De Fransen voerden de dienstplicht voor Hollandse mannen in toen ze in 1794-95 in onze streken de baas werden. Deze wetgeving ging in in het jaar 1798 over in de z.g.conscriptie. Elke twintigjarige jongeman moest zich op de mairie bij een ambtenaar melden. De dienstplichtigen ( of conscrits) werden daar nauwgezet geregistreerd en het systeem werd zo fijnmazig  opgezet dat er op een eenzame uitzondering na geen ontkomen aan was. Vele jongens uit onze provincie probeerden echter de dienstplicht voor de gehate Fransen te ontlopen. Ze deserteerden op weg naar hun kazernes, of doken op geheime plekken onder. De vergeldingsmaatregelen van de wraakzuchtige Franse overheid werden steeds bruter. Er volgden torenhoge boetes van wel twintig keer de jaarwedde van een knecht en er werden zelfs familieleden opgepakt. Deze personen bleven in de gevangenis zitten totdat de dienstplichtige soldaat zich weer had gemeld. Er bestond overigens wel een systeem van broederdienst en een regeling waarbij de conscrit tegen betaling een vervanger kon regelen. Toen de Franse keizer echter vanaf het eerste decennium van de negentiende eeuw steeds grotere aantallen soldaten nodig had om zijn vernietigende oorlogen te kunnen voeren, moest bijna elke jongeman van een bepaalde lichting opkomen. Zo verging het ook een aantal jongens uit Meerssen,  die allen bij een legeronderdeel van de dragonders terecht kwamen. Dat overkwam Gerardus Hamers in het jaar 1798, Everardus van Alm in 1794, Pieter Verstee in 1794, en Wijnandus Viegen in het jaar 1798. De vier jongens kwamen op dat ogenblik nog in dienst onder de vlag van de Franse “Hollandse” republiek.  Een ontevreden Napoleon trok echter in  het jaar 1799 via een staatsgreep alle macht aan zich, waardoor er een einde kwam aan de republiek. Vanaf dan was ons toenmalige land “Frankrijk” geworden. Wijnandus kreeg zijn ontslag uit het leger in 1801 met de rang van korporaal, en diende dus nog onder zijn nieuwe heerser. Jean Henry Ringer deed vervangende dienst voor Joannes Lemmens uit Geleen en volbracht die bij het  Eerste ”Regiment des Carabiniers”. De jongens hadden het erg moeilijk in het leger. Er was een voortdurend gebrek aan voedsel, en het was een alledaagse praktijk dat hun spaarzame bezittingen gestolen werden. De overlevingskans als soldaat was erg klein, en wie wel het “geluk” had terug te komen, was vaak lichamelijk, geestelijk of beiden tot een wrak geworden.

joost-welten-lezing-gouda

Soldaat uit Frans leger

Advertenties