De welvaart, welke de bewoners van dit klein vorstendom onder den kromstaf eener abdis genoten, werd in de laatste helft der vorige eeuw door dievenbenden verontrust, meestal des nachts braken zij in de huizen, bonden de bewoners aan handen en voeten en beroofden hen van alles wat slechts eenige waarde in hunne oogen had; ook kwamen zij bij dag op vele plaatsen, b.v. op Schous- en Luensmolen allerhande levensbehoeften ter leen vragen, wel te verstaan, om nooit iets van het geleende terug te brengen. Eens was een zekere G.K. met zijnen knecht twee karren graan naar Maastricht gaan brengen, en reeds na afloop van de markt tot Mechelen teruggekeerd, toen hem een der bendegasten ontmoette en hem vroeg mede te mogen rijden. Dit stond G.K. hem toe en ter goeder ure, want tusschen Neerocteren en Maaseik werden zij aangehouden om handgeld, waarop de onbekende gezel antwoordde ‘de maan is nog niet op’, en de aanvallers terugweken. Hetzelfde deed zich insgelijks voor tusschen Maaseik en Ophoven. Alweer hetzelfde antwoord ‘de maan is nog niet op’, waarop ditmaal de dieven antwoordden: ‘dat heeft u de duivel gezegd’. – Alzoo kwamen zij gezamenlijk zonder ongeval te huis, en G.K. vroeg aan zijnen begeleider wat hij hem schuldig was, en deze antwoordde: ‘niets, het eene pleizier is het andere waard’.

Een zekere H.G., die in den avond van Leveroy naar Ittervoort terugkwam, ondervond nagenoeg hetzelfde; men vroeg hem om vuur, hetwelk hij ook den onbekende gaf, die hem erkende en verder naar huis wilde vergezellen. De onbekende rooker ging met H.G. tot Grathem, alwaar hij H.G. verliet, maar hem waarschuwde, wanneer men hem zou aanvallen slechts met den hoed te slaan, hetwelk hij tot twee malen deed, met dat gevolg dat twee dieven, die hem onderweg aanrandden, het herkenningsteeken der bende bemerkende, genoemden H.G. vrij en ongehinderd lieten gaan.

Eindelijk kwam de justitie van het land van Thorn deze benden op het spoor, en maakte velen hunner door de galg, te Ittervoort, onschadelijk. Niet ver van de plaats waar H.G. om vuur was gevraagd geworden, lag een huis, genaamd ‘de Koet’, waar zich een gedeelte der dieven had verscholen. Op zekeren nacht omsingelde de Kapittels-Meier van Thorn met eene sterke gewapende boerenwacht genoemd huis, trad binnen en vroeg den meester des huizes of geen vreemd volk in huis was, waarop deze met den vinger eene aangrenzende deur wees, zeggende: ‘neen’. – Dit zagen de dieven door eene spleet in de deur, en riepen: ‘gij spreekt goed, maar wijst slecht’. De geheele aanwezige troep werd in arrest genomen, maar eenige dagen later kwam eene grootere bende en verbrandde den meester des huizes levend op het vuur.

L. Grispen, uit het boek Limburgsche Legenden, Sagen, Sprookjes en Volksverhalen.

limburges agenelt004limb01_01_tpg

Advertenties