Zoals we weten is het opstellen van maatschappelijke regels niet zo lastig. Moeilijker is de handhaving en de bestraffing van deze regels. De strafverordening te Ryckholt uit het jaar 1752 leert dat het ook toen nodig was om regels in het maatschappelijke verkeer te hebben. Voorop stond echter een prominente rol van de godsdienst. Degene die tegen de de regels van de religie zondigde was in het algemeen de klos. Hoe zat het nou met die regels in 1752?

Leve de goudguldens
1 Wie godslasterend bezig was, moest zeven zondagen achter elkaar  op blote voeten voor de kapel van het kasteel de mis volgen. Op de zevende zondag kreeg een overtreder een strop om de hals gehangen, als teken van afschrikking en als waarschuwing voor de toekomst.
2 Allen die zich op het uur van de kerkdienst in de herberg bevonden kregen een boete van een goudgulden. Deze som gold ook voor de waard van de herberg die “gelegenheid”  had gegeven. De overheid was van oordeel dat hij  de mensen naar de kerk had moeten sturen!
3 Ouders waren verplicht hun kinderen naar de godsdienstles te sturen op straffe van een boete van drie goudguldens.
4 Personen die zich in de winter na acht uur en in de zomer na negen uur in een herberg ophielden, werden beboet met een goudgulden.
5 Alle inwoners van de gemeente die wapens bij zich hadden kregen een boete van vijftig goudgulden. Wapens werden overigens zonder meer in beslag genomen. Deze maatregel werd ook aangewend als het om een eerste keer ging. Bij een tweede overtreding kon men voor eeuwig verbannen worden of welke andere straf dan ook krijgen. Die straf hing dan van de het oordeel van de schout af.
6 Wie in de vijvers van de Heer van Ryckholt of van particuliere personen ging vissen, kreeg een boete van vijf goudgulden. Visgerei van illegale vissers werd eveneens in beslag genomen.
7 Degene die in het bezit van wapens op jacht ging raakte zijn wapens kwijt en kreeg tien goudgulden boete. Ingeval van recidive werd dit bedrag verdubbeld.
8 Alle honden moesten om hun hals een knuppel dragen van anderhalve voet groot. Hield een inwoner zich daar niet aan, dan moest hij als straf een goudgulden betalen.
9 Beesten van welke soort dan ook mochten niet velden met wassend graan betreden. Ze werden dan vastgezet (geschut) totdat de mogelijke schade door de overtreder aan de eigenaar betaald was. De boete voor dit vergrijp bedroeg twee schillingen en kwam in de kas van de officier van justitie oftewel de schout
10 Als een inwoner een ambtenaar sloeg werd hij bestraft met een boete van eenentwintig stuivers en een verplichte bedevaart naar St.Joris in het dorp Oene op de Veluwe.
11 Als men iemand verwondde of uitschold kreeg naast de benadeelde ook de officier van justitie een deel van de boete.
12 Beken en waterlopen moesten twee keer per jaar door aanwonenden onderhouden worden, op straffe van een boete van twintig stuivers.
13 Degene die een deel van de openbare weg aan zijn grond toevoegde, moest alles in de oorspronkelijke staat herstellen en vijf goudgulden boete betalen.
14 Iemand die land inpikte van zijn buurman moest dat retourneren, met dubbel de hoeveelheid opbrengst.
15 Wat halsmisdrijven aanging, golden in het jaar 1752 nog de wetten uit het jaar 1532. Al deze voorschriften werden opgemaakt op het kasteel van de heer van Ryckholt, maar pas nadat er voldoende vooroverleg had plaatsgevonden met bekwame juristen.  Aldus voor akkoord bevonden op 18 oktober 1752.

kasteel-rijckholt-het-koetshuis.jpg

Kasteel Ryckholt met koetshuis

Advertenties