De stad Maastricht kende in Merowingische tijd ( ca.600) al een munthuis. De vroegst bekende muntmeester heette Rimoaldus, die vlak voor het jaar 650 de stad verliet en naar Dorestad afreisde. Een andere muntmeester uit die tijd, Madelinus , was eveneens werkzaam  in beide steden. Onze stad fungeerde in de negende eeuw nog als muntatelier. Op Maastrichts gebied zijn meer dan tien Merowingische munten gevonden. In later tijden waren er in de stad een  Luikse muntmeester en een Brabantse muntmeester werkzaam. Het betekent overigens niet dat de stad enige rol van betekenis heeft gespeeld in de toenmalige munthandel. Overigens zijn er in Maastricht geslagen munten gevonden in het Zeeuwse Domburg, in Friesland, in het Duitse Holstein en zelfs in het Rhone-dal in Frankrijk. Maastricht verkreeg in het jaar 908 het recht van tol en muntrecht. Dat gebeurde nadat Lodewijk de 4e aan bisschop Stefanus van Luik dit recht gegeven had. Luik en Brabant bezaten beiden het muntrecht in Maastricht, maar alleen de Luikse overheid mocht de benodigde muntstempels leveren. Brabant probeerde echter steeds opnieuw om de  alleenheerschappij  over het muntrecht te verkrijgen.  Volgens de “Alde Caerte” * uit 1284 kenden beide overheden dezelfde munt. Geen van beide overhden mocht echter een munt slaan zonder de toestemming van de ander. Toen in het jaar 1615 het concordaat ( overeenkomst tussen bisschop van Luik en de hertog van Brabant) gesloten werd, was het recht om een munt te slaan nog steeds een zeer omstreden zaak.

Na de Hollandse inname van de stad in 1632, kwam er een Hollandse munt bij die meer waard was dan de Luikse of Brabantse. Op die manier ontstonden de benamingen “licht  Maastrichts Luiks en licht Maastrichts Brabants”. Het Hollands geld kreeg benaming “zwaar”. In Maastricht was de Brabantse gulden de officiële munt. Hij stond gelijk aan de Luikse en was een kwart van de Hollandse rijksdaalder waard. In de huidige Muntstraat, in de middeleeuwen al de verbinding tussen de Grote  Staat en de Markt, zou het munthuis  gelegen hebben. Na de verhuizing van het munthuis naar het Vrijthof op de plek waar ooit het postkantoor stond, werd het munthuis in de Muntstraat “alde moente”genoemd. Op de hoek van de Muntstraat zou volgens stadsarchivaris Franquinet een kruis gestaan hebben waaraan mensen die hun schulden niet konden voldoen voor iedereen te kijk werden gezet. Wellicht had dit kruis toen de functie van een marktkruis of bankruis, waar gelovigen naar toe moesten gaan om aan een kerk of klooster te offeren.  Dit soort kruisen verdwenen in de dertiende eeuw.

  • De “Alde Caerte” uit februari 1284 regelde de verhouding tussen de bisschop van Luik en de hertog van Brabant in de tweeherige stad Maastricht.
  • Een dertien millimeter grote munt geslagen in Maastricht (treicto fit) rond het jaar 620 met op de  keerzijde de vermelding Madelinus M, muntmeester Madelinus. De munt werd gevonden in de Betuwe.gouden_tremissis_dorestad_madelinus-36
Advertenties