In de maand november van het 1797 verlieten veel geestelijken gedwongen hun parochies in het Limburgse land. Ze doken onder, nu ze nog konden, omdat ze de eed van haat niet wilden afleggen bij de Franse overheid. Ze waren letterlijk vogelvrij verklaard door de Fransen. Franse gendarmes begonnen felle klopjachten op de mannen te houden.Vele geestelijken liepen in de opgezette val en werden onder begeleiding van een gewapend escorte met veel geweld en intimidatie naar Brussel gebracht. Degenen die erg veel pech hebben, belandden uiteindelijk in de overzeese strafkolonies in Frans-Guyana. Vele geestelijken lieten daar het leven als martelaar voor de vrijheid. De uitgangspunten van de Franse revolutie, met name vrijheid en gelijkheid bestonden dus eigenlijk niet. Een ooggetuige, een zekere burger Hous, zag op een dag hoe een gevangenen transport van zeker zeventien geestelijken uit Maastricht in Leuven aankwam. De mannen zaten opgesloten in drie koetsen en waren volgens de begeleidende soldaten  op doortocht van Luik naar Brussel. Ze “overnachtten” in een Leuvense gevangenis die normaal voor misdadigers was gereserveerd. Ook de groep van zeven priesters  die korte tijd later gezeten op een kar aankwam kreeg deze deze behandeling. De volgende dag moesten zij evenwel te voet naar Brussel gaan. Er waren geen karren of koetsen meer voorhanden om hun verder te brengen. De meeste gearresteerde geestelijken waren pastoors uit de zeer wijde omgeving. De geestelijken uit de hogere echelons ontliepen de Franse terreur evenmin. Ook zij werden ook opgepakt en gevangen gezet. Hous herkende  tussen deze gevangenen zelfs  de proost van het St.Servaas kapittel uit Maastricht alsmede een aantal professoren van de universiteitscolleges.Vanaf midden juni 1798 verminderde het radicale karakter van het Franse bestuursorgaan de Directoire en kregen de gematigde leden meer zeggenschap. Een gevolg daarvan was dat de jacht op priesters en andere geestelijken gelukkig minder werd.

Advertenties