Strikte orde

Men gaf de jagers de volgende strenge regels: niet praten, niet roken en op je post blijven. Het grote gebeuren begon om negen uur in de ochtend. De jachttroepen trokken naar de Maas, terwijl ze de bossen en moerassen waar ze doorheen trokken op sporen van de wolf doorzochten. De Borchgrave vertelde in zijn rapport dat hij gaande de jacht informatie kreeg over wanordelijkheden binnen de troepen. Hij beschreef hoe de drijvers van Nedercruchten in totale wanorde waren geraakt. Er was zelfs  een groep die niet het bos van Amersloh in wilde gaan. De Borchgrave  kreeg hulp van een brigadier der gendarmes en wist zo met de nodige dwang de drijvers te bewegen om toch het bos in te trekken. Toen we, aldus de Borchgrave, bij een moeras kwamen wilden de mannen weer niet verder gaan. Toen besloot ik het goede voorbeeld te geven en ging als eerste het moeras in. Plotseling schreeuwde een  van de drijvers  ”au loup”!  Hij had gezien dat een wolf mijn richting uit kwam. Ik sprong op mijn paard en reed naar het punt waar de wolf zich moest bevinden, maar de zich daar bevindende mannen stonden rustig hun pijpje te roken! De jachtmeesters deden al het mogelijke om de drijvers in een rij te houden, maar helaas, de wolvin kon ontsnappen. Toen iedereen aan beide kanten de oevers van de Maas bereikt had, gaf de Borchgrave opdracht om de trompet te blazen. De boodschap was duidelijk, de jacht was mislukt! De teleurstelling  voor dit fiasco overheerste overduidelijk bij de Borchgrave, maar hij voelde  ook een bepaalde voldoening. Hij was immers degene geweest die voor deze algemene drijfjacht gekozen had.  Hij was een voorstander geweest was van afzonderlijke drijfjachten.  Toch gaf hij de boeren die met overduidelijke tegenzin hadden deel genomen er flink van langs. De Borchgrave ging daarna naar zijn logeeradres in Roermond, waar hij in de avonduren het droevige nieuws ontving dat die ochtend in het een paar kilometer verderop gelegen Arsbeck een jongen van elf jaar oud door een wolf was gedood. De volgende dag ging men op de plek des onheils poolshoogte nemen en besloot ter plekke  tot een drijfjacht op zeventien september.

Een nieuw verzamelpunt

Als verzamelpunt werd het heidegebied tussen Cruchten en Arsbeck uitgekozen.  Men speurde tot bij de stad Roermond, maar de wolf bleef onvindbaar. Een van de jagers wist te vertellen dat hij  in de voorbije nacht bij het licht van de maan had waargenomen dat er een wolf uit het moeras bij Dalheim was geslopen. De Borchgrave besloot om erheen te gaan. Toen ze de plaats bereikten kon hij aan de sporen zien dat het om een een mannetjes wolf  ging. De drijvers spoedden zich naar het Elmpterbos en dreven in de richting van de plek waar de jagers zich verzameld hadden. Plotseling kwam iemand met het bericht  dat er een wolf in de buurt van een moeras zou zijn waargenomen. De Borchgrave gaf zijn paard de sporen en reed naar het door de man genoemde punt.  Een zich daar bevindende herder vertelde hem dat de wolf in de richting van het dorp Herkenbosch was gelopen. De Borchgrave wist nu dat ook deze poging mislukt was.  Hij schreef op dat men waarschijnlijk de wolf enkel nog kon lokken met de stoffelijke resten van zijn slachtoffer. Maar dat ging wel echt te ver! Op eenentwintig en tweeëntwintig  september werden  er opnieuw drijfjachten georganiseerd. De Borchgrave was er nu niet meer bij. Hij had zijn luitenanten gestuurd.  Maar ook nu was er geen wolf te bekennen rondom de plaatsen Maasniel, Beesel, Swalmen en Belfeld. Boeren en alle mensen die gedwongen moesten meedoen aan de jachten kregen een enorme afkeer van de hele zaak. Sommigen, zoals de kleermaker Arnold Sanders en nog een drietal boeren weigerden nog te verschijnen. De burgemeester maakte boos een  rapport over deze weigering!  Andere boeren lieten ondertussen ook weten dat ze niet meer zouden  verschijnen als niet iedereen zou komen. De onderprefect te Roermond kreeg het rapport in handen en besloot een voorbeeld te stellen. Alle personen  die niet wilden deelnemen aan de jacht moesten een forse boete krijgen. Hij was zo slim om de burgemeesters te adviseren om de geplande jacht op een zondag direct na de hoogmis te houden. Iedereen zou dan zeker aanwezig zijn. In november 1810 suggereerde hij zelfs aan zijn meerderen in Maastricht om bij de jacht gebruik te maken van militairen. Hij stelde voor om vijf gewapende soldaten per gemeente aante stellen Op deze wijze konden de vijftig betrokken gemeentes in de regio aan jagers, drijvers en militairen een totaal aantal van meer dan zes duizend personen leveren. De soldaten moesten in elke gemeente samen met de beste schutten elke dag het territorium doorkruisen op zoek naar sporen van de wolf. Iedere gemeente werd verondersteld om elke avond hun ervaringen aan Roermond door te geven.

Het was de bedoeling dat de jagers en alle anderen op deze manier ervaring zouden opdoen. In zijn visie kon het toch niet zo zijn dat deelnemers aan de jacht puur uit angstgevoelens de wolf zouden laten ontsnappen. Alle jagers die voor de  plaatselijke grondbezitters werkten, alsmede de in het gebied werkzame boswachters zouden samen met de Louveterie moeten samenwerken. Uit niets bleek echter naderhand dat een dergelijke grootse aanpak van de grond gekomen was. Sterker nog, de notities over de jacht op de wolf verdwenen geleidelijk aan. Wel werden er in juni en juli 1811 nog twee wolven gedood in de buurt van Swalmen. Een van de dieren betrof een wolvin die later in Roermond ten toon werd gesteld. Er is ook nog een document te vinden over een landbouwer die in de eerste helft van oktober 1812 een wolvin heeft gedood bij de Bauershof. Daarna droogde de informatie op. Wellicht zijn er nog andere bronnen die licht werpen op deze zaak. De wolf zal niet zo maar zijn of haar hielen gelicht hebben om definitief naar veiliger oorden te vertrekken!

Advertenties