Religieuze fricties

Godsdienst is in onze geschiedenis bepaald niet altijd het draagvlak geweest waarop mensen elkaar gevonden hebben, integendeel. Godsdienst is eeuwenlang en nu nog steeds, een twistappel tussen volkeren en culturen geweest die tot ware verschrikkingen, oorlogen en moordpartijen heeft geleid. Zo bestond er in 1764 in het dorp Vaals, gelegen in het Land van Overmaaze, een probleem tussen de verschillende godsdiensten. De frictie viel terug te leiden op de overtuiging dat slechts een partij de ware godsdienst bezat. Deze woelingen te Vaals dateerden al van een paar jaar eerder, toen een roomse priester de roomsgezinde echtgenoot van een protestantse huisvrouw probeerde over te halen om hun kind rooms te laten dopen. Dit was tegen de geldende afspraak dat een kind altijd gedoopt zou worden volgens de religie van de moeder. Toen zijn plannetje mislukte, haalde hij een zus van de echtgenoot over om de doopplechtigheid in de hervormde kerk te gaan verstoren en het kind daar weg te roven. De zus zou volgens de priester God daarmee een dienst bewijzen. De zus slaagde echter niet in haar opzet en werd door de autoriteiten gevangen genomen. De gefrustreerde priester ging samen met zijn koster en een hem bekende kapelaan naar het huis van de grootvader van het kindje. Ze hadden vernomen waar hij woonde en wilden hem een lesje leren. Ze bedreigden de man op ernstige wijze en gingen daarna weer weg. Toen de grootvader zijn huis daarna verliet om hulp te halen, werd hij achtervolgd door drie hem onbekende mannen die hem aanvielen en zo ernstig mishandelden dat hij voor dood bleef liggen.

Gewonden en doden

De  zwaar gewonde man werd door mede gelovigen gevonden, verzorgd en de volgende dag naar zijn bij Aken gelegen geboortedorp Burscheid gebracht. Inmiddels was het Vaalse gerecht een onderzoek begonnen naar de gedragingen van de vrouw. Ze werd aan een intensief verhoor onderworpen en gestraft. Haar katholieke kennissen en medegelovigen waren het bepaald  niet eens met het vonnis van de rechtbank. Bevriend gepeupel uit de buurt van Aken trok daarom gewapend met stokken en een geweer en begeleid door enkele Franse soldaten naar de gevangenis en bevrijdde de vrouw. Uit pure balorigheid pleegden ze ook nog eens allerlei baldadigheden in het dorp Vaals. De drossaard van ’s-Hertogenrade kon dit bandeloze gedrag onmogelijk tolereren en zon op wraak. Hij riep de bijstand in van de Hoge Heren van de Staten-Generaal. De door de schout genomen maatregelen haddden weinig invloed op het gedrag van de de relschoppers. Ze waren opnieuw op rellen uit. De eerstvolgende zondag zou een met zware stokken bewapende meute met steun van Franse soldaten dan ook voor een hoop trammelant zorgen. De Haagse overheid besloot naar aanleiding hiervan  soldaten naar Vaals te sturen om zo de veiligheid van burgers te kunnen garanderen. Het gezag was eveneens vastbesloten om de “Roomse Kerkschuur” (zo wordt charmant vermeld) te sluiten. Een andere overheidsmaatregel betrof de werkzaamheden van de pastoor en de kapelaans. Zij zouden geen missen meer mogen opdragen totdat het geweld voorbij was.

Haagse actie

Den Haag gaf opdracht zestig soldaten en vier en twintig ruiters naar het gebied te sturen om op die manier protestantse gelovigen in staat te stellen hun godsdienst te kunnen belijden. Het ging een tijdje redelijk, maar een jaar later ontstonden er opnieuw problemen. Overijverige katholieken begonnen regelmatig protestanten uit te schelden, te mishandelen en in het openbaar lastig te vallen. Ondanks de bevelschriften uit Aken konden protestantse gelovigen niet meer zonder gevaar naar Vaals gaan om daar hun kerk te bezoeken. De kerkgangers werden onderweg geslagen met stokken, rijtuigen werden aangevallen, en inzittenden werden uit de koetsen gegooid en met stenen bekogeld. Mensen die het toch aandurfden om naar Vaals te gaan, werden opnieuw door het gepeupel uit Aken en door rellerige boerenjongens uit de omgeving mishandeld. Een van de kerkgangers werd zo ernstig mishandeld, dat hij aan zijn verwondingen overleed. De drossaard voelde zich nu gedwongen om de roomse kerk te Vaalsvoor goed  te sluiten. Vier andere roomse kapellen ( kerken) in de omliggende dorpen gingen op zijn bevel eveneens dicht. De Staten steunden hem daarbij door dik en dun. De schout kreeg bevel er scherp op toe te zien dat geen enkele katholieke gelovige nog een van deze kerken binnen zou gaan. De roomse kerken bleven inderdaad een jaar lang dicht. Na een verzoekschrift van de roomsen aan de Hollandse overheid en na het uitblijven van verdere wanordelijkheden gedurende langere tijd gingen de roomse kerkdeuren weer open. De Staten-Generaal waarschuwde echter dat er veel strenger zou worden opgetreden als het weer tot wanordelijkheden zou komen. Men zou dan niet schromen om de tienden ( cijnsen) van de geestelijkheid in Aken en die van de geestelijken in het Land van Overmaaze in beslag te nemen. Dat was enigszins te begrijpen, want de roomse geestelijkheid in Aken was in hoge mate de aanstichter van alle religieuze ellende geweest.

cunegonde1

  • Het boek dat deze godsdienst perikelen beschrijft
Advertenties