Ermitage overvallen

De ermitage oftewel de kluizenaarswoning op de Schaelsberg in de buurt van Walem lag erg afgelegen. Alleen daarom al was de woning tot object geworden van een overval. Op zes juli 1774 legde kluizenaar Peter Preckartz zijn eed van waarheid af voor schepen Habets van de rechtbank in Schin op Geul. Pas daarna kon hij met zijn getuigenis beginnen over de overval die zich dertien jaar eerder had afgespeeld. Hij vertelde dat hij in de Goede Week van het jaar 1761 in de nacht van maandag op dinsdag wakker was geworden van lawaai dat hij in de kluis gehoord had. Zijn medebroeder en kluizenaar Haasen had hem later verteld dat op dat ogenblik inbrekers via een raam naar binnen waren gekomen. Hij wist niet wat er gaande was, en had  de deur tussen de kapel en de woning opengemaakt om te kijken wat er was. Volgens Haasen was hij op hetzelfde ogenblik door een aantal mannen overrompeld en vastgebonden. Preckartz had vanuit zijn cel ook een hoop lawaai gehoord, maar had zich uit angst stil gehouden. De overvallers hadden echter geroepen dat hij de deur moest openen. Toen hij geen antwoord had gegeven, hadden de boeven het deurraam geforceerd en dreigend een geweer naar binnen gestoken. Hij had nog geprobeerd om met een stuk hout het geweer weg te slaan, maar dat was niet gelukt. De boeven waren daarna met een bijl op de deur gaan inslaan en hadden zelfs met hun geweer dwars door de deur geschoten Ze waren er uiteindelijk in geslaagd om binnen te komen, en hadden hem direct een harde slag op zijn hoofd gegeven. De mannen hadden hem daarna vast gebonden. De drie kerels hadden hem toen verteld dat ze hem niets gedaan zouden hebben, als hij zich vrijwillig had overgegeven. Hij werd daarna naar de cel van Haasen gebracht die, zoals hij gezien had, geboeid op de grond had gelegen. Preckartz had nog kunnen zien dat de mannen eieren waren gaan bakken.

Overvallers bakken eieren

De mannen hadden plotseling gedreigd om zijn medebroeder met braadolie te overgieten als hij niet zou vertellen waar de honderd gulden waren die hij volgens hun zou bezitten. Haasen had ontkend zoveel geld te hebben, maar was wel bereid geweest hun het aanwezige offer geld te geven. De kerels hadden hem daarna gedwongen mee naar boven te gaan om er  het geld uit een reiszak te pakken. Toen ze weer beneden waren gekomen, werd Haasen nogmaals geslagen waarbij ze met het ergste gedreigd hadden als hij ook maar iets aan de autoriteiten zou vertellen. Haasen had toen gezegd: ”heb ik dan de vorige keer ook iets gezegd?” De mannen waren toen naar buiten gegaan en hadden de restanten van de gebakken eieren mee genomen om ze aan de andere mannen te geven. Vervolgens waren de overvallers de kluis beginnen te plunderen en hadden alles van hun gading mee genomen. Bier dat ze niet opgedronken hadden, werd buiten weg gegooid. Ze hadden zelfs de leren broek en de nieuwe schoenen van Peter Preckartz mee genomen. Het broodmes konden ze ook gebruiken evenals het koperen kruis dat ze van de rozenkrans van broeder Arnold hadden afgesneden. Een koperen kruis konden ze makkelijk kwijt bij een heler. De mannen waren daarna weggegaan en hadden beide broeders gewond achtergelaten. Het getuigenis van Preckartz werd als proces-verbaal opgetekend door gerechtsschepenen J.Habets en P.Jacobs. Peter bleef verder bij zijn getuigenis. Het werd  verzonden naar de officier van de Heerlijkheid Schin op Geul, zodat die  verder onderzoek zou kunnen doen.

kluis da8490b08b71a79110b320501e7f0fc9a566589e54bc27042bff37c478d21025

De kluis

Advertenties