breed had gehad, in tegenstelling tot de toen heersende bestuurlijke elite, zou het nog slechter krijgen!

Advertenties