Uit een akte die op twintig april 1616 voor notaris Lambert de Vaulx in Maastricht passeerde en bij de leenhof van Valkenburg zes dagen later geregistreerd werd, blijkt dat jonker Melchior Tzevel van den Edelenbampt, die ook wel Putz genoemd werd, een som geld van 3200 gulden aan Brabantse koers opgenomen had bij Ambrosius de Booms, de hoogschout van het Brabants gerecht te Maastricht. Deze regenten kochten niet aleen voor een flinke som geld hun functie, maar fungeerden klaarblijkelijk ook vaker als hypotheek verstrekker. Booms was overigens getrouwd met Cornelie Vereycken. Putz had zijn huis en hof Putz bij Puth-Schinnen als onderpand voor zijn lening gegeven. De deftige jonker kreeg letterlijk 3200 gulden in “goeden ganckbaeren silvere ende goude muente” tegen een koers van twintig stuivers Brabants de gulden in handen Het geld werd hem overhandigd in een veelvoud van muntsoorten.

Acht rijders, acht angelotten, een Potugalois, vier goudguldens, elf Henricus Nobels, honderd en een dobbelen Albertus, twaalf Hongerssche dukaten, zeventig roesennobels, veertien “dobbel Luyker ducaeten”, twee en een halve dobbel Spaanse pistoletten, een Luiker goudgulden, zeven Bouillonse goudguldens, drie en vijftig rijksdaalders, acht Philippus daelders, tien copstucken, twaalf Luiker daalders, een dobbelen Luiker daalder, een Mantuaensen daalder, veertien quartz d’escu, drie Carolus gulden, en een dobbel Albertussen. Hoe en waar je al deze munten kon aanwenden om ermee te betalen is me een raadsel. Feit blijft dat het muntrecht in die tijd bij vele personen of landen aanwezig was.

philippus-goudgludenfilips_de_schone_st-philippus_goudgulden_holland_dordrecht

 De Philippus goudgulden van Filips de Schone.

Advertenties