Een van de helpsters van deze bende was een zekere Rebecca Jacob, dochter van het joodse bendelid Moyse Jacob. Ze was zeer waarschijnlijk de zus van Dinah Jacob die in 1798 of 1799 in Doornik de doodstraf kreeg voor haar lidmaatschap van deze bende. Omstreeks het jaar 1790 begon Rebecca een verhouding met Frans Bosbeeck, een van de leiders van de Brabantse bende. Rond 1792 trok ze richting zuiden en streek vermoedelijk neer in het dorp Meerssen. In het najaar van 1792 hielp ze Frans ontvluchten uit de gevangenis van Valkenburg, door hem een breekijzer te bezorgen. In de navolgende jaren zwierven ze samen rond door de Zuidelijke Nederlanden, om in 1796 opnieuw in Meerssen op te duiken. Frans maakte toen een einde aan hun relatie en papte aan met de dochter van de herbergierster Rosch uit Meerssen. Rebecca ging bij hem weg, maar kwam regelmatig terug om geld van Bosbeeck te eisen. Dat was reden voor Bosbeeck om haar in 1798 zwaar te mishandelen. Hij wilde duidelijk van haar af, en vluchtte vervolgens naar Aken, veronderstellende dat ze dood was.  Over de verdere lotgevallen van Rebecca is niets meer bekend, alleen dat ze deze mishandeling overleefd heeft.

Frans Bosbeeck had waarschijnlijk een identieke tweelingsbroer, Jan geheten. De twee jongens brachten hun jeugd voor een deel door in het Antwerpse gebied, waar ze als knechten werkten, maar vanwege diefstal regelmatig ontslagen werden. Rond 1790 begonnen ze aan hun echte loopbaan als rover en sloten zich aan bij de bende van Moyse Jacob. Zoals eerder verteld kreeg Frans een verhouding met zijn dochter. Als gevolg van het onderzoek door de autoriteiten naar een inbraak in Venlo, werd hij in september 1792 in Valkenburg gevangen gezet. Bosbeeck vertelde later dat Rebecca hem inderdaad een ijzer bezorgd had om uit te kunnen breken. Na zijn ontsnapping ging hij vrolijk door met inbreken maar werd onvermijdelijk weer gepakt in Antwerpen. Na een lang voorarrest werd hij in 1794 door de Franse bezetters vrijgelaten. Weer volgde een lange reeks inbraken in het Brusselse en Gentse land. Na de gevangenneming van een van zijn gezellen werd de grond hem daar te heet onder de voeten en vertrok hij, om in november 1796 in Meerssen te belanden waar hij het zeepstoken zou leren. Hij leefde er samen met de dochter van herbergierster Rosch. Haar herberg was een verzamelpunt geworden van mannen die in deze tijd onder de naam de Meerssener bende het Rijnland onveilig maakten.

Een ander bendelid was Simon Joseph, oftewel Kromme Borach, die eigenlijk Barend Elias heette.Geboren werd dit joods bendelid in de Elzas omstreeks 1750. Onbekend was wat zijn beroep was, maar al gauw liep hij tegen de lamp met zijn verkeerde praktijken. Zo zat hij in Utrecht 10 jaar lang vast in een werkhuis, waarna hij eeuwige verbanning kreeg. Joseph woonde geruime tijd in Meerssen, maar leidde verder ook een zwervend bestaan. In het midden van de jaren negentig was hij samen met de Brabantse bende betrokken bij overvallen in het Rijnland. in 1795 werd hij gearresteerd te Schoonhoven. Hij werd in Utrecht veroordeeld, maar naar het lijkt is hij daar ook weer ontsnapt.

Als helper van Frans Bosbeeck was de jood Jacob Kessel, eigenlijk Jacob Abrahamsz. geheten, betrokken bij vele overvallen tijdens de jaren 1790-1798. Tijdens de grote overval te Eupen in april 1798 woonde deze lange magere man te Meerssen. Hij verhuisde na de overval naar Brabant. Wellicht vond hij het beter om zijn heil te zoeken in een andere regio, maar hij werd alweer in 1799 gearresteerd. Hij stond toen op het punt om te huwen. Hij werd te Luik opgesloten en daar ook berecht rond 1801. Niet bekend is of dit met de galg of de guillotine is gebeurd.

*Boek uit 1908, naar serie verhalen in de Katholieke Illustratie

meersen bende

 

 

Advertenties