Na het sluiten van het tractaat met de nieuwe koning Lodewijk de 18e van Frankrijk in het jaar 1814 moest de bezetting van de stad verschillende uitvallen doen om aan voedsel te komen, aangezien ze ingesloten waren door Russische en Pruisische troepen. Een inwoner uit Tegelen hield precies bij wat er allemaal gebeurde. Zo deden de achtergebleven Fransen uit de stad Venlo een uitval richting Kaldenkerken, waar ze acht koeien en twee paarden roofden. Kozakken die dat gezien hadden, achtervolgden hun tot bij de stad Venlo. Er werd niemand gedood, maar er raakten wel vijf Fransen gewond.  De kozakken hadden slechts een paard te betreuren. Op 28 januari 1814 werden twee Franse deserteurs opgebracht door de kozakken. In Belfeld ontvingen de twee mannen een pas van de kozakken- commandant en konden toen ongehinderd naar hun geboorteland vertrekken. Op dertig januari trokken honderd en tien Franse soldaten vanuit Venlo naar Tegelen. De burgemeester had een wacht aangesteld omdat hij dit had zien aankomen, maar de Fransen overrompelden de wacht en de overige daar aanwezige soldaten.Toen in de ochtend een patrouille van de kozakken arriveerde om het dorp aan een controle te onderwerpen, dachten ze dat er alles rustig was. Een van de mannen klopte op het raam van het huis van de burgemeester, maar hoorde helemaal niets. Plotseling begonnen Franse soldaten vanuit het etablissement * De drie Kroonen* te schieten op de Kozak, die de vlucht nam naar de Bosserhof. Hij werd niet geraakt, maar viel van zijn paard en werd mee terug genomen naar Venlo. Het gewonde paard rende overigens  in paniek terug naar de kozakken. Het volk was in rep en roer omdat ze dachten dat het Franse leger weer terug was.

Mensen te Tegelen hadden uit voorzorg hun koeien al naar het kerkhof en de bossen gebracht. Op twee februari kwamen de Fransen weer “op bezoek” in Tegelen met wel drie honderd man. Ze gingen midden in de nacht naar het huis van de burgemeester. De daar aanwezige wacht vertelde hun dat zijn baas er niet was. Daaropvolgend namen ze hem mee naar het dorp Kaldenkerken. In het dorp namen ze twee voorname burgers in gijzeling en voerden en mee naar kasteel Kriekenbeek. Ze stalen daar zestien koeien en een paard en gingen toen weer terug naar Kaldenkerken. De bevolking aldaar moest honderd kronen betalen om hun twee burgers vrij te krijgen, anders zouden deze mee moeten naar Venlo, dat op dat ogenblik nog een Frans garnizoen binnen de muren had. Niet alle Fransen vertrokken gelijktijdig uit Kaldenkerken. Een paar mannen bleven stiekem achter en beroofden enkele burgers van bijna alles dat ze bezaten. Naderhand bleek dat de kozakken de Fransen nog een stuk achterna gezeten hadden, maar ze waren met hun groep van vijftig man te zwak om hun aan te vallen.

Naderhand bleek dat de kozakken de Fransen nog een stuk achterna gezeten hadden, maar ze waren met hun groep van vijftig man te zwak om hun aan te vallen.

Op maandag veertien februari deden de Fransen een uitval uit de belegerde stad. Een troep van honderdvijftig manschappen had zich verzameld op de heide bij Bracht en Beesel. Vandaar uit wilden ze de kozakken bij Belfeld aanvallen. Deze werden uit elkaar gedreven, maar slaagden er toch in om de Fransen te blijven beschieten, ondanks het feit dat ze in de minderheid waren. Ze namen zelfs drie Fransen gevangen. In Belfeld namen de Fransen zes koeien mee die voor de kozakken bestemd waren. Een week later trokken de kozakken met een van de gevangen Franse soldaten door Tegelen op weg naar Venlo. Ze hadden een trompetter bij zich die hun komst moest aankondigen. Ze wisselden er de soldaat uit tegen een door de Fransen  gevangen genomen kozak. Op zaterdag vijf maart ontstond er een schermutseling tussen de Fransen en de kozakken bij de “Onderste houtmolen”. De Fransen namen zes knechten die in de molen werkzaam waren mee. De mannen werden  ervan beschuldigd de kozakken van de komst van de Franse soldaten op de hoogte gesteld te hebben. Als straf kregen ze een pak stokslagen waarna ze in de Gelderse poort opgesloten werden. Ze werden in de namiddag vrij gelaten en door soldaten de stad uitgeleid. Op vier maart gingen de Fransen weer op rooftocht naar Horst en Venray, waar ze geld, koeien en bezittingen van burgers opeisten. Daarna gingen ze weer terug naar Venlo, maar kregen daar opdracht om naar Stralen te gaan. Toen ze de plaats om een uur in de nacht bereikten, schoten ze door deuren en ruiten van huizen en namen negen kozakken uit het Kleefse regiment gevangen. Bij hun terugtocht lieten ze twee gewonde kozakken achter in Stralen en “leenden” zestien van hun paarden. De dieren werden in Venlo voor goed geld aan lokale burgers verkocht! Op dertien maart trokken de Fransen de Maas over om er twintig kozakken gevangen te nemen. Niemand was veilig voor deze mannen, want ook burgers werden aangevallen en raakten hierbij vaak gewond. Zo werden de burgemeester en enige notabelen uit het dorp meegenomen naar Venlo als een soort wisselgeld. Op een en twintig  maart trokken de Fransen weer naar Tegelen met als doel nog meer kozakken op te pakken. Het werd een mislukking! Uit frustratie persten ze de pastoor en de koster geld af en eisten van mensen uit de omgeving van Tegelen jenever en brood voor  driehonderd manschappen. Dat moet een flinke duit gekost hebben, want de soldaten betaalden nooit.

 

Advertenties