Het is gauw gezegd dat een vrouw een echte heks is. Vaak heeft deze betiteling dan te maken met sluw en misleidend gedrag. In vroeger tijden was je echter letterlijk de sigaar als men je van hekserij betichtte. Mensen die enigszins anders waren, of die ergens waren geweest waar iemand daarna ziek geworden was, konden er al van verdacht worden een heks te zijn. In het jaar 1522 had te Roermond een proces plaats tegen een zekere Trijn van der Moelen. Ze werd er door justitie van verdacht te kunnen toveren. Wat was het geval? Tijdens een wandeling had ze in de buurt van Vlodrop een man ontmoet die op een paard onderweg was. Ze vroeg de man of ze op het paard mocht rijden, maar die stemde niet toe. Trijn zou toen boos geworden zijn en aarde geworpen hebben naar het paard. Di alles  onder het uiten van duivelse verwensingen. Het paard verloor door het tumult zijn evenwicht en de man sloeg de vrouw uit boosheid. Trijn bedreigde hem daarna met gerechtelijke stappen, maar er kwam uiteindelijk  niets van haar dreigement terecht. Ze was de volgende dag echter spoorslags naar Aken gegaan, waar ze een tijdje zou verblijven. Toen ze in haar woonplaats Roermond terugkeerde, kwam de schout haar direct opzoeken en arresteerde haar. Trijn bekende dat ze met de duivel een verbond had gesloten. Die zou haar als beloning daarvoor geld gegeven hebben. Ze moest als wederdienst mensen en dieren betoveren. Trijn beleefde er niet veel plezier aan haar duivelse genoegens, want ze werd spoedig tot te brandstapel veroordeeld.

Twee vrouwen uit het Roermondse land werden in het jaar 1525 ervan beschuldigd paarden, koeien en schapen betoverd te hebben. De dieren zouden volgens justitie ten gevolge van deze  betovering gestorven zijn. De twee vrouwen bekenden tenslotte schuldig te zijn aan het ten laste gelegde. Ze werden door de rechtbank tot de brandstapel veroordeeld om zo tot as te verbranden. De rechtbank der schepenen wilde een voorbeeld voor anderen stellen, zodat mensen deze tovenarijen vermijden zouden. Pas in het jaar 1581 kwam er een nieuwe zaak van hekserij toen een onderzoek werd ingesteld naar het gedrag van een zekere Kael Merrie. Een vrouw uit haar buurt, de echtgenote van een Italiaanse sergeant uit het stadsgarnizoen, had Kael beschuldigd van tovenarij. Volgens de vrouw zou haar dochter  door Kael Merrie vertroeteld zijn, waarna het kind ernstig ziek geworden was.

Sommige buren van Kael legden verklaringen af waarin ze stelden dat de vrouw al veel langer met tovenarij aan de gang was. De mensen meden deze vrouw zoveel mogelijk. Een persoon zei dat de vrouw zijn varken uit haar tuin had gejaagd en dat het dier daarna verlamd was geraakt aan de achterste poten. Een andere had van haar een vat bier geleend, en was even later na eruit gedronken te hebben ziek geworden. Een andere vrouw die pas een tijdje naast Kael woonde, verklaarde dat haar koe plotseling melk gaf die noch boter noch room opleverde. Niemand kon echter met zekerheid zeggen dat Kael Merrie ook echt de oorzaak was van deze zaken. Toch was een beschuldiging in deze tijd al genoeg om je lot te bezegelen. Bij gebrek aan bewijs, en omdat de vrouw niet bekende ergens schuldig aan te zijn, werd  de aanklacht door justitie ingetrokken. De verdachtmakingen van tovenarij bleven echter bestaan de stad wilde haar uiteindelijk toch verbannen omdat ze geen echte Roermondse was. Kael moest overeenkomstig het vonnis voor zonsondergang de stad verlaten en mocht voortaan niet meer binnen een twee mijls zone van de stad komen op straffe van arrestatie en tortuur.

In september 1614 had de schout van Venlo opdracht gegeven om een zekere Barbara Vresen te arresteren. Hij wilde haar direct aan een strenge examinatie onderwerpen om op die manier vast te stellen of de vrouw echt was wat er van haar beweerd werd, n.l. een heks. Dit betekende dus dat de tortuur gehanteerd zou worden om een bekentenis af te dwingen. De  arme vrouw werd al geruime tijd door bepaalde personen beschuldigd van tovenarij. Zo zou ze iemand de hand op zijn schouder gelegd hebben, ten gevolge waarvan hij zou sterven. Er zouden zwarte katten in haar huis rondlopen die een heidens kabaal maakten en ze zou paarden, varkens en andere beesten kunnen betoveren. Het Hof te Roermond had de schout daarna opdracht gegeven om haar gevangen te nemen. De schepenen van de stad Venlo dienden over deze gang van zaken een klacht in bij de Aartshertog. Ze waren van mening dat op deze manier  hun rechten aangetast zouden worden. Het Roermondse Hof had niet het minste recht zich te mengen in hun zaken. Het Hof te Roermond had al eerder vrouwen veroordeeld en op afschuwelijke wijze terecht gesteld omdat ze ervan verdacht werden tovenaressen te zijn. De Aartshertog besloot een aantal dagen later dat de raadsleden te Venlo gelijk hadden. Uitsluitend zij hadden de bevoegdheid deze zaak te examineren. Ze begonnen hun onderzoek, met als gevolg dat Barbara op 6 november 1614 in vrijheid werd gesteld. Ze mocht echter onder geen beding de stad verlaten. Daarvoor zouden haar bezit en dat van haar man garant moeten staan. Het Hof te Roemond protesteerde nog wel, maar er gebeurde niets meer. Vanaf die tijd zijn er in Roermond geen vervolgingen meer geweest.

hekser

Advertenties