Maastricht hecht aan autonomie

Oorzaak van het oproer was het verzet van de stad tegen de vergaande centralisatiepolitiek van Karel de Vijfde. De stad die in de prins-bisschop van Luik en de hertog van Brabant ( lees Karel V) twee bazen had, beriep zich op de oude banden met het Duitse Rijk. Men was van mening dat ze aan deze band een autonome status konden ontlenen. Bij mogelijke geschillen met de hertog van Brabant kon men zo beroep aantekenen bij het Rijkskamergerecht van het Duitse Rijk. Brabant wilde natuurlijk niet akkoord gaan met deze zienswijze. De stad Maastricht zocht steun en verzekerde zich van de hulp van het prins-bisdom Luik en het Duitse Rijk. Deze stap leidde tot allerlei processen met als kernvraag: “hoorde de stad nu bij Brabant of bij het Duitse Rijk”? De situatie leidde tot een grote verdeeldheid onder de burgers van de stad en tot een opstand tegen het Brabantse bestuur. Bij de hieropvolgende schermutselingen werden stadsgouverneur  van Ghoor en burgemeester Printemps in juni 1539 op brute wijze gedood. Een rebellerende menigte trok plunderend door de stad en verzamelde zich op de markt. Het stadsbestuur benoemde in allerijl een nieuwe burgemeester die alle schutters uit de stad bij elkaar riep. Schutterijen waren door hun eenmaal afgelegde eed trouw schuldig aan het stadsbestuur.  Het bestuur kon dan ook in tijden van nood op de schutterrijen rekenen. De  pas benoemde burgemeester liet de schutters echter voor alle zekerheid nog een nieuwe eed zweren. Toen er in de hierop volgende nacht nieuwe onlusten uitbraken, werden de schutters  op strategische plekken in de stad  geposteerd.  Hiermee beoogde  het bestuur de rellen te beperken. Als extra maatregel werden er nog twee grote groepen schutters op de markt en bij het St.Servaas klooster opgesteld. Stadsgevangenis, “de Landscroon” in de huidige Grote Staat, werd eveneens zwaar bewaakt. Een tijdsgetuige, een zekere  Lens van den Blocguerie, heeft deze dramatische gebeurtenissen beschreven. Van den Blocguerie waarschuwde overigens korte tijd later de Brabantse regering in Brussel over de toestand in de stad.

Een op hol geslagen menigte

Volgens het verhaal van Lens wilde de schout op een bepaald moment enkele mannen arresteren.  Tot dit groepje behoorde ook een zekere Peter Frambach. De arrestatie verliep echter niet op de gewenste wijze. Er brak een hevig tumult uit waarbij burgemeester Printen ( Printemps) door een van de relschoppers  ernstig aan zijn hoofd gewond werd. Hij kon nog vluchten en verborg zich in het Dinghuis. Hij werd echter ontdekt en door de oproerkraaiers gedwongen om met hun mee te gaan. De schout had zich eveneens verstopt in het Dinghuis. Hij was daar ook niet veilig en werd al snel gevonden. De opstandelingen boden hem een vrijgeleide aan, maar hielden zich niet aan hun woord en namen hem toch weer mee naar de markt. Daar werd de man hevig geslagen en ernstig met een steekwapen verwond. Hij overleed de volgende dag aan zijn zware verwondingen. Ook burgemeester Remeijs Printen, (Remigius Printemps), overleefde deze onlusten niet. Als het niet zo een slecht weer was geweest gedurende de nacht, had het gepeupel nog voor veel meer rampspoed kunnen zorgen. De  relschoppers vielen  in de hele stad burgers lastig, verschaften zich toegang tot het klooster van de Predikheren en plunderden er zoveel ze maar konden.  Het schuim probeerde toortsen uit de St.Servaaskerk  te stelen en riep inwoners op uit hun huizen te komen, anders zouden ook zij gedood worden. Een inwoner van de stad , Geurt van den Ancker, vluchtte naar Luik en informeerde de prins-bisschop over de ellende in Maastricht. ( Maasgouw 1879, maart 27) De volgende dag trok het gepeupel naar het St.Servaasklooster en eiste er eten van de kloosterlingen. Ze hadden haast, plunderden het ongekookte vlees uit de peekel en braadden dit op een vuur. Rijproost Koelen van het St.Servaas kapittel zag de ernst van de situatie in en  gaf hun eten en drinken om verder onheil te voorkomen. De meute trok daarna verder en stroopte de andere kloosters af met een en hetzelfde doel. In de namiddag slaagden de schutters er in om de boeven uit de kloosters te verdrijven. Een dag later al konden  de schout en de burgemeester begraven worden. Korte tijd daarna werd een afgezant van de stad naar het centrale bestuur in Brussel gestuurd om er raad in te winnen. Het Hof van Brabant ontbood op hun beurt een aantal voorname personen uit de stad om uitleg te geven over de gewelddadige gebeurtenissen.

godsdienststrijd_maastricht_1576_2

Advertenties